Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 54 - 15.05.99 - De nieuwe fiscale procedure
PA 54 N fiscale procedure

Editie nr 54 van 15 mei 1999

De nieuwe fiscale procedure

    Auteur:
    Jean-Pierre BOURS
    Advocaat aan de balie van Luik, Loeff Claeys Verbeke

Het dubbel wetsontwerp betreffende de hervorming van de fiscale procedure waarover werd gestemd, bevat fundamentele beschikkingen. Op het vlak van de inkomstenbelastingen hervormt het de teksten die al meer dan een eeuw van kracht zijn en die sindsdien slechts weinig werden gewijzigd. Deze hervorming is dus zeker niet onbelangrijk.

Historiek

De fiscale procedure in BelgiŽ werd tot op heden gekenmerkt door een gebrek aan samenhang.

a) Op het vlak van de inkomstenbelastingen waren geschillen in eerste instantie de bevoegdheid van de regionale belastingsdirecteur vooraleer het mogelijk was om in beroep te gaan bij het Hof van Beroep.

Waarschijnlijk had de directeur sinds de wet van 16 maart 1976 (de zogenaamde wet Ansiaux) niet meer de bevoegdheid om de toestand van de belastingplichtige te verzwaren of zelfs niet om een gegrond geachte verlichting te compenseren met een belastingsupple-ment dat zou zijn vastgesteld" (375 WIB). De belastingplichtige had wellicht het recht om de stukken van zijn dossier in te zien en te kopiŽren (374 WIB).

Het gemengde karakter van deze procedure (achtereenvolgens administratief en juridisch) gaf echter aanleiding tot heel wat - vaak koopvernietigende - kritiek, die in hoofdzaak gebaseerd was op de vaststelling dat de belastingsdirecteur die uitspraak moest doen over de klachten die hem werden voorgelegd, tegelijk rechter en partij was, waardoor hij niet onpartijdig genoeg bleek te zijn.

b) Op het vlak van de indirecte belastingen (BTW, registratie- en successierechten) werd destijds de volledige bevoegdheid gegeven aan de jurisdicties van de gerechtelijke orde, waar het geschil aanhangig was gemaakt via een verzet onder dwang. De belastingplichtige kon natuurlijk voordat het geschil aanhangig werd gemaakt bij een rechtbank, een "hiŽrarchisch onderzoek" vragen van zijn dossier, zonder dat dit een wettelijk georganiseerd, noodzakelijk precedent was (zogenaamde "welwillende" betwisting).

Over het algemeen was de procedure die ter zake moest worden gevolgd bevredigend, als men de dwalingen uitsluit die te wijten waren aan artikel 92, lid 2 van het BTW-Wetboek, dat een consignatie oplegde van de verschuldigde sommen als voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het beroep. De interpretatie van deze beschikking gaf aanleiding tot heel wat betwistingen, die eerst werden voorgelegd aan het Arbitragehof en daarna voor het Hof van Cassatie werden gebracht.

c) Het gebrek aan samenhang was flagrant: gemengd systeem (administratief en dan juridisch) op het vlak van inkomstenbelastingen, uitsluitend gerechtelijke procedure op het vlak van indirecte belastingen. Dit komt bovenop een bepaald aantal divergenties die soms moeilijk te rechtvaardigen zijn: verjaringstermijn, bankgeheim, enz. Daardoor moest een belastingplichtige die verwikkeld was in een geschil inzake inkomstenbelastingen en BTW tegelijk twee afzonderlijke procedures volgen die beantwoorden aan verschillende regels.

De nieuwe procedure

De "nieuwe fiscale procedure" is vooral gekenmerkt door het feit dat vanaf het ogenblik dat de wet van kracht is geworden, de rechtbanken van eerste aanleg bevoegd zullen zijn om "betwistingen met betrekking tot de toepassing van een belastingswet" te kennen, wat ze vroeger niet waren op het vlak van de directe belastingen.

De procedures zullen voortaan als volgt verlopen:

1. Administratief beroep

1.1. Directe belastingen

1.1.1. Federale belasting

Op dit vlak blijft de invoering van een klacht voor de Gewestelijke directeur een noodzakelijk precedent voor elke juridische actie.

