Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 60 - 15.09.99 - Stock options - de wet van 26 maart 1999

Editie nr 60 van 15 september 1999

Stock options: de wet van 26 maart 1999

    Auteur:
    Luc Wynant,
    Advocaat
    Van Olmen en Wynant

Inleiding

Stock options zijn al langer schering en inslag in de Verenigde Staten maar ook in andere Europese landen. Kaderleden en managers worden er gedeeltelijk betaald in opties, die ze later in aandelen van hun bedrijf kunnen omzetten. Op die wijze worden zij aangespoord om bij te dragen tot de groei van het bedrijf en de waarde van de aandelen zo hoog mogelijk te houden.

De schaarste op de arbeidsmarkt zorgt er ook voor dat vooral jonge en innoverende bedrijven zich steeds meer genoodzaakt zien te werken met aandelenoptieplannen. Ondernemingen kunnen op die wijze bekwame en gemotiveerde medewerkers aantrekken en hen bij de onderneming betrekken.

Sinds de publicatie van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen (art 41) in het Belgisch Staatsblad (B.S., 1 april 1999) wordt het nu ook voor Belgische bedrijven en hun werknemers of bedrijfsleiders interessant om een aandelenoptieplan uit te werken.

Gezien de wetgever er ditmaal zorg voor gedragen heeft dat de rechtszekerheid gewaarborgd wordt, is de nieuwe (uitermate liberale) regeling een ware doorbraak.

De aandelenoptieplannen volgens de Belgische regeling van 26 maart 1999

A. Aandelenopties : een begripsomschrijving

Voor het uitwerken van een aandelenoptieplan zal de onderneming gebruik maken van opties of warranten. In het kader van de nieuwe regeling maakt de wetgever geen onderscheid tussen opties en warranten, maar gebruikt enkel de algemene aanduiding “aandelenopties”. Om het verschil tussen opties op aandelen en warranten even toe te lichten, is een begripsomschrijving nuttig.

Aandelenoptie

Een aandelenoptie is een verkoopbelofte waarbij de belover er zich toe verbindt aandelen te verkopen tegen een op het ogenblik van de belofte bepaalde prijs.

Een aandelenoptie is een beleggingsinstrument met verschillende toepassingsmogelijkheden. Een onderscheid wordt gemaakt tussen een call-optie en een put-optie.

Een call-optie geeft de houder het recht om gedurende een periode of op een precies ogenblik een bepaalde hoeveelheid van een actief tegen een vooraf vastgestelde prijs (de uitoefenprijs) te kopen. De verkoper verbindt er zich toe de overeengekomen hoeveelheid tegen de uitoefenprijs te leveren als de houder zijn recht wil uitoefenen.

Een put-optie geeft aan de houder het recht om over te gaan tot verkoop van een bepaalde hoeveelheid actief tegen een overeengekomen prijs en verplicht de koper die te kopen.

De op het ogenblik van de belofte bepaalde prijs wordt de “optieprijs” of “uitoefenprijs” genoemd.

Indien van de optie effectief gebruik gemaakt dan wordt de optie “gelicht”.

In het kader van de werkgever-werknemer relatie zal er in hoofde van de werknemer een call-optie bestaan. De verkoopbelofte van de werkgever zal de werknemer ertoe aanzetten om aandeelhouder in de vennootschap-werkgever te worden.

Warrant

Een warrant is een overeenkomst waarbij de uitgever aan de investeerder het recht en niet de plicht verleent, om in de toekomst een bepaald aantal aandelen of obligaties van de uitgever te kopen, aan een nu vastgestelde prijs of uitoefenprijs.

Onderscheid aandelenoptie en warrant

Ondanks een aantal grote gelijkenissen tussen de "warrant" en de "optie" dienen een aantal fundamentele verschillen tussen beide beleggingsinstrumenten te worden benadrukt :

  • Warranten worden uitgegeven door de onderneming op haar eigen aandelen of obligaties. Aandelenopties kunnen daarentegen worden uitgegeven op aandelen van een derde onafhankelijke onderneming.

  • daarenboven is de looptijd van een warrant meestal groter dan één jaar. De looptijd van een optie bedraagt gewoonlijk drie, zes of negen maanden.

