Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 56 - 15.06.99 - Overzicht van de geschillenregeling tussen aandeelhouders

Editie nr 56 van 15 juni 1999

Overzicht van de geschillenregeling tussen aandeelhouders
(artikel 190ter en 190quater Venn.W.)

    Auteur:
    Jozef Lievens en Sofie Lerut
    Advocaten Loeff Claeys Verbeke,

1. Situering

In veel vennootschappen en vooral familiale vennootschappen groeit na verloop van tijd een zekere spanning tussen de diverse aandeelhouders of aandeelhoudersgroepen. Vroeger beschikte men dan over een aantal procedurele middelen om in dergelijke conflicten tussen te komen, bv. de vordering tot aanstelling van een voorlopig bewindvoerder, de aanstelling van een gerechtelijk sekwester, de aanstelling van een expert, het beroep op de kortgedingrechter om bepaalde beslissingen of handelingen tegen te houden …

Deze rechtsmiddelen kunnen in een aantal situaties een oplossing bieden, doch deze oplossing is steeds tijdelijk. Uiteindelijk kan hiermee niets gewijzigd worden aan wat vaak de oorsprong van het probleem is, nl. de aandelenverhouding. De enige (en wel zeer extreme) oplossing bestond dan in de vordering tot ontbinding van de vennootschap op grond van artikel 1871 B.W.

De Wet van 13 april 1995, in werking getreden op 1 juli 1996, heeft een totaal nieuw licht geworpen op deze problematiek door een vrij vergaande remedie in te voeren. Indien er gegronde redenen zijn (op dit begrip zal verder worden ingegaan), kan een aandeelhouder nu ertoe verplicht worden:


    * zijn aandelen over te dragen aan één of meerdere medeaandeelhouders (de zogenaamde vordering tot uitsluiting van een vennoot, artikel 190ter Venn.W.); of
    * de aandelen van één of meerdere medeaandeelhouders te kopen (de zogenaamde vordering tot uittreding, artikel 190quater Venn.W.).

Het is belangrijk te benadrukken dat deze geschillenregeling een subsidiair karakter heeft, m.a.w. dat zij slechts kan worden aangewend wanneer problemen binnen de vennootschap niet in der minne of door een minder vergaande maatregel kunnen worden opgelost. Hierna zullen wij kort de belangrijkste voorwaarden, gevolgen en toepassingsgevallen overlopen.

2. Toepassingsgebied

Zowel artikel 190ter als artikel 190quater Venn.W. zijn van toepassing op de bvba en op de nv die geen publiek beroep op het spaarwezen doet of heeft gedaan. De rechtsleer aanvaardt dat de geschillenregeling ook geldt voor de commanditaire vennootschap op aandelen (cva).

De geschillenregeling is van dwingend recht. Dit betekent dat statutaire clausules die een beperking bevatten aan het recht van de vennoten om gerechtelijke uitsluiting of uittreding te vorderen, ongeldig zijn. Er kan bv. niet voorzien worden dat de gerechtelijke uitsluiting of uittreding slechts om welbepaalde redenen kan gevorderd worden. Het is evenmin mogelijk de door artikel 190ter Venn.W. voorgeschreven drempels (zie verder) te verhogen.

3. Wie kan de vordering instellen?

De vordering tot uitsluiting van een vennoot (artikel 190ter Venn.W.) kan worden ingesteld door één of meer vennoten die gezamenlijk:


    * effecten bezitten die 30 % vertegenwoordigen van de stemrechten verbonden aan het geheel van de bestaande effecten;
    * effecten bezitten die 20 % vertegenwoordigen van de stemrechten verbonden aan het geheel van de bestaande effecten, indien de vennootschap effecten heeft uitgegeven die het kapitaal niet vertegenwoordigen;
    * aandelen bezitten waarvan de nominale waarde of de fractiewaarde 30 % van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigt.

De vordering tot uittreding (artikel 190quater Venn.W.) kan worden ingesteld door elke aandeelhouder. Er zijn verder geen drempels voorzien, hetgeen betekent dat deze vordering zowel aan minderheids- als aan meerderheidsaandeelhouders toekomt.