De klachtenprocedure verliest echter haar gerechtelijk karakter dat tot op heden en sinds 1954 werd erkend door het Hof van Cassatie en wat wordt betwist door het Arbitragehof (arrest nr. 67/98 van 10 juni 1998, Staatsblad van 12 september 1998, p. 29392). Hieruit vloeit voort dat de regionale directeur de principes van de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid, die eigen zijn aan de functie om te oordelen, niet meer moet naleven. Hij moet niettemin de principes van de goede administratie naleven, want een inspecteur kan moeilijk uitspraak doen over een klacht die werd ingediend tegen een belasting die hij ingecohierd had toen hij belastingsfunc-tionaris was.

Termijn

De termijn om een klacht in te dienen is voortaan drie maanden vanaf de datum dat het aanslagbiljet werd verstuurd (art. 371 WIB).

Rechten van de echtgenoot (-ote)

De klacht kan niet enkel worden ingediend door de belastingplichtige, maar ook door haar/zijn echtgenoot (-ote) als de aanslag volledig of gedeeltelijk kan worden ingevorderd op de activa van deze laatste (art. 366 WIB).

Op dit punt treden de nieuwe procedureregels de bezwaren tegemoet die voortvloeiden uit de discriminatie waar voornamelijk de gescheiden echtgenoot (-ote), die getrouwd was onder het stelsel van gemeenschap (Arbitragehof, arrest nr. 39/96 van 27 juni 1996, Staatsblad van 9 augustus 1996) het slachtoffer van werd.

Er wordt eveneens gepreciseerd dat de ambtenaren van de administratie van de directe belastingen hun beroepsgeheim niet schenden, als ze aan de hoofdelijk verbonden echtgenoot (-ote) inlichtingen verschaffen omtrent de fiscale situatie van hun partner (art. 337 WIB).

Nieuwe grieven

Zoals in het verleden mogen de belastingplichtigen hun initiŽle klacht aanvullen met nieuwe grieven, zolang er geen beslissing gevallen is (artikel 372 WIB).

Termijn om uitspraak te doen

Als er beroep wordt aangetekend, beschikt de bevoegde ambtenaar over een termijn van 6 maanden (of 9 maanden in het geval van aanslag van ambtswege) om zich uit te spreken (artikel 1385 undecies lid 2 en 3 van het gerechtelijk wetboek). Deze termijn is echter enkel opgelegd voor de klachten die betrekking hebben op het boekjaar 1999 en volgende. Voor de klachten die betrekking hebben op vorige boekjaren, heeft de administratie de tijd tot 31 maart 2001 om zich uit te spreken. Eens deze termijn verstreken is, kan de belastingplichtige actie ondernemen bij de Rechtbank van Eerste Aanleg, als er nog geen beslissing werd genomen en zonder voorafgaande ingebrekestelling. Hij kan eveneens beslissen om te blijven wachten op de beslissing van de bevoegde ambtenaar. Er duiken dus strategische vragen op.

Verloop van de interesten

We preciseren nog dat in de hypothese dat de verwachte beslissing niet wordt genomen binnen zes maanden na de datum van de ontvangst van de klacht, het nieuwe artikel 414 ß 2 WIB van toepassing zal worden:

    "Geschiedt de kennisgeving van de in artikel 375, ß 1, bdoelde beslissing niet binnen zes maanden na de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, dan is de nalatigheidinterest bedoeld in ß 1 niet verschuldigd op het deel van de aanslag dat hoger is dan het overeenkomstig artikel 410, vastgestelde bedrag, gedurende het tijdperk dat begint op de eerste van de maand die volgt op die waarin de termijn van zes maanden verstrijkt en die afloopt op het einde van de maand waarin een vordering overeenkomstig artikel 1385 undecies van het Gerechtelijk Wetboek wordt ingesteld en, bij ontstentenis van een dergelijk vordering, op het einde van de maand waarin de voormelde beslissing ter kennis werd gebracht".

We wijzen er tenslotte op dat de fiscale commissie (artikel 347 WIB) en het adviescomitť (artikel 349 en 350 WIB) werden afgeschaft.

1.1.2. Provincie- en gemeentebelastingen

De klachten worden niet meer ingediend bij de bestendige deputaties maar bij de gouverneur voor wat de provinciebelastingen betreft en bij het college van burgemeester en schepenen voor wat de gemeentebelastingen betreft (artikel 9 van de wet van 24 december 1996).

De gouverneur en het college van burgemeester en schepenen handelen in de hoedanigheid van administratieve overheid. Als de gouverneur of het college van burgemeester en schepenen geen beslissing nemen, zal de klacht gegrond geacht worden (artikel 10 lid 2 van de wet van 24 december 1996), zonder dat de wet preciseert binnen welke termijn de beslissing moet worden genomen...

