Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 57 - 30.06.99 - De nieuwe fiscale procedure: 10 vragen

Editie nr 57 van 30 juni 1999

De nieuwe fiscale procedure: 10 relevante vragen

    Auteur:
    José Haustraete,
    Lid Nationale Raad

Om tegemoet te komen aan de vragen van de practici, hebben wij de belangrijkste wijzigingen inzake de nieuwe fiscale procedure op het vlak van directe belastingen hierna behandeld in een eerste reeks vragen en antwoorden.

1. Welke termijnen moeten de belastingplichtige en de fiscale administratie respecteren voor het indienen en behandelen van een bezwaarschrift in de nieuwe fiscale procedure?

De nieuwe procedure kort de bezwaartermijn waarover de belastingplichtige beschikt in tot drie maanden voor de aanslagbiljetten m.b.t. de aanslagjaren ’99 en volgende. Deze termijn loopt vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn staat vermeld (artikel 371 WIB ’92). Dit impliceert een aanzienlijke inkorting van de termijn waarbinnen een bezwaar kon worden ingediend onder de oude fiscale procedure. Deze liep tot 30 april van het jaar na dat waarin de belasting werd gevestigd met een minimale termijn van zes maanden vanaf de datum van het aanslagbiljet. Net zoals onder de oude procedure kan de bezwaartermijn ook aanvangen vanaf de datum van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.

Dezelfde bezwaartermijn van drie maanden wordt ingevoegd in artikel 377 WIB ’92 met betrekking tot de bezwaarmogelijkheid tegen supplementaire aanslagen die voor eenzelfde belastingplichtige voor één of meer aanslagjaren in een correlatieve overbelasting resulteert.

De directeur der belastingen is voortaan bevoegd voor de behandeling van bezwaarschriften in zijn hoedanigheid van administratieve overheid; er wordt hem geen maximale termijn opgelegd waarbinnen een beslissing moet worden genomen. Belangrijk hierbij is dat de beslissing van de directeur onherroepelijk is als geen verzet wordt aangetekend bij de bevoegde rechtbank binnen de voorziene termijnen.

Wanneer een bezwaarschrift wordt ingediend binnen de driejarige aanslagtermijn waarover de Administratie beschikt, wordt deze termijn verlengd met de periode die verloopt tussen enerzijds de datum van indiening van het bezwaarschrift en anderzijds de datum waarop de directeur een beslissing neemt over het bezwaarschrift, met een maximum van zes maanden. Onder de oude regeling bedroeg deze additionele aanslagtermijn maximaal twaalf maanden.

Inzake B.T.W. blijft alles bij het oude. De procedure blijft in de prejudiciële fase informeel. Alleen op het vlak van de boeteverminderingen zal de Gewestelijke Directeur een bevoegdheid meer hebben.

2. Bij wie moet er bezwaar worden ingediend?

Zoals reeds vermeld, is het de directeur der belastingen die in zijn hoedanigheid van administratieve overheid bevoegd is een beslissing te nemen over bezwaarschriften inzake directe belastingen.

In het licht van de reorganisatie van de fiscale administratie is het te verwachten dat het bezwaar zal moeten worden ingediend bij de dienst van de geschillen van de AOIF-controle (Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit). Hierbij kan men zich afvragen of de directeur van deze dienst zal ingaan tegen de stelling gehanteerd door zijn collega-taxerende ambtenaar.

Een en ander geldt ook inzake B.T.W.

3. Wat zijn de rechten van de feitelijk gescheiden echtgenoot?

Om het hoofd te bieden aan de specifieke problemen op het vlak van de fiscale procedure verbonden aan de situatie van feitelijk gescheiden echtgenoten, heeft de wetgever het recht op bezwaar, dat overeenkomstig artikel 366 WIB ’92 beperkt was tot de belastingschuldige (plichtige), zelf uitgebreid tot de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd. Een gelijkaardige uitbreiding werd opgenomen in artikel 376 WIB ’92 inzake de mogelijkheid tot verzoek van een ambtshalve ontheffing.

