Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 65 - 30.11.99 - Het Vrij Aanvullend Pensioen (VAP)

Editie nr 65 van 30 november 1999

Het vrij aanvullend pensioen: blijkbaar een onbekende ... en dus een onbeminde

    Auteur:
    José Haustraete
    Lid van de Nationale Raad

In tegenstelling tot andere landen kent België een waslijst regimes inzake sociale statuten. Dat het sociaal statuut voor de zelfstandigen allesbehalve positief was moge blijken uit het volgende. Voor de beginnende zelfstandige zijn er vandaag evenwel mogelijkheden… mits het respecteren van voorwaarden.

Arbeidsongeschiktheid

Zelfstandigen kunnen de arbeidsongeschiktheid indekken via verschillende wegen:


    a. de wettelijke bijdragen via het sociaal statuut van de zelfstandigen;
    b. het gewaarborgd inkomen via een verzekeringsmaatschappij;
    c. de wettelijke bijdragen voor arbeidsongeschiktheid door de meewerkende echtgenote (een optiestelsel);
    d. via de wetsverzekering;
    e. via de dagvergoeding, afgesloten bij een mutualiteit;
    f. via de individuele ongevallenverzekering.

Daar waar de bijdragen sub a. tot e. fiscaal als beroepskost aftrekbaar zijn, zoals bij werknemers en ambtenaren, is deze sociale zekerheidstelling te betalen met bruto-franken: er moeten niet eerst belastingen betaald worden om deze bijdragen/premies te betalen.

Fiscaal zijn er evenmin beperkingen inzake de grootte van de bijdragen. Verzekeringstechnisch zijn er daarentegen, om evidente redenen, wel grenzen.

Naast de verplichte weg van de wettelijke bijdragen (nl. sub a.) is de meest gekozen formule deze van het gewaarborgd inkomen via een verzekeringsmaatschappij (nl. sub b.). In de praktijk geldt terzake evenwel een belangrijke beperking: de betrokken zelfstandige is niet a priori verzekerbaar. Het is inderdaad mogelijk dat de verzekeringsmaatschappij de betrokken zelfstandige als risico weigert of dermate hoge premies eist dat deze weg uitgesloten wordt.

De individuele ongevallenverzekering (sub f.) is qua premie heel wat lager. Fiscaal zijn deze premies evenwel meestal zeer hoog, gezien deze bijdragen aan de verzekeringsmaatschappij moeten betaald worden met netto-franken. Eerst is immers de hoogste personenbelasting te betalen en slechts met het saldo kan de premie "individuele ongevallenverzekering" betaald worden.

Bij het bestaan van een vennootschap wensen wij speciaal de aandacht te vestigen op de volgende punten:
– er wordt normalerwijze een overeenkomst, mits respect voor de regels van tegenstrijdig belang (artikel 60 en 133 Vennootschappenwet), opgesteld tussen het individu en de vennootschap en deze verbintenis wordt ingedekt via een verzekering "gewaarborgd inkomen";
– de betrokken vennootschap moet zowel de verzekeringsnemer als de begunstigde zijn terwijl de verzekerde een individu is, namelijk meestal de bedrijfsleider;
– het is aangewezen dat in een clausule van overdraagbaarheid van de polis wordt voorzien indien de vennootschap zou worden stopgezet of overgedragen. Het is immers niet uitgesloten dat de betrokken zelfstandige op latere leeftijd een merkelijk hogere premie zou moeten betalen indien een nieuwe polis moet worden afgesloten.

Het facultatieve regime van de meewerkende echtgenote, namelijk c, is van recente datum. Dat dit regime niet goed gekend is, blijkt uit het feit dat slechts weinig meewerkende echtgenoten dit regime van arbeidsongeschiktheid hebben onderschreven, slechts 4.942 in 1998. Allicht om diezelfde reden heeft de wetgever de mogelijkheid van een bijkomend pensioen voor de meewerkende echtgenoten vanaf 1 april 1999 gekoppeld aan het betalen van bijdragen in het kader van de arbeidsongeschiktheid.

Pensioenen

Wij beperken ons tot de drie belangrijkste stelsels uit de waaier van bestaande sociale statuten: a. de zelfstandige; b. de werknemer; c. de ambtenaar.