4. Essentiële voorwaarde: het bestaan van een gegronde reden

De wet stelt als voorwaarde dat er “gegronde redenen” moeten zijn, waarvan de bewijslast ligt bij de eisende vennoot (actori incumbit probatio). Deze gegronde redenen zijn omstandigheden waardoor de verweerder redelijkerwijs niet langer kan geduld worden als aandeelhouder (artikel 190ter Venn.W.) of waardoor van de eiser niet langer redelijkerwijs kan gevergd worden dat hij nog langer aandeelhouder blijft samen met verweerder (artikel 190quater Venn.W.).

Hoewel zowel in artikel 190ter als in artikel 190quater Venn.W. verwezen wordt naar het bestaan van een “gegronde reden”, wordt in rechtsleer en rechtspraak benadrukt dat de klemtoon aanzienlijk verschilt in beide artikels. Bij artikel 190ter Venn.W. zal het vennootschapsbelang het centraal criterium zijn, terwijl artikel 190quater Venn.W. daarentegen de belangen van de aandeelhouder beoogt te beschermen.

Het bestaan van een gegronde reden wordt feitelijk beoordeeld. De belangrijkste toepassingsgevallen zullen hierna aan bod komen:

4.1 Een zwaarwichtige wanprestatie van een vennoot zal aanleiding kunnen zijn voor een vordering op grond van artikel 190ter of quater Venn.W. Men kan daarbij bv. denken aan:


    * diefstal ten nadele van de vennootschap (190ter - Vz. Kh. Antwerpen, 18 juni 1998, niet gepubliceerd);
    * geknoei met activa van de vennootschap (190ter - Vz. Kh. Brussel, 21 november 1997, A.J.T., 1998-1999, 757);
    * intragroepsverrichtingen waardoor baten -zonder equivalente tegenprestatie- naar zuster-, dochter- of moedervennootschappen worden doorgeschoven, waar het aandeelhouderschap anders is gestructureerd (190quater - Vz. Kh. Kortrijk, 7 april 1997, V&F, 1997, 338).

4.2. Een zeer belangrijk toepassingsgeval dat in wezen aansluit bij de wanprestatie van de vennoot, bestaat in het misbruik van meerderheid. Volgende voorbeelden uit de rechtspraak kunnen worden aangehaald:


    * De bestuurders, aangesteld door de minderheidsaandeelhouders, werden niet betrokken bij de belangrijkste beslissingen (Vz. Kh. Kortrijk, 10 juli 1997, V&F, 1997, 331);
    * Misbruik van meerderheid waardoor de verweerder volledig wordt uitgesloten van bestuur en individueel controlerecht (190quater - Vz. Kh. Dendermonde, 19 maart 1997, TRV, 1997, 153; vgl. Vz. Kh. Hasselt, 16 juli 1997, niet gepubliceerd);
    * Een meerderheidsaandeelhouder die manifest tegen de belangen van de vennootschap handelde en haar volledig ondergeschikt maakte aan het belang van de moedervennootschap (190ter - Vz. Kh. Dendermonde, 28 mei 1997, niet gepubliceerd, aangehaald door E. POTTIER en M. DE ROUCK, Le divorce entre actionnaires: premières applications jurisprudentielles des procédures d’exclusion et de retrait, TBH, 1998, 573).

4.3. Anderzijds kan ook een misbruik van minderheidspositie aanleiding geven tot toepassing van artikel 190ter of quater Venn.W. Een voorbeeld uit de rechtspraak is het geval van een minderheidsaandeelhouder die met 25,4 % “om louter egoïstische redenen” een kapitaalverhoging verhinderde, hoewel de vennootschap dit kapitaal dringend nodig had (Vz. Kh. Brussel, 30 mei 1997, niet gepubliceerd, aangehaald door E. POTTIER en M. DE ROUCK, o.c.).

4.4 In de praktijk is gebleken dat de onenigheid tussen vennoten de meest voorkomende reden is waarom een beroep wordt gedaan op artikel 190ter of quater Venn.W. Een louter meningsverschil tussen vennoten volstaat evenwel niet om toepassing te maken van de geschillenregeling, gelet op de toch verstrekkende gevolgen (gedwongen overdracht of gedwongen overname).

