Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 64 - 15.11.99 - Een grotere bescherming van de feitelijk gescheiden echtgenoten

Editie nr 64van 15 novembre 1999

Een grotere bescherming van de feitelijk gescheiden echtgenoten

    Auteur:
    Marie-Paule HANSENNE
    Advocaat aan de balie van Luik, Bours & Vennoten

Tijdens het huwelijk zijn de inkomsten onderworpen aan een aanslag op naam van beide echtgenoten, ongeacht hun huwelijksvermogensstelsel (art. 126 van het W.I.B.).

Als echtgenoten scheiden, worden hun inkomsten afzonderlijk belast vanaf het jaar dat volgt op dat van de feitelijke scheiding.

Ten aanzien van de belastingwetgeving worden ze vanaf dan beschouwd als alleenstaanden en wordt de belasting op ieders naam afzonderlijk ingekohierd.

Volgens de Administratie verandert de scheiding van de echtgenoten geenszins de bevoegdheden van de belastingontvanger, zoals bepaald in artikel 394 van het W.I.B.

Deze wettelijke bepaling stelt het volgende:
“§1. Elk gedeelte van de belasting in verband met de onderscheiden inkomsten van de echtgenoten alsook de voorheffing ingekohierd op naam van één van hen, mag ongeacht het huwelijksvermogensstelsel worden vervolgd op al de eigen en de gemeenschappelijke goederen van beide echtgenoten.

Het gedeelte van de belasting in verband met de inkomsten van één van de echtgenoten, die hem eigen zijn op grond van zijn huwelijksvermogensstelsel, alsook de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing, ingekohierd op naam van één van hen, mogen evenwel niet worden vervolgd op de eigen goederen van de andere echtgenoot wanneer deze laatste aantoont:

    1. dat hij ze bezat voor het huwelijk;
    2. of dat zij voortkomen van een erfenis of van een schenking door een andere persoon dan zijn echtgenoot;
    3.of dat hij ze heeft verworven door middel van fondsen die voortkomen van de realisatie van dergelijke goederen;
    4. of dat hij ze heeft verkregen met inkomsten die eigen zijn op grond van zijn huwelijksvermogensstelsel”.

Als de echtgenoten gehuwd zijn onder het stelsel van gemeenschap van goederen, komen hun inkomsten in de gemeenschap. De belastingsschuld op deze inkomsten is dan ook gemeenschappelijk en kan worden vervolgd op de eigen en gemeenschappelijke goederen van elk van hen.

Als de echtgenoten daarentegen gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen, blijven de inkomsten eigendom van elkeen en is de belastingsschuld een eigen schuld.

Op basis van het burgerrecht heeft de ontvanger geen enkel recht op de inkomsten en de eigen goederen van de andere echtgenoot.

Art. 394 van het W.I.B. geeft de ontvanger dus buitensporige bevoegdheden.

Artikel 394 §1 lid 2 maakt het de echtgenoot die gehuwd is onder het stelsel van scheiding van goederen echter mogelijk om bepaalde „niet-verdachte” goederen te laten ontsnappen aan de vervolging van belastingen op de inkomsten van de andere echtgenoot die van hem zijn krachtens zijn huwelijksvermogensstelsel.

Deze niet-verdachte goederen worden opgesomd in artikel 394 § 1 lid 2. Komen niet voor in deze opsomming, de goederen die eigendom zijn geworden als gevolg van de verandering van het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten of na een verdeling van de gemeenschap naar aanleiding van een scheiding.

De Administratie neemt zich voor om over te gaan tot de toepassing van artikel 394 van het W.I.B. als het gaat om het vervolgen van een belasting die ingekohierd is op naam van beide echtgenoten of een aanslag die werd gevestigd, na de feitelijke scheiding, op naam van één van hen.

De voornemens van de Administratie worden sterk bekritiseerd door de doctrine die, op basis van een juridische analyse van de artikels 393 en 394 van het W.I.B. van mening is dat deze wettelijke beschikkingen een inkohiering impliceren op naam van beide echtgenoten, d.w.z. een belasting die ingekohierd wordt tijdens hun gemeenschappelijk leven.

