Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 62 - 15.10.99 - Fiscale procedure: verjaringstermijnen

Editie nr 62 van 15 oktober 1999

De verjaringstermijnen van de vordering tot voldoening van de BTW na de hervorming van de fiscale procedure.

    Auteur:
    Xavier Thiébaut,
    Advocaat aan de Balie van Luik, Bours & Associés,
    Assistent aan de Universiteit van Luik

In het verleden verjaarde de vordering tot voldoening van de BTW, van de interesten en van de geldboeten na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop die vorderingen zijn ontstaan (art. 81 en 82 W.BTW).

Men ging er traditioneel van uit dat de vordering tot voldoening ontstond vanaf het verstrijken van de aangifte- en betalingstermijn van de belasting, zijnde, in principe, de dag na de twintigste dag die volgt op de maand of het kwartaal in kwestie.

De verjaringstermijnen van de vordering tot voldoening werden grondig gewijzigd.

Hoewel de nieuwe termijnen nog verwijzen naar de “dag waarop de vordering ontstaat” om de aanvang van de verjaringstermijn te bepalen, verwijst de wet voortaan naar de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting om het einde van de verjaringstermijn - en als het om een verjaringstermijn gaat, is het toch het einde daarvan dat telt - te bepalen.

Het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt, wordt respectievelijk door de artikels 17 voor de leveringen van goederen, 22 voor de dienstverleningen, 24 voor de invoer en 25 septies voor de intracommunautaire verwervingen bepaald.

De belasting wordt in principe opeisbaar op het tijdstip waarop de verrichting in kwestie voltooid is (levering, verlening van dienst, invoer of intracommunautaire verwerving). Er bestaan evenwel vervroegde opeisbaarheidoorzaken, bijvoorbeeld, de facturering van de prijs of de incassering daarvan.

Er is dus een verschil tussen het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt en het tijdstip waarop de vordering tot voldoening of teruggave van de BTW ontstaat. Aldus, voor een levering van goederen uitgevoerd en gefactureerd op 18 december 1998, is de belasting opeisbaar geworden op die datum maar is de vordering tot voldoening van die belasting slechts ontstaan bij het verstrijken van de aangifte- en betalingstermijn van die belasting, zijnde 21 januari 1999.

A. Vordering tot voldoening

Krachtens het nieuwe artikel 81 “(begint) de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat”.

Het enige belang van die precisering - als er dan toch één moet zijn - is het bepalen van de dag vanaf dewelke de administratie mag optreden voor de voldoening.

Het nieuwe artikel 81bis bepaalt dan het einde van de verjaring door te verwijzen naar de oorzaak van opeisbaarheid van de belastingen, van de interesten en van de fiscale boeten.

1. Gewone termijn van drie jaar

Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan (1).

Die termijn van drie jaar stemt in principe overeen met de gewone rechtzettingstermijn inzake inkomstenbelastingen voorzien door artikel 354 alinea 1 W.I.B/1992. Die laatste termijn wordt berekend vanaf 1 januari van het aanslagjaar dat overeenstemt met de inkomsten van het voorgaande jaar, althans indien de belastingplichtige een boekhouding heeft per kalenderjaar.

2. Buitengewone termijn van vijf jaar

Er is evenwel verjaring na het verstrijken van het vijfde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, zodra de overtreding begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden(2).

Hier stellen we een verlenging met twee jaar vast van de gewone termijn van drie jaar vergelijkbaar met de situatie die geldt inzake de inkomstenbelastingen krachtens artikel 354 alinea 2 in geval van belastingfraude.

Een nieuw artikel 84ter voorziet bovendien dat “indien zij (de administratie van de B.T.W.) voornemens is de verjaringstermijn (van vijf jaar) toe te passen, moet de administratie ..., op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.”