Wij becommentariëren de huidige toestand en verduidelijken dit aan de hand van het bijgevoegd schema, waar wij ook de letters A t.e.m. E gebruiken.


(Toelichting bij schema, zie verder)

A. Wettelijke bijdragen (zuil 1)

De uitkeringen en de te betalen bijdragen verschillen volledig volgens het statuut dat men heeft. Voor de sociale bijdragen mag het volgende adagium evenwel niet uit het oog verloren worden: "Wie hoge sociale bijdragen betaalt, betaalt lage belastingen. Wie lage sociale bijdragen betaalt, betaalt daarentegen een hoger bedrag aan belastingen". Het individu heeft aan een extra belasting geen enkele boodschap terwijl hetzelfde individu wel voordelen heeft aan het betalen van sociale bijdragen.

In de praktijk moeten wij vaststellen dat voor tal van adviseurs deze logische regel onbekend blijkt te zijn: te allen prijze wordt het betalen van sociale bijdragen afgeraden en wordt over de daardoor veroorzaakte meerbelasting wijselijk gezwegen.

a. de zelfstandige

De wettelijke bijdragen zijn ± 8,5 %1 en worden berekend op het "fiscaal inkomen" (m.a.w. inclusief de "verworpen uitgaven"), geplafonneerd tot een niet onrespectabel – bruto en geherwaardeerd – bedrag van 2.763.437 BEF in 1999 of een netto-beroepsinkomen van 2.298.517 BEF in 1996.

De pensioenbijdragen worden m.a.w. wel tot een inkomen van 2.763.437 BEF betaald, doch de uitkeringen zijn begrensd in functie van 1.889.218 BEF.

De grootte van het pensioen is vandaag maximaal gelijk aan 34.429 BEF (gezinspensioen per 1 januari 2000). In de praktijk wordt evenwel vastgesteld dat voor een volledige loopbaan dit pensioen zich meestal situeert tussen 15.000 BEF en 25.000 BEF bruto per maand.

Recentelijk verschenen2 terzake onthutsende cijfers: 50% van alle zelfstandigen heeft een pensioen van minder dan 10.000 BEF per maand. 30% van de pensioenen ligt tussen 10.000 BEF en 20.000 BEF per maand. Slechts 85 zelfstandigen zouden een pensioen krijgen dat hoger is dan 30.000 BEF per maand.

Indien beide echtgenoten een eigen zelfstandige activiteit hebben (vb. beiden zijn zaakvoerder van een BVBA) en elk afzonderlijk onderworpen zijn aan een sociaal statuut en dus ook beiden sociale bijdragen betalen, wordt dit pensioen uiteraard tweemaal uitgekeerd als alleenstaande. Bij het bestaan van een meewerkinkomen wordt evenwel slechts één gezinspensioen uitgekeerd, terwijl eigenlijk beide echtgenoten steeds actief waren en de sociale bijdragen zelfs berekend werden op het gecumuleerd inkomen van beide echtgenoten.

b. de werknemer (arbeider of bediende)

De persoonlijke bijdragen situeren zich in dezelfde orde van grootte nl.: 7,5% werknemersbijdrage op het brutoloon t.o.v. 8,5% op het geplafonneerd doch bruto en geherwaardeerd fiscaal inkomen bij de zelfstandige. De werkgeversbijdrage bedraagt 8,86% voor het pensioen. De totale pensioenbijdragen bedragen dus: 7,5% werknemersbijdrage + 8,86% werkgeversbijdrage = 16,36% op een niet-geplafonneerd brutoloon.

De uitkering bedraagt in de regel ongeveer het dubbele van het pensioen van een zelfstandige.

De situatie van de echtgenote is hier veel gunstiger, zeker bij een activiteit van beide echtgenoten.

Inderdaad, aan de werknemer wordt in dergelijke omstandigheden tweemaal een pensioen uitgekeerd, namelijk aan de echtgenoot en aan de echtgenote. Aan een zelfstandige, die samenwerkt met zijn echtgeno(o)t(e), daarentegen wordt slechts één gezinspensioen uitbetaald ondanks de activiteit van beide echtgenoten en ondanks het feit dat een hogere persoonlijke pensioenbijdrage van 8,5% werd betaald op hun bruto en geherwaardeerd fiscaal inkomen.

