Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 64 - 15.11.99 - Boekhouders onderworpen aan toezicht ...

Editie nr 64 van 15 november 1999

Boekhouders onderworpen aan het toezicht van de Hoge Raad voor de Economische Beroepen en aan de Witwaswetgeving

De Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen reglementeert niet enkel de beroepstitels van erkend boekhouder- fiscalist en belastingconsulent maar heeft ondermeer ook tot gevolg dat de boekhouders(-fiscalisten) en de belastingconsulenten onderworpen worden aan het toezicht van de Hoge Raad voor de Economische Beroepen (vroeger: Hoge Raad voor het Bedrijfsrevisoraat en de Accountancy) en dat de witwaswetgeving op hen van toepassing wordt. Dit was in het verleden reeds het geval voor de accountants en de bedrijfsrevisoren. De boekhouder(-fiscalisten) zullen - via hun ledenbijdrage aan het B.I.B.F. - tevens moeten bijdragen in de werkingskosten van de Hoge Raad en de Cel voor Financiële Informatieverwerking.

A. Hoge Raad voor de Economische Beroepen (artikel 54)

De Hoge Raad bestaat uit 7 leden die benoemd worden door de Koning op voordracht van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Ministers van Economische Zaken, Financiën en Middenstand.

Haar taak bestaat uit het verstrekken van adviezen of aanbevelingen aan de regering en aan de drie Instituten (B.I.B.F, I.A.B. en I.B.R.) en ertoe bij te dragen dat de verrichtingen die uitgeoefend worden door de beroepsbeoefenaars van deze drie Instituten het algemeen belang dienen.

De Hoge Raad zal dan ook haar advies moeten geven over elk koninklijk besluit dat genomen wordt in uitvoering van de wetten betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepsbeoefenaars. Zij moet tevens door de Instituten worden geraadpleegd over elke beslissing van hun respectieve Raden die een algemene draagwijdte heeft.

Tenslotte organiseert de Hoge Raad een permanent overleg tussen de drie Instituten en kan zij tegen de beroepsbeoefenaars klacht neerleggen bij hun tuchtautoriteit.

B. Verstrekken van informatie aan de Cel voor Financiële informatieverwerking

De wet van 11 januari 1993 (1)tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld (hierna genoemd “de wet”) zet de Europese richtlijn 91/308/EEG van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld om in Belgisch recht. Deze wet voorziet een reeks preventieve en administratief gesanctioneerde maatregelen, en voert in hoofde van bepaalde ondernemingen en personen, naast een samenwerkingsverplichting voor het opsporen van verrichtingen die mogelijk in verband staan met witwassen van geld, een verplichting in deze gegevens te melden aan een daartoe speciaal in het leven geroepen overheid, namelijk de Cel voor Financiële Informatieverwerking (C.F.I.).

Artikel 57 van de wet van 22 april 1999 met betrekking tot boekhoudkundige en fiscale beroepen heeft dit mechanisme uitgebreid tot de erkende boekhouders(-fiscalisten) beoogd door artikel 46 van dezelfde wet. Omwille van de verplichtingen eigen aan het beroep van boekhouder(-fiscalist), en meer bepaald de verplichting tot eerbiediging van het beroepsgeheim gesanctioneerd door artikel 458 van het Strafwetboek, zijn de boekhouders(-fiscalisten) slechts onderworpen aan bepaalde voorschriften van de wet van 11 januari 1993.

De uitbreiding van het preventief anti-witwasstelsel naar boekhouders(-fiscalisten) vloeit voort uit hun bevoorrechte positie, als gevolg van hun taak de rekeningen op te stellen en de opdracht tot bijstandsverlening aan de belastingsplichtigen om hun fiscale verplichtingen uit te voeren, die hen toelaat witwasrisico’s op te sporen. De werkzaamheden van de Financiële Actiegroep over het witwassen van geld (FAG) en van het Contactcomité belast met de zorg voor een harmonieuze uitvoering van de Europese richtlijn 91/308/EEG, stellen duidelijk de noodzaak vast deze beroepen in te schakelen, die zich inlaten met raadgeving bij financiële verrichtingen.

De wet streeft naar een juist evenwicht tussen de zorg om op een doeltreffende wijze de witwassers aan te pakken die van de bevoorrechte status van dit beroep gebruik maken enerzijds, en het wettig belang het beroepsgeheim te vrijwaren anderzijds. Het bijzonder regime van de wet van 10 augustus 1998 laat inderdaad de boekhouders(-fiscalisten) toe afstand te doen van hun beroepsgeheim wanneer zij in de uitoefening van hun beroep feiten vaststellen waarvan ze weten dat ze verband houden met witwassen of die bewijsmateriaal voor witwassen kunnen vormen, of wanneer de C.F.I. hen aanvullende inlichtingen vraagt.