Op het vlak van B.T.W. rijzen ter zake minder problemen. Daar is niets gewijzigd.

4. Kan de belastingplichtige nog vragen om te worden gehoord en het dossier in te zien?

De vraag om te worden gehoord moet voortaan expliciet worden opgenomen in het bezwaarschrift zelf. De belastingplichtige zal worden verzocht zich aan te bieden binnen een termijn van dertig dagen na uitnodiging door de Administratie. Het recht om het dossier in te zien werd geschrapt uit de fiscale procedure.

Het inzagerecht is wel ingeschreven in de wetgeving betreffende de openbaarheid van bestuur.

5. Kan de belastingplichtige zijn bezwaar nog aanvullen met nieuwe grieven?

Zolang er geen beslissing is genomen door de directeur inzake het oorspronkelijk bezwaarschrift, heeft de belastingschuldige of diens echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd de mogelijkheid het oorspronkelijke bezwaarschrift aan te vullen met nieuwe schriftelijke geformuleerde bezwaren, zelfs als de bezwaartermijn van drie maanden reeds is verstreken.

6. Welke procedure is van toepassing op de bezwaarschriften, aanslagbiljetten en berichten van invordering vanaf heden?

De geschillen die reeds vóór 6 april 1999 bij de hoven en rechtbanken werden ingediend, blijven onder het oude regime. Bovendien bestaat er voor aanslagen die betrekking hebben op aanslagjaar ’98 en vorige geen mogelijkheid om, na zes maanden na de datum van verzending van het bezwaarschrift, een gerechtelijke vordering in te leiden in geval van niet-uitspraak van de directeur van belastingen. Voor de bezwaarschriften waarvoor op 1 maart 2001 nog geen directoriale beslissing is gevallen, kan de belastingplichtige toch naar de rechtbank van eerste aanleg gaan.

Indien er vóór 1 maart 1999 een beslissing van de directeur aangaande een bezwaarschrift is gevallen waarvoor de veertigdagentermijn onder de oude procedure om een voorziening in beroep in te leiden op 1 maart 1999 nog niet was verstreken, wordt aan de belastingplichtige een termijn van drie maanden toegekend te rekenen vanaf de betekening van de beslissing over het administratief beroep om volgens de nieuwe fiscale procedure een voorziening in te leiden bij de fiscale rechtbank van eerste aanleg.

Inzake B.T.W. is het onverkort zo dat de geschillen die voor 6 april 1999 bij de rechterlijke macht aanhangig waren, beheerst zullen blijven door de oude procedureregels. De rechterlijke vorderingen ingeleid vanaf 6 april 1999 volgen integraal de nieuwe regels.

7. Wanneer kan de belastingplichtige zich wenden tot de rechtbank?

Na de kennisgeving van de beslissing van de directeur over een bezwaarschrift, beschikt de belastingplichtige over een termijn van drie maanden om een gerechtelijke procedure te starten voor de rechtbank van eerste aanleg in plaats van voor het Hof van Beroep. In dit verband is het belangrijk te weten dat de vordering pas kan worden ingesteld indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld.

In geval de directeur geen uitspraak doet over het bezwaarschrift, kan de belastingplichtige ten vroegste naar de rechtbank van eerste aanleg stappen na een periode van zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep door de directeur. Dit wordt systematisch aan de belastingplichtige bezorgd na indiening van een bezwaarschrift. Deze termijn van zes maanden wordt verlengd met drie maanden wanneer de betwiste aanslag een aanslag van ambtswege betreft.

Op het vlak van de B.T.W. kan men op ieder moment naar de rechtbank stappen, dus met of zonder beslissing in de prejudiciële fase. Veiligheidshalve valt het wel aan te raden om tegen een betwiste beslissing binnen de drie maand beroep aan te tekenen.