In Pacioli nr. 5 van 30 april 1997, p. 1 t.e.m. 6 illustreerden wij uitvoerig dat het betalen van twee sociale bijdragen voor zelfstandigen meestal niet leidt tot een lager netto-inkomen. Wij hernemen volgende passage ter herinnering: "Tweemaal sociale bijdragen betalen lost zelfs een sociale onlogica op: de sociale bijdragen werden voorheen door bv. de man betaald én op zijn inkomen én op dit van de echtgenote … zonder dat deze laatste een eigen sociaal statuut had. Zoals dit steeds het geval was bij werknemers wordt deze onlogica nu opgelost: beide actieve echtgenoten hebben hun eigen sociaal statuut. Wij moeten wel toegeven dat de pensioenrechten – eens de leeftijd van ± 40 jaar overschreden – beperkt of zelfs onbestaande zullen zijn voor de partner".

Per 1 januari 2000 bedragen de maximale uitkeringen inzake pensioen:

  PER JAAR PER MAAND
Zelfstandigen
alleenstaande
gezin

330.516
413.148

27.543
34.429
Toegelaten activiteiten
met kinderlast
zonder kinderlast

345.311
230.207
 
Werknemers
alleenstaande
gezin

632.995
791.243

52.749
65.937
Toegelaten activiteiten
met kinderlast
zonder kinderlast

431.639
287.759
 

Volgende belangrijke conclusie kan getrokken worden. Bij het bestaan van een activiteit bij beide echtgenoten geldt volgende opstelling, indien het maximum pensioen als criterium wordt gebruikt:

  • Zelfstandige (met meewerkende echtgenoot): gezinspensioen van 413.148 BEF
  • Werknemers: twee pensioenen als alleenstaande van 632.995 BEF per persoon, m.a.w. 632 995 x 2 = 1.265.990 BEF bruto.

Dit betekent concreet: 413.148 / 1.265.990 = 32,63%

Conclusie: zelfs al zijn de individueel betaalde bijdragen van een zelfstandige hoger dan deze van een werknemer en ondanks het feit dat beide echtgenoten actief waren en er ook sociale bijdragen betaald werden voor de activiteit van deze beide echtgenoten, ontvangt een zelfstandige slechts 32,63% van het pensioen van een werknemer.

Het is evident dat de zelfstandige zich in het verleden verplicht zag om deze discrepantie aan te vullen. Inkomsten uit vermogen of dure niet-aftrekbare bedragen waren ons inziens de enige noodoplossing. Dit laatste wordt evenwel opgebouwd met netto-fondsen m.a.w. nadat eerst de hoogste belastingen betaald zijn. Om zijn sociale zekerheid op te bouwen moet een zelfstandige dus dit hoogste belastingtarief betalen daar waar werknemers en ambtenaren geen frank belastingen betalen voor een veel degelijker pensioen.

c. de ambtenaar

Ambtenaren ontvangen geen pensioen maar wel een "uitgesteld loon". Dit heeft verregaande gevolgen:

  • Dit "uitgesteld loon" is in alle omstandigheden gelijk. Er is m.a.w. geen sprake van een verschillende uitkering naargelang er al dan niet een gezin bestaat;
  • voor deze "pensioenen" is niet alleen de indexatie van toepassing maar ook de loonsverhogingen van de actieven. Desondanks wordt een fiscaalvriendelijk regime toegepast, namelijk het "uitgesteld loon" wordt toch als "pensioen" belast;
  • de persoonlijke pensioenbijdrage van een ambtenaar bedraagt 7,5% op een onbegrensd brutoloon, net zoals voor een werknemer. De Overheid betaalt daarentegen geen enkele werkgeversbijdrage inzake pensioen. De tekorten in het stadium van de pensioenuitkering worden dus bijgepast door de belastingbetaler.