Toepassingsgebied van de wet (art. 3)

De wet beoogt de meest ernstige misdaadvormen en slaat dus niet op andere vormen van witwassen van geld of activa. In dit opzicht is haar toepassingsveld minder ruim dan dit van artikel 505, 2°, 3° en 4° van het Strafwetboek dat handelt over vermogensvoordelen die uit eender welk strafrechtelijk misdrijf kunnen voortkomen. De tekst van de wet verwijst niet naar specifieke bepalingen van het strafrecht, maar in het algemeen naar bepaalde vormen van misdadigheid, door woorden te gebruiken zoals deze in hun gewone betekenis in de omgangstaal worden gebezigd.

De wet beoogt het witwassen van geld of activa enkel en alleen wanneer deze voortkomen uit:

1° een misdrijf dat in verband staat met:

    - terrorisme;
    - georganiseerde misdaad;
    - illegale drughandel;
    - illegale handel in wapens, goederen en koopwaren;
    - handel in clandestiene werkkrachten;
    - mensenhandel;
    - exploitatie van de prostitutie;
    - illegaal gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of produktie-stimulerende werking of illegale handel in dergelijke stoffen;
    - illegale handel in menselijke organen of weefsels;
    - fraude ten nadele van de financiële belangen van de Europese Unie;
    - ernstige en georganiseerde fiscale fraude waarbij bijzonder ingewikkelde mechanismen of procédés van internationale omvang worden aangewend;
    - omkoping van openbare ambtenaren;

2° een beursmisdrijf of een onwettig openbaar aantrekken van spaargelden;

3° een financiële oplichting, een gijzeling, een diefstal of afpersing met geweld of bedreiging, of een bedrieglijke bankbreuk (artikel 3, §2).

Voor de toepassing van de wet wordt verstaan onder witwassen van geld:

    * de omzetting of overdracht van geld of activa met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit dit geld of deze activa voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden;
    * het verhelen of verhullen van de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van geld of activa waarvan men de illegale herkomst kent;
    * de verwerving, het bezit of het gebruik van geld of activa waarvan men de illegale herkomst kent;
    * de deelneming aan, de medeplichtigheid tot, de poging tot, de hulp aan, het aanzetten tot, het vergemakkelijken van of het geven van raad betreffende een van de in de drie voorgaande punten bedoelde daden (artikel 3, § 1).

Verplichting om de C.F.I. op de hoogte te brengen (art. 14bis)

Wanneer de boekhouder(-fiscalist) in de uitoefening van zijn beroep feiten vaststelt waarvan hij weet dat ze verband houden met witwassen van geld of die bewijsmateriaal voor het witwassen van geld kunnen vormen, dan moet hij daarvan, krachtens artikel 14bis van de wet, onmiddellijk de C.F.I. op de hoogte brengen.

Ook wanneer er geen zekerheid bestaat zal de boekhouder(-fiscalist) toch tot melding aan de C.F.I. moeten overgaan in geval van versterkt vermoeden. Dergelijk versterkt vermoeden bestaat wanneer het op grond van een overeenstemmend geheel van feiten of gegevens de meest waarschijnlijke of logische uitleg van deze feiten is dat het een geval van witwassen van geld betreft.

Het bestaan van een versterkt vermoeden houdt de vervulling van zijn opdracht als boekhouder(-fiscalist) niet tegen, maar verplicht de boekhouder(-fiscalist) tot onmiddellijke melding aan de C.F.I. over te gaan.

De meldingsplicht blijft ook bestaan wanneer dezelfde feiten reeds het voorwerp uitmaken van een aangifte bij de gerechtelijke overheden.

Er moet nochtans worden benadrukt dat de boekhouder(-fiscalist) meestal niet in staat zal zijn het misdrijf te onderkennen dat aan de basis ligt van de feiten die hij vaststelt en waarvoor een versterkt vermoeden van witwassen bestaat. Het behoort inderdaad tot de opdracht van de C.F.I. om via een grondige ontleding het verband op te sporen tussen de gemelde feiten en de vormen van criminaliteit beoogd in de wet(2).

Te volgen werkwijze bij de melding aan de C.F.I.

In dringende gevallen kan de melding telefonisch gebeuren. Deze moet evenwel onmiddellijk bevestigd worden via telefax of, bij gebreke hieraan, op enige andere schriftelijke wijze, op het volgende adres:

    Cel voor Financiële Informatieverwerking
    Gulden Vlieslaan 55, bus 1
    1060 Brussel
    Tel.: 02/533 72 11
    Fax: 02/533 72 00
    E-mail: ctif-cfi@pophost.eunet.be

De Cel is telefonisch bereikbaar van 9 uur tot 18 uur van maandag tot vrijdag.

Praktische modaliteiten om de C.F.I. in te lichten

Teneinde een optimale behandeling van de meldingen toe te laten, werd een formulier ontworpen. Zonder daarom formeel opgelegd, wordt het gebruik van dit formulier sterk aanbevolen. Voor de rubrieken waarover de informatieverstrekker over geen inlichtingen beschikt, volstaat het de vermelding "niet beschikbaar" te gebruiken.