8. Welke rechtbank is bevoegd na de afwikkeling van een bezwaarschrift of om over B.T.W.-geschillen te oordelen?

De rechtbanken van eerste aanleg krijgen de bevoegdheid om "geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet" te behandelen. Door de nieuwe procedure wordt er aldus ingevolge het afschaffen van de jurisprudentiële bevoegdheid van de directeur een extra niveau toegevoegd aan de fiscale procedure. De fiscale rechtbanken van eerste aanleg die tot nog toe werden geïnstalleerd, zijn gelegen te Aarlen, Antwerpen, Bergen, Brugge, Brussel, Eupen, Gent, Hasselt, Leuven, Luik, Namen en Nijvel.

Na uitspraak door de rechtbank van eerste aanleg kan de belastingplichtige, net zoals voorheen tegen de beslissing van de directeur, in beroep gaan bij achtereenvolgens het Hof van Beroep en het Hof van Cassatie.

9. Kan de Administratie een nieuwe aanslag vestigen nadat een aanslag nietig is verklaard?

Aan de mogelijkheid voor de Administratie, zoals voorzien in artikel 355 WIB ’92, tot vestiging van een nieuwe aanslag, na vernietiging van een aanslag op niveau van bezwaar, wordt niet geraakt. Aldus blijft de Administratie beschikken over een periode van drie maanden voor het vestigen van een nieuwe aanslag vanaf het ogenblik waarop de beslissing van de directeur omtrent het bezwaar niet meer vatbaar is voor gerechtelijk verhaal. Bij de vestiging van de nieuwe aanslag kan de Administratie voortaan rekening houden met de reeds teruggegeven voorheffingen en voorafbetalingen.

De gelijkaardige mogelijkheid voor de Administratie die bestond onder de oude fiscale procedure om een nieuwe aanslag te vestigen, na vernietiging van een aanslag door een gerechtelijke beslissing, wordt opgeheven en vervangen door de subsidiaire aanslag: wanneer tegen een beslissing van de directeur beroep is aangetekend en het gerecht de aanslag heeft vernietigd, wordt voortaan aan de Administratie de mogelijkheid geboden om een subsidiaire aanslag ter beoordeling voor te leggen aan het gerecht dat verplicht is hierover een uitspraak te doen. De administratie is daarbij aan geen termijn gebonden.

10. Werden er voor de accountant, boekhouder of bedrijfsrevisor specifieke opdrachten weerhouden in de nieuwe fiscale procedure?

Naast het feit dat in de administratieve fase de accountant of boekhouder kan optreden als gevolmachtigde van de belastingplichtige, werd er in de nieuwe fiscale procedure aan de belastingplichtige of diens advocaat de mogelijkheid gegeven om een verzoek om gehoord te worden in te dienen "bij conclusie". Meer bepaald zal de accountant, boekhouder of bedrijfsrevisor van de belastingplichtige kunnen worden gehoord om toelichting te geven bij feiten of rechtsvragen in verband met de toepassing van het boekhoudrecht. Het is de rechter die zal oordelen over de opportuniteit van het al dan niet gehoord worden van de betrokken adviseurs.

Onder accountant, boekhouder of bedrijfsrevisor wordt verstaan, de persoon die zich gewoonlijk bezighoudt met de boekhouding van de belastingplichtige of die heeft meegewerkt aan het opstellen van de betwiste belastingaangifte of die de belastingplichtige heeft bijgestaan in de administratieve bezwaarprocedure.

De bovenstaande vragen zijn slechts een greep uit het tal van vragen waarmee de belastingplichtige wordt of zal worden geconfronteerd ingevolge de nieuwe fiscale procedure op het vlak van de inkomstenbelastingen.

Een tijdschema van de fiscale procedure voor en na de wet van 15 maart 1999 kan hier gedownload worden


Laatst gewijzigd op 26/10/2011 10:33:00