Artikel 394 van het W.I.B. zou dus niet van toepassing zijn voor het vervolgen van een belasting die betrekking heeft op inkomsten van na de feitelijke scheiding en die het voorwerp zou zijn geweest van een afzonderlijke inkohiering („De vervolging van de belastingen van natuurlijke personen ten laste van de feitelijk gescheiden echtgenoten” Nathalie PIROTTE R.G.F 1998 p. 12 en volgende).

De wet van 4 mei 1999 met betrekking tot de fiscale beschikkingen en andere (B.S. 4 juni 1999) brengt een aantal wijzigingen aan in de fiscaliteit van de gezinnen.

Artikel 128 van het W.I.B. wordt eerst en vooral aangevuld met de volgende alinea:
„Deze twee afzonderlijke aanslagen worden evenwel, in het geval beoogd onder het eerste lid, 2°, ingekohierd op naam van beide echtgenoten.”

Ter herinnering: de echtgenoten worden afzonderlijk belast in het jaar dat volgt op dat van hun scheiding. De belasting die betrekking heeft op de inkomsten van elke echtgenoot wordt ingekohierd op zijn naam.

Het kohier is een „authentieke akte waarmee de Administratie een grond creëert tegen de belastingplichtige en haar wil kenbaar maakt om de betaling van de belasting te eisen, indien nodig met dwangbevel”. (Cass. 17 juni 1929, Pas. 1929, I, 246)

Het kohier wordt uitvoerbaar gemaakt door de handtekening van de directeur van de belastingen en de belastingplichtige krijgt een aanslagbiljet vergezeld van een berekeningsnota.

In de hypothese dat de Administratie van plan is om ten laste van een feitelijk gescheiden echtgenoot de belasting te vervolgen die betrekking heeft op de inkomsten van de andere echtgenoot, wordt de vraag of de ontvanger over een geldige grond beschikt, betwist.

Om het de Administratie mogelijk te maken om een geldige grond te hebben op naam van de echtgenoot die de Administratie wil vervolgen, heeft de wetgever artikel 128 gewijzigd. Als gevolg van deze wijziging worden de echtgenoten beschouwd als alleenstaanden vanuit fiscaal oogpunt, maar de aanslag zal worden ingekohierd voor elk van hen op naam van beide echtgenoten. De wetgever heeft rekening gehouden met het advies van de Raad van State, van 14 oktober, met betrekking tot een eerste ontwerp, dat het volgende zei: „Als de regering van mening is dat in geval van feitelijke scheiding, bijvoorbeeld, het kohier met betrekking tot de inkomsten van één van de echtgenoten uitvoerbaar is tegen de andere, moet artikel 128 laatste lid van het W.I.B. worden gewijzigd en moet worden voorzien dat zelfs na de scheiding beide afzonderlijke aanslagen met betrekking tot de inkomsten van elk van de echtgenoten ingekohierd worden op naam van beide echtgenoten”.

Ondanks deze gunst die wordt toegestaan aan de Administratie heeft de wetgever ook maatregelen getroffen ten voordele van de feitelijk gescheiden echtgenoten. Er wordt een nieuwe beschikking toegevoegd aan het W.I.B. Het betreft artikel 393 bis dat de bedoeling heeft de buitensporige bevoegdheden van de wetgever ten aanzien van de feitelijk gescheiden echtgenoot, van wie de belasting van de andere echtgenoot wordt geëist, te temperen.

Artikel 393 bis van het W.I.B. stelt dat:
„De invordering van een belasting gevestigd overeenkomstig artikel 128 eerste lid, 2°, op de inkomsten van een feitelijk gescheiden echtgenoot mag slechts worden vervolgd ten laste van de andere echtgenoot op voorwaarde dat:

    1. een ingebrekestelling tot betaling, bij ter post aangetekende brief, is toegezonden aan de echtgenoot op wiens inkomen de belasting is gevestigd;
    2. aan de andere echtgenoot een exemplaar van het aanslagbiljet is toegezonden binnen een termijn die aanvangt op de vijftiende werkdag volgend op die van de verzending van de ingebrekestelling en die verstrijkt op het einde van de vierde maand van deze verzending.

    Geen enkele ingebrekestelling tot betaling mag worden toegezonden aan de echtgenoot op wiens inkomen de belasting is gevestigd zolang hij de verplichtingen van het afbetalingsplan dat hem, in voorkomend geval, werd toegekend, naleeft.
    De verzending van het aanslagbiljet doet, in hoofde van de geadresseerde, de termijn voor bezwaar, bepaald in artikel 371, lopen.”