    Qua uitkering van dit "uitgesteld loon" is de regel de volgende: het "uitgesteld loon" is gelijk aan 75% van het gemiddeld brutoloon van de laatste vijf jaar. Als plafond geldt: 1.891.245 BEF (index 138,01). Aangepast aan de index is dat voor 1999 een bedrag van 2.260.227 BEF. Op basis van deze gegevens bedraagt het maximaal pensioen van een ambtenaar dus 188.352 BEF bruto per maand.

    Daar waar het in het verleden voor de zelfstandige een noodzaak was dat een vermogen werd opgebouwd en hetzelfde aan te raden was om dit in beperkte mate te doen voor een werknemer, is deze noodzaak totaal onbestaande voor de ambtenaar. Dit is des te meer het geval indien beide echtgenoten dit statuut hebben aangenomen: de hoger geciteerde bedragen zijn te verdubbelen.

    De financiële repercussies zijn evenwel zeer verregaand: indien een zelfstandige 200.000 BEF pensioenbijdrage betaalt, ontvangt hij maximum 360.000 BEF bruto als pensioen. Indien een ambtenaar daarentegen diezelfde 200.000 BEF als pensioenbijdrage betaalt, ontvangt hij, ongeacht of hij alleenstaande is of een gezin heeft, jaarlijks een bruto pensioen van 2.000.000 BEF (nl. 200.000 * 100/7,5 * 75%), hetzij 1.230.000 BEF netto (gehuwden) en 1.100.000 BEF (alleenstaanden).

    Indien man en vrouw (ex-werknemers of ambtenaren) een maandelijks pensioen van 100.000 BEF netto ontvangen, terwijl een echtpaar zelfstandigen om en bij de 30.000 BEF pensioen zou genieten3, is het verschil van 70.000 BEF te overbruggen met vermogensinkomsten. Bij een rendement van 3% netto betekent dit dat een zelfstandige een roerend vermogen moet hebben opgebouwd van 28.000.000 BEF. Gezien het marginaal belastingtarief zeker 50% bedraagt moet de betrokkene eerst minimum 28 à 40.000.000 extra personenbelasting betalen in vergelijking met de werknemer of ambtenaar. Deze laatste heeft hiervoor geen enkele frank belastingen afgedragen en ontvangt toch het dubbele, of zelfs een veelvoud van het pensioen van een zelfstandige, geholpen door zijn meewerkende echtgenote, die voor haar activiteit geen enkel pensioen ontvangt … ondanks dat in feite wel bijdragen werden betaald!

    Zowel de vorming als de uitkering van dit veelvoudige pensioen is uitermate belastingvriendelijk: enerzijds volledig aftrekbare bijdragen tegenover een als vervangingsinkomen belast pensioen anderzijds. Dit laatste is voor zelfstandigen slechts weggelegd tot het geciteerde maximum van 360.000 BEF. De rest, bijvoorbeeld de onroerende inkomsten, wordt daarentegen aan de hoogste tarieven belast én zonder enige aftrek als vervangingsinkomen. Het is duidelijk dat de meeste zelfstandigen een dergelijk vermogen onmogelijk kunnen opbouwen. Supplementair verschil: zelfstandigen, die onmogelijk een degelijk pensioen konden opbouwen, mogen slechts 230.207 BEF (zonder kinderlast) / 345 311 BEF (met kinderlast) (1 juni 1999) bijverdienen terwijl dit voor een werknemer een bedrag is dat 25 % hoger ligt: 287.759 BEF en 431.639 BEF. De logica en tevens een economische noodzaak zou zijn dat dit bedrag 1.700.000 BEF (cfr. infra) bedraagt voor zelfstandigen opdat beiden, zelfstandigen en werknemers, hetzelfde netto-inkomen op hun pensioenleeftijd zouden hebben.

    B. Groepsverzekering voor werknemers

    Het wettelijk pensioen van werknemers bedraagt in de regel het dubbele van dit van een zelfstandige. Het wordt bovendien tweemaal uitgekeerd indien beide echtgenoten actief waren.

    Het is aanvaardbaar dat bepaalde werknemers – waaronder kaderleden – zich moeilijk kunnen terugvinden in dit regime en dit aangevuld wensen te zien tot bijvoorbeeld het niveau van een "pensioen" van een ambtenaar. Sinds mensenheugenis bestaat op dit gebied de mogelijkheid van een groepsverzekering, gefinancierd door bijdragen van de werkgever en/of van de werknemer.