Een eerste vereiste, vooral beklemtoond door de rechtsleer, is dat de onenigheid blijvend en diepgaand moet zijn. Een loutere karakteriële onverenigbaarheid is onvoldoende. Evenmin zal een meningsverschil omtrent een beleidsbeslissing binnen de vennootschap op zich volstaan (Vz. Kh. Antwerpen, 7 mei 1998, niet gepubliceerd).

In het kader van artikel 190ter Venn.W. (de uitsluiting) is een tweede vereiste dat de onenigheid de werking van de vennootschap of haar organen moet blokkeren of schaden (Vz. Kh. Leuven, 28 november 1996, TRV, 1997, 108; Vz. Kh. Hasselt, 14 februari 1997, TRV, 1997, 105; zie ook Vz. Kh. Kortrijk, 11 januari 1999, niet gepubliceerd). In het kader van artikel 190quater Venn.W. (de uittreding) benadrukken diverse uitspraken daarentegen dat dergelijke blokkering niet noodzakelijk is.

Het belang van de vennoot staat daarbij immers centraal en zelfs het loutere risico van benadeling kan reeds volstaan.

Dergelijke onenigheid is vaak door de jaren heen gegroeid, zonder dat men daarbij één van de aandeelhouders concreet met de vinger kan wijzen. Het is bv. mogelijk dat twee (groepen) aandeelhouders een fundamenteel verschillende visie hebben omtrent de strategie die de vennootschap moet volgen. Wanneer men niet kan zeggen wie de oorzaak is van de onenigheid, of wanneer beiden evenzeer aan de oorsprong liggen van de onenigheid, zal de rechter veelal oordelen in het belang van de vennootschap. Hij zal met andere woorden onderzoeken wie van beide de grootste garanties kan bieden voor de continuïteit van de vennootschap (bv. degene met het relevante diploma - Vz. Kh. Doornik, 18 september 1996, niet gepubliceerd).

5. Gevolgen van de uitspraak

Bij 190ter Venn.W. veroordeelt de rechter de verweerder tot overdracht van zijn aandelen tegen de prijs die de rechter bepaalt (zie verder i.v.m. de prijsbepaling zelf). Bij 190quater Venn.W. veroordeelt de rechter de verweerder tot overname van de aandelen van de eiser tegen de prijs die de rechter bepaalt.

De prijs is bindend, ook voor de eiser. Wanneer de prijs die de eiser moet betalen (artikel 190ter Venn.W.) of die hij krijgt (artikel 190quater Venn.W.) voor de aandelen, niet beantwoordt aan zijn verwachtingen, kan hij hieraan niet ontsnappen door bv. eenzijdige afstand van vordering te doen. Precies daarom is de prijsbepaling van essentieel belang in de procedure.

6. Prijsbepaling

Volgens artikel 190ter en quater Venn.W. wordt de prijs bepaald door de rechter. De wet geeft hem daarbij de volste appreciatiebevoegdheid. Wanneer hij meent te beschikken over alle elementen om een prijs vast te leggen (bv. indien partijen eerder in onderhandelingen het eens waren over de prijs), kan hij dit ook zonder beroep te doen op een expert.

In de praktijk zal de rechter vrijwel altijd een beroep doen op een expert om de waarde van de aandelen te laten vaststellen. Het betreft meestal een bedrijfsrevisor of een accountant, die soms ook in college worden aangesteld. Men stelt vaak vast dat de rechter een opdracht geeft aan de deskundige om over te gaan tot “een waardebepaling”, zonder daarbij precieze instructies te geven. Het is aan de partijen ervoor te zorgen dat de opdracht van de deskundige omstandig wordt gelibelleerd, bv. door te preciseren met welke criteria in elk geval rekening moet gehouden worden.

Van zeer groot belang is het tijdstip waarop men de waarde van de aandelen zal bepalen. De meest courante mogelijkheid is de waarde te bepalen op het tijdstip waarop de rechter zijn beslissing neemt (m.a.w. veelal het moment waarop de deskundige zijn verslag opstelt). In bepaalde uitspraken werd er evenwel op gewezen dat de waarde van de aandelen zou kunnen gedaald zijn door het foutief optreden van de verwerende aandeelhouder, bv. bij misbruik van meerderheid of bij blokkering van de vennootschapsorganen door toedoen van één van de vennoten. Men vroeg daarom de prijs te bepalen op een ogenblik in de tijd dat zich situeerde vóór het schadeverwekkend feit. Rechtsleer en rechtspraak zijn verdeeld omtrent de vraag of dit kan en of dit wel de bedoeling is van de artikelen 190ter en quater Venn.W.