Die bepaling is rechtstreeks geïnspireerd op artikel 333 van het W.I.B./1992 maar de draagwijdte ervan inzake BTW houdt minstens twee bijzondere kenmerken in:

1. Voorafgaand aan wat dient de administratie kennis te geven?
Volgens de tekst, zodra ze voornemens is om de verjaringstermijn van vijf jaar toe te passen, zijnde dus zodra ze van plan is binnen de aanvullende termijn van twee jaar te controleren want, indien ze onderzoek uitvoert op die twee aanvullende jaren, betekent dit dat ze wel degelijk van plan is de verjaringstermijn van vijf jaar toe te passen.
De kennisgeving die gewoonweg voorafgaandelijk zou zijn aan het versturen van een regularisatiebericht maar volgt op de controle op die twee aanvullende jaren, zou bijgevolg laattijdig zijn met het gevolg voorzien door de tekst van het nieuwe artikel 84ter: de nietigheid van de rechtzetting.

2. Op het vlak van de inkomstenbelastingen en ondanks de duidelijke titel van de afdeling waaronder artikel 333 is opgenomen, met name “Gemene bepalingen inzake recht van onderzoek ten aanzien van de belastingplichtige en van derden.” - heeft het Hof van Cassatie beslist dat die voorafgaande kennisgeving niet verplicht was indien de onderzoeken enkel gedaan werden bij derden en niet bij de belastingplichtige zelf.
Artikel 84ter van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde sluit die interpretatie uit: wanneer de administratie van de BTW voornemens is om de verjaringstermijn van vijf jaar toe te passen, is deze gehouden, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaand, schriftelijk en op nauwkeurige wijze, aan de (bij de rechtzetting) betrokken persoon kennis te geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode. Die tekst is algemeen en maakt geen enkel onderscheid tussen de controles die uitgevoerd worden bij de bij de rechtzetting betrokken persoon en de controles uitgevoerd bij derden.

Aldus, in geval van een trapsgewijze fraude tussen leveranciers en klanten, zou de controle die uitgevoerd wordt in de aanvullende termijn van twee jaar bij de leverancier die zou aantonen dat deze laatste in het zwart zou hebben geleverd aan één van zijn klanten, een aanwijzing van fraude vormen ten aanzien van die laatste klant. Indien de administratie meer wenst te weten over die eventuele fraude van de klant, dient ze, voorafgaand aan elk bijkomend onderzoek bij de leverancier of de klant, aan de klant kennis te geven van die aanwijzingen van fraude voor de betrokken periode.

3. Speciale termijnen van zeven jaar

In drie gevallen is er verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan.

Het gemeenschappelijke punt van die drie situaties is dat ze moeten aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast.

De Nederlandse tekst heeft het over “aantonen” terwijl de term “uitwijzen” werd gebruikt in artikel 358 W.I.B./1992 dat als basis werd genomen voor het nieuwe art81bis van het Wetboek BTW.
Het is niet zeker dat die evolutie in de Nederlandse versie de wil vertaalt van de wetgever om de toepassingsvoorwaarden van de speciale BTW-termijnen inzake inkomstenbelasting strikter toe te passen.

a) Inlichtingen uit het buitenland

De verjaringstermijn van de vordering tot voldoening wordt aldus op zeven jaar gebracht wanneer “een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd meegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere Lid-Staat van de Europese Unie, overeenkomstig de regels daartoe bepaald in dit Wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting, in verband met de belasting waarop die overeenkomst van toepassing is”(3) .

Die tekst onderscheidt zich van zijn tegenhanger met betrekking tot de inkomstenbelasting, artikel 358, § 1e, 2° W.I.B./1992 in drie opzichten:

    - vooreerst is die formeel breder. Artikel 358 § 1e, 2° W.I.B./1992 bedoelt enkel de inlichtingen afkomstig van een land waarmee België een overeenkomst heeft afgesloten tot het vermijden van dubbele belasting, terwijl in verband met de BTW, de inlichtingen afkomstig kunnen zijn van elke Lidstaat van de Europese Unie volgens de regels die werden vastgelegd met betrekking tot het Wetboek BTW of door de wetgeving van die Unie. Die uitbreiding is echter veeleer van formele dan van reële aard, vermits België overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting heeft afgesloten met alle Lidstaten.