De Administratie moet in staat zijn om aan te tonen dat de aanslagen die afzonderlijk worden gevestigd, ingekohierd werden op naam van beide echtgenoten.

Als de ontvanger de voorwaarden die worden opgelegd in artikel 393 bis niet naleeft, zal zijn recht om de belasting te vervolgen die betrekking heeft op de inkomsten van een echtgenoot ten laste van de andere feitelijk gescheiden echtgenoot, vervallen.

Deze wettelijke bepaling heeft uitsluitend betrekking op de belastingen die afzonderlijk ingekohierd worden op naam van de feitelijk gescheiden echtgenoten; ze betreft dus niet de belastingen die ingekohierd zijn voor het jaar van de scheiding, aangezien de aanslag voor dat jaar wordt gevestigd op naam van beide echtgenoten.

Deze tussenkomst van de wetgever betekent dus een lichte verbetering van de situatie van de feitelijk gescheiden echtgenoten. Het versturen van het aanslagbiljet maakt het de feitelijk gescheiden echtgenoot mogelijk om tijdig een klacht in te dienen tegen de belasting die betrekking heeft op de inkomsten van de andere echtgenoot, voor zover de vervolging ervan gebeurt ten zijne laste.

Bovendien vermijdt deze nieuwe wettelijke beschikking ook elke systematische informatie, aangezien ze het mogelijk maakt om de andere echtgenoot slechts te waarschuwen als de belasting niet betaald is (Documenten van de Kamer van Volksvertegenwoordigers 2073-98/99).

De wet van 4 mei 1999 wijzigt ook artikel 394 van het W.I.B. dat vooraan als volgt luidt:
„§1. De belasting of het gedeelte van de belasting in verband met de onderscheiden inkomsten van de echtgenoten alsook de voorheffing ingekohierd op naam van één van hen, mogen ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel worden verhaald op al de eigen en de gemeenschappelijke goederen van beide echtgenoten.

De belasting of het gedeelte van de belasting in verband met de inkomsten van één van de echtgenoten die voor de zetting van die belasting als persoonlijk verworven zijn aangemerkt, alsook de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing, ingekohierd op naam van één van hen, mogen evenwel niet worden verhaald op de eigen goederen van de andere echtgenoot wanneer deze laatste aantoont:

    1. dat hij ze bezat vóór het huwelijk;
    2. of dat zij voortkomen van een erfenis of van een schenking door een andere persoon dan zijn echtgenoot;
    3. of dat hij ze heeft verkregen door middel van fondsen die voortkomen van de realisatie van dergelijke goederen;
    4. of dat hij ze heeft verkregen met inkomsten die eigen zijn op grond van zijn huwelijksvermogensstelsel”.

§ 2. Na de ontbinding van het huwelijk kunnen de onbetaalde belastingen en voorheffingen die betrekking hebben op de periode van het huwelijk, verhaald worden op de goederen van de beide echtgenoten voor zover als aangegeven is in §1. Evenwel kan iedere echtgenoot alsdan die goederen onttrekken, die ook, krachtens §1, tweede lid, tijdens het huwelijk hadden kunnen worden onttrokken.

§3. De Koning bepaalt de wijze waarop het gedeelte van de belasting in verband met de onderscheiden inkomsten van de echtgenoten wordt vastgesteld.

§4. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de voorheffingen in verband met de periode vóór het huwelijk.”

Voor deze wijziging konden enkel de echtgenoten die gehuwd waren onder het stelsel van scheiding van goederen bepaalde, niet-verdachte goederen laten ontsnappen uit de greep van de fiscus.

Deze mogelijkheid wordt nu ook erkend voor de echtgenoot die gehuwd is onder het stelsel van de wettelijke gemeenschap.

Aangezien de inkomsten van de echtgenoten die gehuwd zijn onder het stelsel van gemeenschap van goederen gemeenschappelijk zijn, heeft de wetgever het begrip „eigen inkomsten op grond van het huwelijksvermogensstelsel” vervangen door „inkomsten voor de vestiging van de belasting beschouwd als persoonlijk verworven „.