Men kan zich inbeelden dat deze termijn ook zes of negen maanden zal zijn, aangezien er verwezen wordt naar artikel 1385 decies en undecies van het gerechtelijk wetboek. Een beroep tegen de beslissing van de gouverneur of het college van burgemeester en schepenen zal kunnen worden ingediend voor de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de belasting werd vastgesteld.

1.2. Indirecte belastingen

Op het vlak van de indirecte belastingen (BTW, registratie- en successierechten) is geen enkel voorafgaand administratief beroep voorzien. De minister van financiŽn zal niet meer bevoegd zijn om uitspraak te doen "over de verzoeken die als voorwerp de kwijtschelding van de fiscale boetes hebben" (artikel 84 BTW-W). Hieruit volgt dat inzake indirecte belastingen geen enkel voorafgaand administratief beroep geŽist wordt, aangezien de belastingplichtige de zaak bij de rechtbank aanhangig kan maken zodra hij het dwangbevel ontvangen heeft. Het spreekt vanzelf dat hij bij de directeur een louter welwillend "hiŽrarchisch onderzoek" kan vragen dat trouwens kan leiden tot een verzwaring van de belasting.

2. Gerechtelijke actie

Zoals hierboven uiteengezet, zijn de rechtbanken van eerste aanleg voortaan bevoegd om de gerechtelijke acties te kennen. Het gaat om de rechtbanken van Brussel, Luik, Bergen, Antwerpen, Gent en Eupen. De koning is echter bij wet gemachtigd om verschillende fiscale kamers in te stellen in dezelfde provincie om te vermijden dat de rechtbanken overbelast raken.

Termijnen

Als een beslissing genomen wordt door de directeur en als die ongunstig is, beschikt de belastingplichtige over drie maanden om actie te ondernemen voor de rechtbank van eerste aanleg. Bij het verstrijken van deze drie maanden en als er geen enkel beroep werd ingediend, is de beslissing van de directeur definitief (artikel 375 ß 1 lid 2 van het WIB).

Zoals gezegd hierboven, kunnen zaken in verband met inkomstenbelastingen eveneens aanhangig worden gemaakt bij de rechtbank als de directeur geen uitspraak heeft gedaan binnen een termijn van zes of negen maanden (boekjaar 1999 en volgende) of uiterlijk voor 31 maart 2001 (vorige boekjaren). Er is geen termijn meer vooropgesteld om een zaak in verband met indirecte belastingen aanhangig te maken bij de rechtbanken.

Formaliteiten

De bevoegde jurisdictie grijpt het neerleggen ter griffie van een verzoek op tegenspraak niet aan (artikel 1385 decies van het gerechtelijk wetboek), waar een kopie moet aan toegevoegd worden van "de betwiste beslissing" (beslissing van de regionale directeur, de gouverneur of het college van burgemeester en schepenen) of, bij ontstentenis van een tijdige beslissing van de directeur, een kopie van het administratieve beroep en het bericht van ontvangst van dit beroep.

Wij herinneren eraan dat de voorafgaande indiening van een klacht (inkomstenbelastingen) of een beroep voor de gouverneur of het college van burgemeester en schepenen (provincie- en gemeentebelastingen) een voorwaarde is voor de ontvankelijkheid van de gerechtelijke actie (artikel 1385 lid 1 undecies).

Op het vlak van de indirecte belastingen is geen enkel voorafgaand beroep georganiseerd, zodat geen enkele kopie van de beslissing of van het administratief beroep moet worden toegevoegd aan het "verzoek op tegenspraak" dat moet worden neergelegd.

Nieuwe grieven

Het is het gemeenrecht dat van toepassing is, met name artikel 807 van het gerechtelijk wetboek dat zegt dat het ingediende verzoek gewijzigd voor wat het voorwerp betreft kan worden uitgebreid of. gewijzigd.