    In tegenstelling tot de arbeidsongeschiktheid bestaan er hier wel grenzen, geciteerd in de fiscale wet: de tachtig procent-regel.

    Wij wensen hierbij evenwel op te merken dat de 75%-regel bij ambtenaren niet onmiddellijk vergelijkbaar is met de 80%-grens bij werknemers omwille van de geciteerde verschillen tussen "pensioenen" en "uitgestelde lonen".

    C. Vrij aanvullend pensioen (V.A.P.) (zuil 1)

    Sinds 1982 is het voor zelfstandigen mogelijk een bijdrage te storten aan de sociale verzekeringskas met de bedoeling dat die zelfstandige een pensioen zou mogen ontvangen dat vergelijkbaar is met dat van een werknemer. De maximale bijdrage die de zelfstandige terzake kan betalen, is vandaag gelijk aan 7% van het geïndexeerd fiscaal inkomen, geplafonneerd tot 1.889.218 BEF (nl. het tussenplafond inzake de pensioenbijdragen) * 2/3 = 1.259.479 BEF.

    Op die manier is de totaal betaalde pensioenbijdrage voor een werknemer en een zelfstandige vergelijkbaar: 7,5% + 8,86% = 16,36% voor werknemers t.o.v. 8,5% + 7% = 15,5% voor zelfstandigen.

    Informatief delen wij evenwel mee dat de uitkering van een zelfstandigen pensioen geplafonneerd wordt op basis van een fiscaal inkomen van 1.889.218 BEF (basis 1999), terwijl de bijdragen betaald worden tot een fiscaal inkomen van 2.763.437 BEF.

    Kenmerken van dit vrij aanvullend pensioen zijn o.a.:

  • Voor de wettelijke bijdragen geldt het repartitiestelsel: vandaag worden bijdragen betaald die morgen reeds verdeeld worden onder de gepensioneerden van vandaag. Het vrij aanvullend pensioen (V.A.P.) daarentegen is gebaseerd op het kapitalisatiestelsel waardoor een kapitaal opgebouwd wordt ten gunste van de persoon in kwestie;
  • Het vrij aanvullend pensioen wordt uitgekeerd ongeacht of er een pensioen als alleenstaande of als gezin wordt uitgekeerd. Dit impliceert dat de betaalde V.A.P.-bijdragen door de echtgenote steeds aanleiding geven tot uitkering van een daarmee overeenstemmend pensioen, zelfs indien voor die echtgenote geen afzonderlijk pensioen wordt uitgekeerd omdat het gezinspensioen uiteindelijk interessanter is. Wij hebben de indruk dat dit laatste het geval is wanneer pas na de leeftijd van 40 à 45 jaar afzonderlijke bijdragen betaald worden door de echtgenote indien vroeger nooit aan enige pensioenopbouw werd gedaan (b.v. in loondienst of als ambtenaar of via een afzonderlijke zelfstandige activiteit):
  • Het V.A.P. is facultatief en bedraagt vandaag maximum 7%.
  • Het is niet mogelijk om het vrij aanvullend pensioen met terugwerkende kracht te storten, behoudens voor het lopende jaar zelf. Concreet betekent dit dat het vandaag nog mogelijk is te betalen vanaf 1 januari 1999 maar niet meer voor de jaren 1998 en vorige.

    Dit feit heeft belangrijke gevolgen:

    1. Pas in het jaar 2027 – nl. 1982 + 45 jaar – zal de eerste zelfstandige een pensioen ontvangen dat vergelijkbaar is met dat van een werknemer. De voorwaarde hierbij is wel dat die zelfstandige dan ook reeds vanaf 1982 bijdragen betaalt in het kader van dit V.A.P. hetgeen, veelal wegens gebrek aan informatie, niet evident is;

    2. Voor alle zelfstandigen, geboren vóór 1962 – nl. 1982 min 20 jaar –, is het vandaag onmogelijk om een pensioen op te bouwen dat vergelijkbaar is met dat van een werknemer, laat staan van een ambtenaar. De overgrote meerderheid van de huidige zelfstandigen wordt m.a.w. nog steeds geconfronteerd met de noodzaak om een allesbehalve fiscaalvriendelijk vermogen op te bouwen, waarvan alleen de erfgenamen de vruchten plukken.