    - artikel 358 § 1e, 2° W.I.B./1992 opent de speciale termijn enkel indien de inlichtingen afkomstig uit het buitenland aantonen dat de belastbare inkomsten niet werden aangegeven in België “in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de resultaten van die controle of dat onderzoek ter kennis van de Belgische administratie werd gebracht”. Op het vlak van de BTW vinden we daar niets over. Het is de termijn van zeven jaar die ten volle speelt.

    - artikel 358 § 2, 2° W.I.B./1992 vereist dat de belasting of de aanvullende belasting wordt gevestigd binnen de twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop de resultaten van de controle of van het buitenlandse onderzoek ter kennis werden gebracht van de Belgische administratie. Opnieuw niets daarover op het vlak van de BTW.

    Voorbeeld
    Een belastbare intracommunautaire verwerving in 1998. Buitenlandse inlichtingen ter kennis gebracht van de administratie op 10 juli 2005.
    Op het vlak van de inkomstenbelasting is het inkomstenjaar 1998 verjaard.
    Op het vlak van de BTW blijft de invordering mogelijk tot 31 december 2005.

b) Rechtsvordering

De verjaring wordt eveneens teruggebracht op het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer een rechtsvordering aantoont dat, in België, belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die erop van toepassing zijn (nieuw artikel 81bis, § 1, alinea 3,2°).

De tegenhanger van dat artikel met betrekking tot de inkomstenbelasting - artikel 358 § 1e, 3° W.I.B./1992 - kon terecht bestempeld worden als een juridisch monster, rekening houdend met de gevolgen daarvan en de interpretatie die daaraan werd gegeven in de rechtspraak.

De teksten onderscheiden zich evenwel van elkaar in twee opzichten:

    - op het vlak van de inkomstenbelasting dient de rechtsvordering aan te tonen dat de belastinginkomsten niet werden aangegeven “in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de rechtsvordering werd ingesteld.” Die beperking bestaat niet op het vlak van de BTW.
    - op het vlak van de belastinginkomsten - en het is vooral op dat punt dat dit artikel heel vergaande gevolgen kan hebben - dient de belasting of de aanvullende belasting gevestigd te worden binnen de twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop de beslissing waarvan de rechtsvordering het voorwerp heeft uitgemaakt, niet meer vatbaar is voor verzet of beroep. Met andere woorden, wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, soms na beroep, cassatie, verwijzing en nieuw arrest, beschikt de administratie nog over een termijn van twaalf maanden om inkomsten te belasten waarvan de rechtsvordering heeft aangetoond dat ze niet werden aangegeven in de loop van één der vijf jaren die voorafgaan aan het jaar waarin deze rechtsvordering werd ingesteld. Dat betekent dat de administratie, na een geschil van vijftien jaar, nog beschikt over twaalf maanden om inkomsten te belasten die twintig jaar tevoren werden verzameld... Het surrealistische van zo’n situatie hoeft geen betoog.

    Die buitenissigheid werd gelukkig vermeden met betrekking tot de BTW.

    Voorbeeld

    Levering in december 1998
    Rechtsvordering ingesteld in 2003, definitieve beslissing op 10 juni 2008.
    BTW: verjaring van de invordering op 31 december 2005.
    Inkomstenbelasting: inkohiering tot 9 juni 2009.

c) Bewijskrachtige elementen

Tenslotte wordt de verjaring van de vordering tot voldoening eveneens teruggebracht tot het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn (nieuw art.81bis, § 1e, alinea 3,3°).

Dit artikel is geïnspireerd op artikel 358, § 1e, 4° W.I.B./1992 maar onderscheidt zich daar evenwel van:

    -In verband met de inkomstenbelasting dienen de belastbare inkomsten die door de bewijskrachtige elementen dienen te worden aangetoond, inkomsten te zijn die “niet werden aangegeven in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de Administratie kennis krijgt van die gegevens”.

    Die beperking bestaat evenwel niet met betrekking tot de BTW.