  • Wanneer de investeerder zijn warrant uitoefent worden nieuwe aandelen of obligaties gecreëerd om de overeenkomst na te komen. Aandelenopties hebben echter steeds betrekking op bestaande aandelen. Bij de uitoefening van het optierecht wordt het bestaande aantal aandelen in generlei mate verhoogd.

  • Tenslotte ligt het aantal warranten bij de uitgifte vast en neemt vervolgens af overeenkomstig het aantal warranten dat wordt uitgeoefend.

    B. Welk voordeel heeft de werknemer of bedrijfsleider bij een aandelenoptie?

    Of een aandelenoptie aan de werknemer of bedrijfsleider een voordeel verschaft is grotendeels afhankelijk van de beursevolutie.

    Wanneer de waarde van het aandeel boven de optieprijs uitstijgt, zal de werknemer of bedrijfsleider normalerwijze de optie lichten en via de betaling van de lagere optieprijs de aandelen verwerven. Nochtans is het mogelijk dat de waarde van het aandeel de optieprijs niet overstijgt, zodat de optieprijs duurder blijft dan de actuele waarde van het aandeel. In dit laatste geval zal de betrokkene de optie niet lichten. De werknemer of bedrijfsleider behoudt immers de volledige vrijheid om de optie binnen de voorgeschreven termijn al dan niet te lichten. Het risico is de eventuele prijs die voor het bekomen van het optierecht moet worden betaald. Niettemin zal het optierecht door de werkgever meestal kosteloos aan de werknemer of bedrijfsleider worden verleend.

    C. De nieuwe Belgische regeling inzake aandelenopties

    1. Aandelenopties

    De wet spreekt niet meer over aandelenopties en warrants, maar gebruikt enkel nog de algemene aanduiding “aandelenopties”. Die omvatten volgens de definitie “het recht om, gedurende een welbepaalde termijn een bepaald aantal aandelen aan te kopen of, naar aanleiding van de verhoging van het kapitaal van een vennootschap in te schrijven tegen een vastgestelde of een nog vast te stellen prijs”. De definitie van aandelenopties omvat aldus ook de “warrants” of “inschrijvingsrechten”.

    2. Wie kan genieten van de nieuwe Belgische regeling ?

    De al dan niet kosteloze toekenning van een optie vormt een voordeel van alle aard verkregen “uit hoofde van of naar aanleiding van de beroepswerkzaamheid voor de begunstigde”. Volgens de Minister van Financiën geldt de nieuwe regeling “voor de aandelenopties verworven door alle personen die een zakelijke relatie (in de ruime betekenis) met de betrokken onderneming hebben”.

    3. Belastbaar ogenblik

    De wet bepaalt dat het voordeel van alle aard voor deze laatste een beroepsinkomen is op het ogenblik waarop de optie wordt toegekend.

    De vraag was natuurlijk wanneer er effectief toekenning is indien de opties voorwaardelijk worden toegekend (b.v. opschortende of ontbindende voorwaarden).

    De wetgever heeft dit opgelost door een vermoeden in te bouwen : de optie wordt geacht toegekend te zijn op de zestigste dag die volgt op het aanbod, zelfs indien aan de uitoefening van de optie ontbindende of opschortende voorwaarden zijn verbonden. Het vermoeden van toekenning zal alleen dan niet gelden, als de begunstigde, voor het verstrijken van die termijn, aan de aanbieder zijn weigering om het aanbod te aanvaarden schriftelijk te kennen heeft gegeven.

    De voordelen van alle aard die voortvloeien uit het gratis toekennen van aandelenopties door een onderneming waarmee men zich in een professioneel verband bevindt, of een daarmee verbonden onderneming, maken in hoofde van de begunstigde belastbare beroepsinkomsten uit op het ogenblik van de toekenning van de optie. De wet voegt daar uitdrukkelijk aan toe dat de verkregen voordelen die nadien voortvloeien uit het lichten van de optie, het vervreemden van de optie of het vervreemden van de aandelen die verworven werden als gevolg van de uitoefening, geen belastbare beroepsinkomsten uitmaken.

    Op deze regel geldt één belangrijke uitzondering, met name voor het geval opties worden toegekend die, op het ogenblik van het aanbod of tot op de vervaldag van de termijn van uitoefening van de optie, een zeker voordeel aan de begunstigde van de optie verlenen (b.v. het uitoefenen van de optie aan een prijs van 10 % onder de beurskoers). Het zeker voordeel kan in die omstandigheden slechts worden vastgesteld op het ogenblik van uitoefening van de optie, en is dan ook op dat ogenblik belastbaar.

