Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Onwettige uitoefening
De wet bepaalt dat de Nationale Raad als opdracht heeft elke inbreuk op de wetten en de verordeningen tot bescherming van de beroepstitel van erkend boekhouder of erkend boekhouder-fiscalist of stagiair-boekhouder/fiscalist tot organisatie van het beroep bij de gerechtelijke overheid aan te klagen. Bij vaststelling van een inbreuk op de reglementering kan het Instituut de betrokkenen rechtstreeks dagvaarden voor de Correctionele Rechtbank.

Indien er een vermoeden van onwettige uitoefening bestaat voorziet art. 58 van de Wet van 22 april 1999 dat het Instituut de "federale politie" [officieren van de gerechtelijke politie, het personeel van de Rijkswacht], de ambtenaren en agenten van de plaatselijke politie en de ambtenaren en de agenten, te dien einde door de Koning aangeduid op voorstel van de Minister van Middenstand [zie KB van 30 april 2004], kan verzoeken de inbreuken op de wet op te sporen en vast te stellen in processen-verbaal.

Wettelijke basis

De uitoefening van het beroep van zelfstandig boekhouder werd reeds bij koninklijk besluit van 19 mei 1992 gereglementeerd, in uitvoering van de kaderwet van 1 maart 1976. In 1999 werd de reglementering van het beroep opgenomen in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen. Het artikel 49 van deze wet omschrijft de beroepsactiviteiten die onder het monopolie vallen van de erkende boekhouders (-fiscalisten). Dit monopolie wordt gedeeld met de accountants en bedrijfsrevisoren.

Concreet betekent dit dat alle personen die deze gereglementeerde beroepsactiviteit als zelfstandige en voor derden uitoefenen, zonder te zijn ingeschreven op het tableau van een van de instituten voor boekhouders en boekhouders-fiscalisten (BIBF), accountants en belastingconsulenten (IAB) of bedrijfsrevisoren (IBR) zich blootstellen aan strafsancties. Deze sancties werden bepaald in artikel 58 van de vermelde wet.

Strafbepalingen illegale uitoefening

>> Zie ook selectie van vonnissen en arresten

>> Voor overzichten van rechtspraak verwijzen wij naar: Pacioli nr’s. 237 (2007), 300 (2010), 337 (2012), 362 (2013), 388 (2014), 408 (2015), 422 (2016) en 450 (2017). U kan Pacioli hier raadplegen

Artikel 58. van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen bepaalt dat met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 200 tot 2.000 euro (*)of met één van die straffen alleen gestraft:

  1. hij die zich publiekelijk en onrechtmatig de hoedanigheid toeëigent van accountant of belastingconsulent, of die de artikelen 16, 17, 18 en 37 van de wet van 22 april 1999 overtreedt;
  2. hij die zich publiekelijk en onrechtmatig de hoedanigheid van erkend boekhouder of erkend boekhouder-fiscalist toeëigent of die de artikelen 46, 47 of 48 van dezelfde wetovertreedt;
  3. hij die de beroepswerkzaamheid van accountant, belastingconsulent, erkend boekhouder of erkend boekhouder-fiscalist uitoefent of deze titels voert terwijl hij het voorwerp is van een uitvoerbare schorsingsmaatregel.

De rechtbank kan bovendien bevelen:

  1. de definitieve of tijdelijke sluiting van een deel van de lokalen of van alle lokalen die worden gebruikt door degene die zich schuldig heeft gemaakt aan één of meer van de hierboven bedoelde overtredingen;
  2. de bekendmaking van het vonnis of van een samenvatting ervan in één of meer dagbladen, of op enige andere wijze; dit alles op kosten van de veroordeelde.

(*) In Belgisch Staatsblad van 30 december 2011 werd de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen inzake justitie gepubliceerd waardoor de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdecimes op de strarechtelijke geldboeten wijzigt. De aanpassing heeft tot gevolg dat de opdeciemen worden verhoogd met 50 (i.p.v. 45). Dit betekent dat de geldboeten zullen moeten vermenigvuldigd worden met 6 in plaats van 5,5. Een boete van 200 EUR betekent dus thans 1.200 EUR en een boete van 2.000 EUR wordt 12.000 EUR.

Vonnissen en arresten

In de voorbije jaren werd op basis van talrijke vonnissen of arresten een zekere jurisprudentie opgebouwd:
1. de Hoven en Rechtbanken erkennen dat het BIBF materiële schade heeft geleden door de illegale uitoefening. Ook het gelijkheidsprincipe is intussen vrij algemeen aanvaard: een veroordeelde niet-erkende boekhouder moet een schadevergoeding betalen, dat minstens gelijk is aan het bedrag dat een erkende boekhouder, die de wet respecteert, heeft moeten bijgedragen om het beroep te mogen uitoefenen.
2. het bestaan van een morele schade, veroorzaakt door een niet-erkende boekhouder toegebracht aan het beroep in het algemeen, wordt nog maar door enkele Hoven en Rechtbanken erkend.

Het vonnis van het Hof van Beroep te Bergen (Mons) van 3 maart 1999 bracht een doorbraak in de jurisprudentie. U kan het commentaar hier downloaden. Het Hof van Cassatie bevestigde in zijn arrest van 27.11.2005 het principe van de vorderingen van het BIBF inzake materiële en morele schadevergoeding.

Klik hier om een overzicht te downloaden inzake Vonnissen en Arresten door de jaren heen inzake illegale uitoefening van het wettelijk beschermd beroep van erkend boekhouder’.

Rechtspraak inzake illegale uitoefening: integrale tekst

Conform artikel 58 van de Wet 22 april 1999 kan de rechtbank de publicatie van een vonnis bevelen.

Hieronder kan u de vonnissen/arresten terugvinden waarvan de rechtbank de publicatie op de website van het BIBF bevolen heeft :



Laatst gewijzigd op 18/10/2017 12:33:21
Navigatie
  • TERUG