    - op het vlak van de inkomstenbelasting dient de belasting of aanvullende belasting te worden gevestigd binnen de twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop de bewijskrachtige elementen ter kennis zijn gekomen van de administratie. Niets daarvan met betrekking tot de BTW.

De invoering van een termijn van zeven jaar in geval van bewijskrachtige elementen die ter kennis zijn gekomen van de administratie van de BTW heeft tot enige ongerustheid geleid: met betrekking tot de BTW geeft men, of althans, gaf men toe dat de controletermijnen verward werden met de termijnen tot voldoening van de belasting.

Lopen de belastingplichtigen het risico dat tegen hen processen-verbaal worden opgemaakt door de administratie in de termijn van zeven jaar - processen-verbaal die geldig zijn tot het tegenbewijs is geleverd - en dat de administratie vervolgens beweert dat ze over bewijskrachtige elementen beschikte die de voldoening van de belasting gedurende zeven jaar rechtvaardigde?

Het is duidelijk dat zo’n interpretatie de verschillende termijnen ondersteboven haalt zodat er slechts één overblijft, de termijn van zeven jaar.

Als men een nuttig gevolg wil geven aan de andere termijnen mogen de bewijskrachtige elementen uiteraard niet afkomstig zijn van een onderzoek dat door de BTW-administratie zelf werd gevoerd. Dat wordt bevestigd door de uiteenzetting van de motieven van de wet die stelt dat het moet gaan om “bewijskrachtige gegevens, sterker dan aanwijzingen, die met name afkomstig zijn van een andere belastingadministratie van het Rijk”(4).

d) Inwerkingtreding

De oude verjaringstermijnen blijven van toepassing op de vorderingen tot voldoening van de belastingen, van de interesten en van de administratieve geldboeten die ontstaan zijn vóór 1 januari 1999(5).

Daarentegen moet worden toegegeven dat de vorderingen tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten die ontstaan zijn vanaf 1 januari 1999 onderworpen zijn aan de nieuwe verjaringstermijnen.

De scharnierperiode is bijgevolg de maand december 1998 of het laatste trimester van 1998 naargelang het gaat om belastingplichtigen die maandelijkse of driemaandelijkse aangiften moeten doen. De belastingen met betrekking tot die periode dienden betaald te worden, en de aangiften ingediend te worden voor 20 januari, zijnde dus na 1 januari 1999. Voor die belastingen van de maand december 1998 of van het laatste trimester 1998 zijn het bijgevolg de nieuwe verjaringstermijnen die van toepassing zijn.

De enige uitzondering op hetgeen voorafgaat, heeft betrekking op de voorafgaande kennisgeving die de administratie dient te verrichten wanneer die voornemens is de verjaringstermijn van vijf jaar toe te passen. Die wijziging is enkel van toepassing op de belastingen, op de interesten en op de administratieve geldboeten wanneer de oorzaak van opeisbaarheid daarvan ten vroegste op 1 januari 1999(6) heeft plaatsgevonden.

Voor wat betreft het voorbeeld van de maand december 1998 of van het laatste trimester 1998, zullen die verrichtingen in principe onderworpen worden aan de nieuwe regels inzake de verjaring, en bijgevolg onder andere aan de termijn van vijf jaar in geval van bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden, maar in dat geval zal de administratie niet gehouden zijn aan de voorafgaande kennisgeving bedoeld in het nieuwe artikel 84ter van het Wetboek BTW, aangezien de oorzaak van opeisbaarheid van de belastingen vóór 1 januari 1999 heeft plaatsgevonden.

B. Stuiting en schorsing van de verjaring van de vordering tot invordering van de BTW.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de stuiting en de schorsing van de verjaring. Wanneer de stuiting ophoudt, doet die een nieuwe verjaringstermijn aanvangen. Wanneer de schorsing ophoudt, doet die slechts het saldo van de aanvankelijke verjaringstermijn opnieuw aanvangen.