    4. Waardering van het voordeel : algemene regel

    Om een einde te stellen aan de bijzonder complexe aangelegenheid van waardering van het voordeel in natura voorziet de wetgever in een forfaitaire waardering die zowel voor de werkgever als voor de werknemer of bedrijfsleider het voordeel heeft van de duidelijkheid en rechtszekerheid.

    Als algemene regel geldt dat het belastbare voordeel forfaitair vastgesteld wordt op een percentage van de waarde die de aandelen waarop de optie betrekking heeft, bezitten op het ogenblik van het aanbod. Gaat het echter om opties die genoteerd of verhandeld worden op de beurs, wordt het belastbare voordeel bepaald op grond van de laatste slotkoers van de optie die voorafgaat aan de dag van het aanbod.

    Het belastbaar voordeel wordt in beginsel vastgesteld op 15 % van de waarde van de aandelen.

    Wanneer de uitoefenprijs van de optie lager is dan de intrinsieke waarde van het onderliggende aandeel op het ogenblik van de toekenning wordt het verschil tussen de uitoefenprijs en de intrinsieke waarde bij de belastbare grondslag gevoegd.

    Ingeval van een tegen betaling toegekende optie, zal het bedrag worden verminderd met de bijdrage.

    Wanneer de opties kunnen worden uitgeoefend gedurende meer dan vijf jaren te rekenen vanaf de toekenning, dan wordt het belastbaar voordeel verhoogd met 1 % per bijkomend jaar. Voor de toepassing van deze bepaling telt elk begonnen jaar voor een volledig jaar.

    5. Waardering van het voordeel: verlaagd tarief

    De wetgever voorziet echter in een verlaagd tarief (met name een halvering van de hoger vermelde percentages, hetzij in beginsel 7,5 %) wanneer aan de hiernavolgende voorwaarden wordt voldaan :

      a. De uitoefenprijs van de optie moet op het ogenblik van de toekenning definitief vastgesteld zijn in functie van de waarde van het onderliggend effect.

      b. optie dient volgende bedingen te bevatten :

        1. De optie mag slechts uitgeoefend worden vanaf het vierde jaar na haar toekenning. Deze voorwaarde heeft als doelstelling de werknemers of bedrijfsleiders te binden aan de onderneming.

        2. De optie mag geen langere looptijd hebben dan tien jaar vanaf de toekenning.

        3. De optie moet onoverdraagbaar zijn. Deze voorwaarde geldt niet ingeval van het overlijden van de begunstigde.

      c. Het risico van vermindering van de waarde van de aandelen waarop de optie betrekking heeft, na de toekenning ervan, mag noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, gedekt worden door de persoon die de optie toekent, of door een persoon met wie er een band van wederzijdse afhankelijkheid bestaat.

      d. De optie heeft betrekking op aandelen van de vennootschap ten behoeve van wie de beroepswerkzaamheid wordt uitgeoefend of op aandelen van een dochtervennootschap.

    Wanneer de uitoefenprijs van de optie lager is dan de intrinsieke waarde van het onderliggende aandeel op het ogenblik van de toekenning wordt het verschil tussen de uitoefenprijs en de intrinsieke waarde bij de belastbare grondslag gevoegd.

    Ingeval van een tegen betaling toegekende optie - en de begunstigde het voordeel aldus niet kosteloos verkrijgt maar tegen de betaling van een prijs - zal het bedrag worden verminderd met de bijdrage van de begunstigde van het voordeel.

    Sommige van deze voorwaarden kunnen pas na verloop van tijd gecontroleerd worden (bijvoorbeeld dat er geen indekking is gebeurd van het risico van vermindering na de datum van het aanbod). Daarom voorziet de wet in een soort sanctieregeling : na tien jaar zal men alsnog belast worden op het verschil tussen de gewone forfaitaire raming (15%) en de verlaagde raming (7.5%). Inzoverre de optie niet de uitdrukkelijk de bedingen bevat die, zoals hoger uiteengezet, opgelegd worden door de wetgever inzake de onoverdraagbaarheid en de duurtijd, wordt de sanctieregeling vooralsnog niet toegepast indien de begunstigde bewijst dat hij de opties niet overgedragen heeft en dat de optie uitgeoefend werd overeenkomstig de wettelijke bepalingen of dat zij niet uitgeoefend werd.

