Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 56 - 15.06.99 - BTW vrijstelling - intracommunautaire levering

Edition n° 56 du 15 juin 1999

BTW-VRIJSTELLING - BEWIJS VAN EEN INTRACOMMUNAUTAIRE LEVERING BIJ EEN TRANSPORT DOOR DE KOPER ZELF

1. VOORWOORD

Het B.I.B. wordt regelmatig ondervraagd over het door de verkoper te leveren bewijs ter gelegenheid van een intracommunautaire levering als het transport, buiten België, wordt georganiseerd door de koper zelf.

Na onderzoek van de lijvige documentatie ter zake geven wij hier een neerslag van het resultaat van onze bevindingen.

2. BEWIJS TEN LASTE VAN DE VERKOPER

2.1. GEGEVENS

Buiten de juistheid van het BTW-identificatienummer dat wordt toegekend aan de koper door een andere lidstaat dan België moet de verkoper die een vrijstelling vraagt van de Belgische BTW voor intracommunautaire levering bewijzen dat de verkochte goederen getransporteerd werden buiten België, maar binnen de Gemeenschap.

Er zijn echter heel wat situaties waarin de operatie verkeerdelijk voorgesteld wordt als een intracommunautaire levering. Het betreft hier grote sommen Belgische BTW .

Concreet gezien koopt de klant de goederen, zonder Belgische BTW en simuleert hij voor de verkoper een intracommunautaire levering. Deze praktijk laat met name toe de goederen „in het zwart” door te verkopen in België.

Bij deze zogezegde intracommunautaire leveringen keert de administratie zich automatisch tegen de verkoper. Als deze laatste niet een overtuigend bewijs kan leveren van het feit dat deze goederen wel degelijk ons land hebben verlaten, wordt van hem de Belgische BTW geëist, plus de boetes en de interesten.

Wetende dat het normale BTW-tarief 21% bedraagt, dat de minimumboetes, zonder dat er sprake is van enige frauduleuze bedoeling, 10% bedragen van de verschuldigde BTW en dat de interesten worden berekend op 0,8% per maand achterstal, is het duidelijk dat gevolgen voor de verkoper zeer ernstig kunnen zijn.

Het is dus enkel de verkoper die de bewijslast draagt van het transport buiten België. Het is inderdaad hij die, op basis van de beschikbare gegevens, beslist om de Belgische BTW niet toe te passen.

2.2. BEWIJSKRACHTIGE STUKKEN

Het bewijs moet worden geleverd door middel van een geheel van overeenstemmende documenten die blijk geven van de realiteit van hetgeen moet worden bewezen.

De verkoper moet dus op ieder moment in het bezit zijn van alle documenten die de realiteit van dit goederenvervoer aantonen.

Onder deze documenten kunnen we vermelden: de contracten, de bestelbonnen, de betalingsdocumenten, enz. in de mate dat deze elementen verband houden met het te bewijzen vervoer.

Een bevestiging van ontvangst van de geleverde goederen, ondertekend door de koper, die zich ertoe verbindt ze buiten België te transporteren, kan een aanvulling zijn van de hiervoor vernoemde handelsdocumenten.

Men moet echter zeer duidelijk stellen dat een dergelijk ontvangstbewijs dat niet aangevuld wordt met andere bewijskrachtige documenten, in geen enkel geval als een afdoend bewijs van het transport zal beschouwd worden. De bevestiging van ontvangst kan enkel aantonen dat de goederen werden overhandigd aan de koper en is geenszins een bewijs van hun transport door deze laatste naar een andere lidstaat.

De koper die te goeder trouw handelt, heeft er ook alle belang bij om aan zijn Belgische leverancier behoorlijke documenten voor te leggen om te vermijden dat hem de Belgische BTW wordt aangerekend door de verkoper.

Het bewijs van de heffing van de belasting op de intracommunautaire aankoop in de lidstaat van de koper, de nummerplaat van het in het buitenland ingeschreven voertuig dat voor het vervoer wordt gebruikt, de identiteitskaart van de chauffeur, enz. zijn ook elementen die niet uit het oog mogen worden verloren.

Er kunnen, naar gelang de omstandigheden, nog andere specifieke documenten worden toegevoegd zoals speciale transportverzekering, wegdocumenten, enz.

3. BESLUITEN

Uit wat voorafgaat blijkt dat het bewijs niet altijd gemakkelijk te geven is, vooral als het gaat om een klant die niet te goeder trouw is.

Jammer genoeg bestaat er geen „wonderrecept” om de realiteit van het transport buiten België vast te stellen als het de klant is die het verzenden van de goederen voor zijn rekening neemt.

De geraadpleegde teksten preciseren ook nog dat bij twijfel de verkoper altijd kan beslissen om de Belgische BTW aan te rekenen aan de koper. Men moet toegeven dat dit een extreme stellingname is die vanuit commercieël oogpunt in de meeste situaties weinig realistisch zal zijn.

We kunnen dan ook niet anders dan aandringen op het feit dat het bewijs van het transport naar een andere lidstaat moet worden geleverd middels een zo groot mogelijke waaier van precieze documenten en overeenstemmende stukken.

Het bewijs mag in geen enkel geval uit één enkel element blijken.

De fiscale administratie, noch de Europese Commissie zijn van plan om bijzondere modaliteiten vast te leggen op het vlak van de bewijslast.

Ze leggen de bewijslast in de handen van de economische operatoren, met alle gevolgen van dien.

De fiscale regels die het goederenverkeer binnen de „eenheidsmarkt” beheersen bieden geen waarborgen omtrent de juridische zekerheid van de economische operatoren die te goeder trouw handelen..

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
Navigatie
  • TERUG