Deze uitbreiding ten voordele van de echtgenoten met gemeenschap van goederen, is zowel geldig voor de belastingen die gevestigd worden tijdens het gemeenschappelijke leven als voor die gevestigd na de feitelijke scheiding.

De belasting in verband met de beroepsinkomsten van een echtgenoot die gehuwd is onder het stelsel van gemeenschap van goederen kan dan ook niet worden vervolgd op de eigen goederen van de andere echtgenoot wanneer deze laatste kan aantonen:

    * dat hij ze bezat voor het huwelijk;
    * of dat zij voortkomen van een erfenis of van een schenking door een andere persoon dan zijn echtgenoot;
    * of dat hij ze heeft verworven door middel van fondsen die voortkomen van de realisatie van dergelijke goederen;

Artikel 394 §1 lid 2 4° zal niet van toepassing zijn op de echtgenoten die gehuwd zijn onder het stelsel van gemeenschap van goederen, want de goederen die verworven werden met de inkomsten zijn gemeenschappelijke goederen, aangezien de inkomsten ook gemeenschappelijk zijn.

Het nieuwe artikel 394 van het W.I.B. beperkt dus de rechten van de fiscus met betrekking tot het burgerrecht, aangezien een gemeenschappelijke schuld krachtens artikel 1414 van het Burgerlijk Wetboek vervolgd kan worden op de eigen en de gemeenschappelijke goederen van elke echtgenoot.

Deze nieuwe wetsbepaling komt tegemoet aan de objectieven van de regering: „Gelet op de wens van de regering om de belastingplichtigen die zich in een gelijkaardige situatie bevinden op dezelfde manier te behandelen, en gelet op het bijna gelijklopende karakter van de bepalingen van art. 1399 BW en de uitzonderingen voorzien in art. 394 § 1 lid 2 van het W.I.B., wordt er voorgesteld het voornoemde art. aan te passen, zodat de gevallen van onttrekking ook kunnen worden ingeroepen door één van de echtgenoten bij de vervolging van het gedeelte van de belasting in verband met de inkomsten van de andere echtgenoot dat wordt beschouwd als persoonlijk verworven als de echtgenoten gehuwd zijn onder een ander stelsel dan dat van scheiding van goederen in zuivere en eenvoudige zin.” (Documenten van de Kamer van Volksvertegenwoordigers 2073-98/99).

Tenslotte, voorziet het nieuwe artikel 394 in §2:
§ 2. Na de ontbinding van het huwelijk kunnen de onbetaalde belastingen en voorheffingen die betrekking hebben op de periode van het huwelijk, verhaald worden op de goederen van de beide echtgenoten voor zover als aangegeven is in §1.
Evenwel kan iedere echtgenoot alsdan die goederen onttrekken, die ook, krachtens §1, tweede lid, tijdens het huwelijk hadden kunnen worden onttrokken.”

In verband met deze toevoeging luiden de voorbereidingswerken als volgt: „Hij ontsnapt enkel na de ontbinding van het huwelijk door scheiding of door overlijden van één van de echtgenoten; het salaris van de andere echtgenoot wordt een eigendom, want voornoemd art. 1405 1° BW kan niet meer worden toegepast. Opdat de ontvanger, voor wie de mogelijkheden tot inning reeds ernstig beperkt zijn, zich niet in een nog slechtere situatie zou bevinden na de ontbinding van het huwelijk, wordt er uitdrukkelijk voorzien dat elk van de echtgenoten verplicht wordt tot betaling van de onbetaalde belastingen en voorheffingen in verband met de periode van het huwelijk, maar het spreekt vanzelf dat de mogelijkheid blijft bestaan om dezelfde goederen te onttrekken als het geval was tijdens het huwelijk. Er kan dus nog steeds beslag worden gelegd op het salaris van de overlevende echtgenoot.”

Tot besluit
kunnen we stellen dat de wet van 4 mei de huidige situatie van de echtgenoten ten overstaan van de vervolging van een fiscale schuld verbetert.

Deze bescherming is evenwel niet voldoende voor de feitelijk gescheiden echtgenoten. Een radicalere wijziging is wenselijk, met name het opheffen van de aansprakelijkheid van de feitelijk gescheiden echtgenoot voor de fiscale schulden van zijn echtgenoot vanaf de feitelijke scheiding of het behoud van deze aansprakelijkheid met beperking in de tijd.

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
Navigatie
  • TERUG