    6. Waardering van de aandelen

    Bij beursgenoteerde aandelen is de waarde van het aandeel naar keuze van de persoon die de optie aanbiedt, de gemiddelde koers van het aandeel gedurende de dertig dagen die het aanbod van de optie voorafgaan, of de laatste slotkoers die voorafgaat aan de dag van het aanbod.

    Bij niet-beursgenoteerde aandelen is de waarde van het aandeel de werkelijke waarde ervan, zoals vastgesteld door de persoon die de optie aanbiedt, op eensluidend advies van de commissaris-revisor van de vennootschap die de aandelen uitgeeft waarop de optie betrekking heeft. Indien de vennootschap geen commissaris-revisor heeft, wordt de waarde van het aandeel vastgesteld door een bedrijfsrevisor die door de vennootschap wordt aangewezen.

    Deze waardering mag evenwel niet lager zijn dan de hiernavermelde bedragen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen kapitaalvertegenwoordigende deelbewijzen en niet-kapitaal-vertegenwoordigende deelbewijzen:

    • in het geval van kapitaalvertegenwoordigende deelbewijzen moet de waarde minstens gelijk zijn aan de boekwaarde van die aandelen zoals blijkt uit de laatste jaarrekening van de uitgevende vennootschap die afgesloten en goedgekeurd is.

    • bij de niet-kapitaalvertegenwoordigende deelbewijzen moet de waarde minstens gelijk zijn aan de waarde die voortvloeit uit de rechten die hen krachtens de statuten zijn toegekend.

    7. Fiches

    De wet van 26 maart 1999 maakt artikel 57 W.I.B. 1992 van toepassing. De aandelenopties die conform deze reglementering in principe als beroepsinkomsten belastbaar zijn, zullen vermeld moeten worden op de individuele fiches en samenvattende opgaven. Gebeurt dit niet dan zullen de voordelen als abnormaal of goedgunstig aangemerkt worden en bij de eigen belastbare inkomsten van de uitgevende vennootschap gevoegd worden (die de aandelenopties heeft toegekend of die verbonden is met de buitenlandse onderneming die de opties heeft toegekend).

    8. Inwerkingtreding

    De regeling treedt in werking met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1999.

    9. Artikel 52 septies Vennootschappenwet

    Naamloze vennootschappen en commanditaire vennootschappen op aandelen kunnen overeenkomstig artikel 52 septies Vennootschappenwet hun kapitaal verhogen door de uitgifte van aandelen die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor het geheel van de personeelsleden van die vennootschappen of voor het geheel van de personeelsleden van hun dochtervennootschappen. Het gaat hier om een kapitaalverhoging waarbij de aandelen mogen worden uitgegeven met een maximale korting van 20 %.

    De wet van 26 maart 1999 biedt thans rechtszekerheid aan de administratieve circulaire van 21 juni 1995 over de aandelen met décote. Deze circulaire schreef voor dat dit voordeel niet belastbaar is. Bij wijze van een interpretatieve bepaling bepaalt de wet van 26 maart 1999 thans uitdrukkelijk dat het voordeel verworven door de uitgifte van aandelen met prijsreductie overeenkomstig artikel 52 septies Vennootschappenwet niet beschouwd wordt als een belastbaar voordeel. De wet van 26 maart 1999 schrijft ook voor dat het voordeel verworven door de uitgifte van aandelen met een prijsreductie in het kader van artikel 52septies Vennootschappenwet uitgesloten is uit het loonbegrip voor de toepassing van de sociale zekerheid.

    10. Bestaande aandelenoptieplannen

    Wat betreft de bestaande aandelenoptieplannen dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de aandelenoptieplannen die toegekend zijn binnen het kader van artikel 45 van de Wet van 27 december 1984 (de zgn. “gereglementeerde” aandelenopties) en deze die buiten het wettelijk kader zijn toegekend (de zgn. “wilde” aandelenopties).

    Artikel 45 van de wet van 27 december 1984, gewijzigd bij artikel 311 van de wet van 22 december 1989 en bij artikel 20 van de wet van 28 december 1990, wordt weliswaar opgeheven doch blijft van toepassing op de opties die zijn toegekend voor 1 januari 1999, datum van inwerkingtreding van de nieuwe regeling.

    ***

    Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00