    Vooral omwille van zijn eenvoud – nl. geen noodzaak aan een vennootschap, vlotte berekening van de bijdragen – en de haalbaarheid op lange termijn –nl. via het kapitalisatieregime4 – zouden inzake V.A.P., ten gunste van de zelfstandige, volgende realisaties wenselijk zijn:

      - het verhogen van de grens van 7% naar bijvoorbeeld 30%;
      - de mogelijkheid om met terugwerkende kracht het verleden recht te zetten gezien het V.A.P.-regime pas vanaf 1982 geldt en dat de zelfstandigen, geboren vóór 1962, ook vandaag nog het uitermate fiscaalvriendelijke regime, zoals dit voor werknemers en ambtenaren van toepassing is, moeten ontberen.

    Meerdere adviseurs stimuleren hun cliënten ten onrechte niet tot het betalen van de V.A.P.-bijdrage aangezien dit "terug geld kost". Zij vergeten hierbij dat ook zelfstandigen zich terecht zorgen maken omtrent hun toekomst. Bovendien betalen diezelfde zelfstandigen op die manier ten onrechte belastingen, die hun persoonlijk geen enkele baat brengen.

    D. Pensioenopbouw bij bepaalde vrije beroepen

    Voor bepaalde vrije beroepen (o.a. advocaten en gerechtsdeurwaarders, medici, tandartsen en apothekers) is een iets hogere pensioenopbouw mogelijk dan het V.A.P. toelaat. In die zin lijkt ons de optie voor dit regime dan ook interessanter dan de keuze voor het V.A.P. Wegens de specifieke kenmerken van dit regime wordt verwezen naar de bestaande informatie o.a. bij de Voorzorgskas voor Geneesheren, Tandartsen en Apothekers.

    E. Groepsverzekering voor bedrijfsleiders/zelfstandigen (zuil 2)

    Deze mogelijkheid bestaat enkel voor die zelfstandigen die actief zijn onder de vennootschappenvorm. Het is ten zeerste te betreuren dat tal van zelfstandigen gedwongen worden beroep te doen op de vennootschappenvorm om enerzijds de gebrekkige sociale wetgeving voor zelfstandigen in het verleden zo goed mogelijk te kunnen rechtzetten en om anderzijds een pensioen, vergelijkbaar met dat van een kaderlid of ambtenaar, pogen te bekomen. Tot dit inzicht zijn o.a. tal van medici gekomen: gezien het lage niveau van het pensioen wordt enkel omwille van deze reden – nl. de mogelijkheid van een groepsverzekering, zelfs voor de enige vennoot van een eenhoofdige B.V.B.A. – noodgedwongen geopteerd voor de vennootschapsvorm.

    Conclusies

  • 1. Elke zelfstandige zou in de mogelijkheid moeten worden gesteld dat de meewerkende echtgenote eigen sociale bijdragen betaalt, zowel in het kader van de arbeidsongeschiktheid als in het kader van het pensioen5. Op die manier zou de heden bestaande onlogische situatie (slechts één pensioen voor deze twee actieve personen, ondanks betaling van sociale bijdragen op basis van de som van het inkomen van twee actieve personen) uit de wereld geholpen worden.

  • 2. De huidige periode, namelijk vóór 31 december 1999, is uitermate belangrijk omdat de zelfstandigen vandaag nog in de mogelijkheid zijn om – liefst de maximale – V.A.P.-bijdragen te storten voor de vier kwartalen m.a.w. ingaand op 1 januari 1999. Hierbij is niet uit het oog te verliezen dat de betaling van deze bijdrage twee positieve gevolgen heeft: enerzijds wordt de belasting gerecupereerd aan de hoogste marginale tarieven en anderzijds wordt de wettelijke sociale bijdrage zelf beïnvloed gezien het fiscaal inkomen daalt. Dit laatste is inderdaad slechts het geval tot de grens van 2.763.437 BEF. Het is evenwel even evident dat dergelijk inkomen voor de grote meerderheid van de Belgen niet weggelegd is. Zelfs voor diegenen die deze grens overschrijden, is de betaling van het V.A.P. toch interessant, gezien enerzijds minimum 60% personenbelasting wordt gerecupereerd en er anderzijds een fiscaalvriendelijke pensioenopbouw plaats heeft.