Net zoals in het verleden blijven de verjaringstermijnen tot voldoening vatbaar voor stuiting in de gevallen bedoeld in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (dagvaarding, bevelschrift of een beslag betekend aan diegene die men wil verhinderen van te verjaren), alsook in geval van verzaking aan de verlopen tijd der verjaring of van de kennisgeving van een dwangbevel. Er wordt geen enkele andere oorzaak van stuiting toegevoegd.

Er is evenwel een bijzonderheid die enige aandacht verdient. Hoewel de termijnen tot voldoening voortaan drie, vijf of zeven jaar bedragen, in geval van stuiting, is de nieuwe termijn die loopt, in alle gevallen, vijf jaar, opnieuw vatbaar om op dezelfde wijze gestuit te worden.

Bovendien voert het Wetboek, naast die gevallen van stuiting van de verjaring, een geval van schorsing in van het verloop van de verjaring.

Toen de administratie, in het verleden, een dwangbevel had uitgevaardigd dat het voorwerp had uitgemaakt van een verzet dat gegrond werd verklaard omwille van de nietigheid van het dwangbevel wegens een vormgebrek, werd dat dwangbevel geacht nooit bestaan te hebben en bijgevolg nooit de verjaring te hebben gestuit.

Artikel 83, § 1e, alinea 2 en 3 voorziet voortaan hetgeen volgt:
“Elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van de belasting dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de schuldenaar van deze belasting of door ieder ander persoon die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van dit Wetboek, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, schorst de verjaring.

De schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan(7)”.

Voorbeeld

Een verrichting uitgevoerd in december 1998 (de nieuwe verjaringstermijnen zijn dus van toepassing).
Dwangbevel betekend op 15 december 2001.
Verzet tegen het dwangbevel op 21 december 2001.
Vonnis in kracht van gewijsde gegaan op 13 oktober 2003.

Op de dag van het verzet tegen het dwangbevel bleven er elf dienende dagen over voor de administratie binnen de gewone termijn van invordering van drie jaar.

Vanaf de dag na de dag van het definitieve vonnis, zijnde sinds 14 oktober 2003, zullen er nog elf dienende dagen overblijven voor de administratie, zijnde tot 24 oktober 2003.

Dat voorbeeld illustreert dat de belastingplichtige er belang bij heeft:

    - zijn verzet tegen het dwangbevel zo laat mogelijk in te dienen en zelfs bij voorkeur na het verstrijken van de termijn van invordering waarop de administratie zich beroept. In dat geval is de termijn van invordering - de stuiting die nietig zou kunnen verklaard worden, buiten beschouwing gelaten - verstreken en is die bijgevolg niet meer vatbaar voor schorsing.

    - het vonnis of het arrest zo snel mogelijk te betekenen(8) vermits de schorsing alleen eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

Deze nieuwe oorzaak van schorsing van de verjaring is van toepassing op de belastingen, de interesten en de administratieve geldboeten wanneer de oorzaak van opeisbaarheid daarvan ten vroegste op 1 januari 1999(9) heeft plaatsgevonden. ð

----------------

1. Nieuw artikel 81bis, 1ste §, 1ste alinea.
2. Artikel 81bis, 1ste §, alinea 2 nieuw.
3. Nieuw artikel, 81bis, 1ste §, alinea 3, 1°.
4. Parl. Doc., Kamer, gewone zitt. 1997-1998, nr. 1341/1 en 1342/1, p. 18.
5. Art. 97, alinea 7 van de wet van 15 maart 1999.
6. Art. 58 en 97, tweede streepje van de wet van 15 maart 1999.
7. Een rechterlijke beslissing gaat in kracht van gewijsde wanneer ze niet in aanmerking komt voor verzet of beroep. Ze kan echter nog wel in aanmerking komen voor cassatieberoep.
8. de betekening is een formaliteit die erin bestaat, officieel door een deurwaarder een kopij van het vonnis of het arrest aan de administratie te laten bezorgen. Deze formaliteit doet de verzet- en beroepstermijnen starten.
9. Artikels 56 en 97, tweede streepje van de wet van 15 maart 1999.

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
Navigatie
  • TERUG