In de rechtsleer is eveneens heel wat inkt gevloeid over de vraag of een waardevermindering of décote moet worden toegepast, wanneer de geschillenregeling betrekking heeft op een minderheidspakket (zie daaromtrent J. LIEVENS, De waardebepaling in het kader van de geschillenregeling, V&F, 1997, 305). Anderzijds is het ook mogelijk een controlepremie te verbinden aan de overdracht van een pakket aandelen dat bepaalde controledrempels overschrijdt (Vz. Kh. Turnhout, 6 februari 1998, niet gepubliceerd).

Er is tenslotte discussie in de rechtsleer omtrent de vraag of de rechter voor de prijsbepaling gebonden is door een prijs of prijsbepalingsclausule, opgenomen in een statutaire of conventionele bepaling.

De rechtspraak zal dit moeten uitwijzen.

7. Wat met bestaande overdraagbaarheidsbeperkingen?

Tenslotte stelt zich de vraag of de rechter de bestaande overdraagbaarheidsbeperkingen moet respecteren. Het kan daarbij gaan om conventionele of statutaire overdraagbaarheidsbeperkingen zoals bv. een voorkooprecht, volg- of uittredingsrechten, put- of call opties, goedkeurings-clausules enz.

Principieel behouden deze overdraagbaarheidsbeperkingen hun geldigheid en moet de rechter erop toezien dat ze worden gerespecteerd.

Dit principe moet wel genuanceerd worden doordat de rechter een aantal bevoegdheden krijgt om tussen te komen in de concrete toepassing van de clausules:


    * De rechter kan zich in de plaats stellen van iedere partij die in de statuten is aangewezen om de prijs van te bepalen waartegen het voorkooprecht kan worden uitgeoefend (artikel 190ter §5, eerste lid Venn.W.).
    * De rechter kan de termijnen verkorten waarbinnen het recht van voorkoop moet worden uitgeoefend (artikel 190ter §5 eerste lid Venn.W.);
    * De rechter kan de toepassing van de goedkeuringsclausule weigeren (artikel 190ter §5 eerste lid Venn.W.);
    * Tenslotte moet worden opgemerkt dat de rechter zich in bepaalde omstandigheden ook kan uitspreken omtrent de geldigheid van een overeenkomst die de overdraagbaarheid van de aandelen beperkt (artikel 190ter §5, tweede lid Venn.W.).

8. Procedure

De vordering moet worden ingeleid voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel van het gerechtelijk arrondissement waar de zetel van de vennootschap in kwestie gelegen is. De voorzitter zetelt zoals in kort geding. De vennootschap om wiens aandelen het gaat moet mee gedagvaard worden.

Uit de rechtspraak blijkt dat een procedure tot aan de uitspraak over het bestaan van gegronde redenen veelal tussen twee en zes maanden in beslag neemt. Indien er nadien een waardebepaling door een deskundige moet gebeuren, is het aan partijen te zorgen dat in de opdracht aan de deskundige een precieze timing wordt opgelegd.

9. Besluit

In een vennootschap waar de aandeelhoudersstructuur tot problemen leidt, zal men sedert 1 juli 1996 met enige voorzichtigheid te werk moeten gaan.

Men zal enerzijds moeten vermijden een situatie te creëren waardoor een vordering op grond van 190ter of 190quater Venn.W. tegen zich kans op succes heeft. Anderzijds kan men in de mate van het mogelijke trachten een dossier op te bouwen op basis waarvan desnoods tegen de andere aandeelhouder(s) een vordering kan worden ingesteld op grond van 190ter of 190quater Venn.W.

Uit de praktijk blijkt tenslotte dat het bij deze dossieropbouw van het grootste belang is zich constructief op te stellen tegenover de tegenpartij. Een vijandige houding of een houding die vooral het eigenbelang lijkt te dienen, zal vaak door de rechter worden afgestraft.

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00