  • 3. Vroeger was er slechts één, evenwel zeer dure, oplossing: de aanvulling van het pensioen met vermogensinkomsten. Sinds 1982 werd er reeds een belangrijke stap vooruit gezet: de zelfstandige kan een fiscaalvriendelijke – zowel aftrekbare bijdragen als gunstig belaste pensioenen – uitkering voorbereiden via het V.A.P. Het is ten zeerste te betreuren dat beide echtgenoten deze bijdrage niet afzonderlijk kunnen storten en dat het plafond slechts 7% bedraagt, zonder mogelijkheid van een correctie van het verleden.

  • 4. Sinds 1992 is er de mogelijkheid tot het verder aanvullen van het V.A.P., namelijk de groepsverzekering. Hier is er wel de mogelijkheid van een beperkte correctie van het verleden via de back-service. Dit laat tal van zelfstandigen toe om zowel een langer als een hoger deel van het verleden recht te zetten. Voorwaarde is dat zij actief zijn onder de vennootschapsvorm, waarmee zeker niet iedereen gelukkig is.

  • 5. De zelfstandige moet alle huidige mogelijkheden benutten. Enkel de zelfstandigen, die hun activiteit startten na 1982 of 1992 kunnen een pensioen opbouwen, vergelijkbaar met dit van een werknemer (via het V.A.P.) of van een kaderlid/ambtenaar (via de groepsverzekering).
    De zelfstandige put daarbovenop best ook de andere vormen van sociale zekerheid uit onder de vorm van de sociale zekerheid die voor de meeste Belgen openstaat: de levensverzekering en het pensioensparen (nl. zuil 3). Om onbegrijpelijke redenen is de Monory II (zuil 3) enkel voorbehouden voor werknemers.

  • 6. Men kan als zelfstandige enkel hopen dat op termijn volgende sociale maatregelen mogelijk worden:
    • het verhogen van de grens van 7% V.A.P. naar bijvoorbeeld 30%;
    • de mogelijkheid tot het betalen van de V.A.P.-bijdrage met terugwerkende kracht;
    • de mogelijkheid tot het betalen van volwaardige sociale bijdragen en V.A.P. door de medewerkende echtgenote;
    • het drastisch verhogen van de toegelaten activiteit voor gepensioneerde zelfstandigen, die nooit of in beperkte mate in de mogelijkheid waren om een fiscaalvriendelijke pensioenopbouw te organiseren. Worden hoger vermelde maxima bedragen gehanteerd, dan zou het een zelfstandige – bijgestaan door zijn echtgenote – moeten toegelaten zijn 1.700.000 BEF bij te verdienen i.p.v het huidige bedrag van 230.207 BEF om hetzelfde netto-inkomen te hebben als een echtpaar van twee werknemers. Om de toetsing te doorstaan met een pensioen van 100.000 BEF bruto per maand van een ambtenaar of een kaderlid, zou het de zelfstandige moeten toegestaan zijn 1.200.000 BEF (bij de activiteit van één echtgenoot) en zelfs 3.300.000 BEF (bij de activiteit van beide echtgenoten) bij te verdienen i.p.v. de huidige 230.207 BEF. Het is evident dat een zelfstandige het overbruggen van deze verschillen tijdig moet voorbereiden, hetgeen o.a. kan via het V.A.P.

    Sinds 1982 behoort het adagium van zelfstandigen nl. "Wij zullen wel zelf zorgen voor ons appeltje voor de dorst" tot het verleden, maar alleen voor hen, die vanaf de leeftijd van twintig jaar het V.A.P. ook effectief betaalden. Bij een marginaal belastingtarief van 60% (ter info: destijds kon dit zelfs tot 98,2% bedragen6) moet er eerst 200.000 BEF verdiend worden opdat er 80.000 BEF netto-fondsen zouden overblijven. Door de mogelijkheid van het V.A.P. moet er slechts 80.000 BEF verdiend worden om diezelfde bijdrage te kunnen leveren in het kader van de pensioenvorming. Het verschil tussen de twee soorten inspanningen is te groot om "neen" te zeggen aan het V.A.P.