Opvolging van de ontvangen meldingen

Zodra de Cel de melding ontvangt, bevestigt zij schriftelijk de ontvangst ervan.

De Cel kan, overeenkomstig artikel 15 § 1, van de wet, zich binnen de door haar bepaalde termijn alle bijkomende inlichtingen laten mededelen die zij voor de vervulling van haar opdracht nuttig acht. Zij kan daartoe niet enkel de aangever bevragen, maar tevens alle andere aan de wet onderworpen ondernemingen en personen, alsook de politiediensten en de administratieve diensten van de Staat. Nochtans kan de boekhouder(-fiscalist) weigeren de informatie mede te delen indien hij meent daartoe verhinderd te zijn wegens zijn beroepsgeheim. De boekhouder(-fiscalist) bevindt zich dan in dezelfde situatie alsof hij zou geroepen zijn in rechte te getuigen. Hoewel niet verplicht, heeft hij het recht om de gevraagde informatie mede te delen zonder gevaar zijn beroepsgeheim te schenden.

Wanneer nieuwe ernstige feiten aan het licht komen die de oorspronkelijk gemelde verdenking bevestigen of integendeel ontzenuwen, wordt verzocht de C.F.I. daarvan ook in kennis te stellen.

Vertrouwelijk karakter van de melding en de immuniteit (art. 19 en 20)

Overeenkomstig artikel 19 van de wet mogen de boekhouders(-fiscalisten) of hun personeel in geen geval de betrokken cliënt of derden op de hoogte stellen dat in toepassing van de artikelen 14bis tot 15 van de wet informatie werd meegedeeld aan de C.F.I., of dat een opsporingsonderzoek wegens witwassen van geld aan de gang is.

Krachtens artikel 20 van de wet mag geen enkele burgerlijke rechtsvordering, straf- of tuchtvordering worden ingesteld en geen enkele professionele sanctie worden uitgesproken tegen de boekhouder(-fiscalist) of zijn personeel wegens een te goeder trouw aan de C.F.I. verstrekte inlichting.

Terugkoppeling van informatie

Vermits de C.F.I. onderworpen is aan het beroepsgeheim, mag zij de boekhouder(-fiscalist) geen enkele informatie mededelen die zij ontvangen heeft in het kader van haar werkzaamheden en die betrekking heeft op de cliënten. Voor het geval een dossier wordt overgemaakt aan de procureur des Konings, zal deze zelf beslissen over de opportuniteit contact op te nemen met de boekhouder(-fiscalist). De C.F.I. zal echter wel regelmatig de betrokken boekhouder(-fiscalist) inlichten over de door haar geseponeerde dossiers.

Het sepot kan het gevolg zijn van de afwezigheid van ernstige aanwijzingen of van het feit dat de gerechtelijke overheden reeds in het bezit zijn van alle gegevens waarover de C.F.I. beschikt. Een sepot is slechts voorlopig en ontslaat de boekhouder(-fiscalist) niet om elk nieuw verdacht feit, dat verband houdt met de betrokken cliënt, mede te delen aan de C.F.I.

Jaarlijks zal de C.F.I. de betrokken boekhouder(-fiscalist) inlichten over de vonnissen die werden uitgesproken in de door de C.F.I. aan de procureur des Konings doorgemelde dossiers.

Administratieve en disciplinaire sancties

Wanneer de boekhouder(-fiscalist) de wettelijke verplichtingen niet naleeft, kan het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten, en dit onverminderd de bij andere wetten of reglementen bepaalde maatregelen en na de boekhouder(-fiscalist) in zijn verweer te hebben gehoord of minstens behoorlijk te hebben opgeroepen, een administratieve geldboete opleggen waarvan de som niet minder dan 10.000 frank en niet méér dan 50 miljoen frank mag bedragen. Zij kan ook overgaan tot het openbaar maken, volgens de regels die zij bepaalt, van de door haar genomen beslissingen en maatregelen.

Voor de toepassing van artikel 22 van de wet kan de C.F.I., krachtens artikel 17, § 2, derde lid van de wet, alle nuttige gegevens mededelen aan het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten.

--------------

1. Aldus gewijzigd door de koninklijke besluiten van 22 april 1994 (B.S. van 4 juni 1994, p. 15428) en van 24 maart 1995 (B.S. van 13 april 1995, p. 9393) en door de wetten van 11 juli 1994 tot wijziging van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik van stoffen met hormonale of anti-hormonale werking bij dieren (B.S. van 4 oktober 1994, p. 25080), van 7 april 1995 (B.S. van 10 mei 1995, p. 12378) en de twee wetten van 10 augustus 1998 (B.S. van 25 oktober 1998, p. 34267).

2. Senaat, n°1323/1, G.Z. 1994-1995, p. 5 en Senaat, n° 1335/1 en 1336/1, G.Z., 1997-1998, p. 18


Laatst gewijzigd op 21/05/2014 14:22:59
Navigatie
  • TERUG