    Wij hopen dat we van het V.A.P. een beminde gemaakt hebben in plaats van een onbekende … en dat vóór 31 december 1999 iedereen zowel voor zichzelf als voor zijn cliënten de beste beslissing neemt!

    ***

    SCHEMA

    Arbeidsongeschiktheid

  • Wettelijke bijdragen
  • Gewaarborgd inkomen
  • NB Voorwaarden van verzekerbaarheid
  • Arbeidsongeschiktheid meewerkende echtgeno(o)t(e)
  • Wetsverzekering
  • Mutualiteit dagvergoeding
  • Individuele ongevallenverzekering
  • Pensioenen

  • A. Wettelijke bijdragen (zuil1)
  • B. Groepsverzekering voor werknemers
  • C. Vrij aanvullend pensioen (V.A.P.) (zuil 1)
    • geen terugwerkende kracht mogelijk
    • pas vanaf 1982 mogelijk

    groei in de loop der jaren: pas in 2027 heeft het V.A.P. zijn volle effect … voor zover er reeds vanaf 1982 betaald werd.
  • D. Voor medici is een hogere pensioenopbouw mogelijk (hogere aftrek - het regime dateert reeds van 1968).
    De cumul van C en D is niet mogelijk in eenzelfde jaar.
  • E. Groepsverzekering voor zelfstandigen (zuil 2)
    • wel terugwerkende kracht mogelijk (nl. back-service) (tien jaar);
    • pas mogelijk vanaf 1992 voor zelfstandigen onder vennootschapsvorm; voor werknemers sinds de fiscale hervorming 1962;
    • de groepsverzekering dekt voor zelfstandigen niet steeds de volledige loopbaan ondanks de mogelijkheid van een backservice - groei in de loop der jaren, doch sneller dan het V.A.P. wegens de mogelijkheid van de back-service
    • E. kan ook C en D vervangen of aanvullen
    • A + C + D + E = of
    • A: werkt volgens het repartitiestelsel
    • B, C, D, E:werken volgens het kapitalisatiestelsel
  • Aanvullingen
    Levensverzekering (zuil 3)
    Pensioensparen of Monory II (zuil 3)
    Bedrijfsleidersverzekering

    -------------

    1. Exacter: ± 10% tot het tussenplafond van 1.889.218 BEF en ± 6,50% tot 2.763.437 BEF. De ± vindt zijn oorzaak in het feit dat sinds 1997 de toewijzing aan de diverse sectoren (pensioen, ziekte, …) achteraf aangepast is volgens de noden in die sectoren.
    2. "Pensioen zelfstandigen", FET, 30 april 1999. – Statistiek van de personen die rust- en overlevingsuitkeringen genieten – jaar 1997 – RSZV p.IV,1. – publicatie in 1999.
    3. Volgens de publicatie van FET, dd. 30 april 1999, "rari nantes" ofte "witte raven".
    4. De Voorzorgskas voor Geneesheren zag zich genoodzaakt het repartitiestelsel prijs te geven ten gunste van het kapitalisatiestelsel. In Nederland zijn alle pensioenen ingedekt, terwijl er in België slechts een reserve is om zestien dagen pensioen uit te keren!
    5. Het regime, mogelijk vanaf 1 april 1999, is zeer beperkt. Bovendien is de fiscale recuperatie beperkt tot 30 à 40% i.p.v. het hoogste marginaal tarief zoals normaal geldt voor sociale bijdragen. De uitkering is evenwel fiscaal vriendelijker – nl. 10% – dan inzake pensioenen, indien de betrokken wetgeving behouden blijft.
    6. AFT, oktober 1983, 9bis, p. 34 "Voorafbetalingen en tarieven inzake personenbelasting", José Haustraete.

    ***

    Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
  • Navigatie
    • TERUG