Ontvankelijkheid

Voor wat de BTW-geschillen betreft, bestaat er een betreurenswaardige bepaling in het herschreven artikel 92:

    "In geval van beroep tegen het vonnis, dat de door de schuldenaar ingestelde eis heeft verworpen, kan de ontvanger van de belasting op de toegevoegde waarde, gelet op de concrete gegevens van het dossier, met inbegrip van de financiŽle toestand van de schuldenaar, deze laatste kennisgeven bij een ter post aangetekend schrijven van een verzoek tot het in consignatie geven van het geheel of een gedeelte van de verschuldigde bedragen. Aan de schuldenaar kan worden toegestaan dat die consignatie wordt vervangen door een zakelijke of persoonlijke zekerheid die wordt aangenomen door de administratie bevoegd voor de belasting op de toegevoegde waarde

De gevorderde bedragen dienen in consignatie te worden gegeven of de zekerheid dient te worden bevestigd binnen twee maanden vanaf de kennisgeving

Bij gebreke van het in consignatie geven van de bedragen of het vestigen van de zekerheid binnen een bepaalde termijn, dient de rechtsinstantie waarbij de voorziening aanhanging is gemaakt, binnen drie maanden te rekenen vanaf het verstrijken van die termijn, de voorziening niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij ze, op grond van een met redenen omkleed verzoekschrift ingediend door de schuldenaar binnen twee maanden vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, besluit, binnen dezelfde termijn van drie maanden, dat het door de met de invordering belaste ambtenaar gedane verzoek niet gerond is".

Betreurenswaardig aangezien deze tekst een flagrante schending is van het recht van alle toegang tot de justitie. Als een belastingplichtige niet in het bezit is van de sommen die van hem gevorderd worden door de BTW-administratie, of als hij dit verzoek tot consignatie te laat betwist, wordt het recht tot beroep hem eenvoudigweg geweigerd.

Gerechtelijk wetboek

Het essentiŽle gevolg van deze nieuwe bevoegdheid van de rechtbanken is dat het gerechtelijk wetboek toepasbaar wordt gemaakt op de materie van de directe belastingen, wat vroeger niet het geval was, zelfs niet voor het Hof van Beroep.

Hieruit vloeit voort dat enkel de artikels 747 of 751 van het gerechtelijk wetboek kunnen worden gebruikt (vastlegging van ambtswege in het geval van inertie van de tegenpartij), dat een procedure tot schadeloosstelling kan worden gevraagd en dat het mogelijk zal zijn om een fiscaal geschil een interventieactie te koppelen, als waarborg of een verzoek tot expertise.

Tussenkomst van de boekhouders, accountants en revisoren

Het artikel 728 ß 2 bis van het nieuwe gerechtelijke wetboek laat de belastingplichtige of zijn boekhouder toe om de rechtbank te vragen om de uitleg te horen van "de expert-boekhouder, de beroepsboekhouder of de bedrijfsrevisor die gekozen wordt door de belastingplichtige", d.w.z. "de persoon die zich gewoonlijk bezighoudt met de boekhouding van de belastingplichtige, of die heeft bijgedragen tot de opstelling van de betwiste fiscale aangifte, of die is tussenbeide gekomen aan de zijde van de belastingplichtige in de administratieve klachtenprocedure.

Andere punten

1. Verjaringstermijn

De verjaringstermijnen inzake BTW werden in lijn gebracht met die van toepassing op de inkomstenbelastingen. De verjaringstermijn voor het incohieren van de BTW was vroeger vijf jaar (art. 81 BTW-wetboek).

Er verstrijken drie jaar, te rekenen van de eerste januari van het jaar dat volgt op het jaar tijdens hetwelk de operatie die onderworpen is aan de belastingsheffing gerealiseerd werd. Voor de operaties van de maand december 1998 wordt de betaling slechts geŽist op 20 januari 1999, maar de verjaringstermijnen lopen vanaf 1 januari 1999.

De termijn wordt naar vijf jaar gebracht in het geval van inbreuk "die gepleegd werd met frauduleuze bedoelingen of met de intentie om te schaden" (art. 81 bis lid 3 BTW-wetboek), middels voorafgaande, geschreven en precieze kennisgeving, van de aanwijzingen van fiscale fraude die bestaan voor de betrokken periode (art. 84 ter BTW-wetboek) aan de betrokken persoon. Het betreft een transpositie in de BTW-code van artikel 333 WIB.

De termijn wordt tenslotte op zeven jaar gebracht als de bijkomende belasting gebaseerd is op: een informatie die afkomstig is van het buitenland, een gerechtelijke actie, bewijselementen (artikel 81 bis lid 4 BTW-wetboek). De restitutieactie daarentegen verjaart per drie jaar, tegenover vijf jaar op dit ogenblik (art. 82 bis BTW-wetboek).

De ongerechtvaardigde verlenging van bepaalde termijnen voor de incohiering van de BTW is dus betreurenswaardig evenals de verkorting van de termijn voor de restitutieactie. Deze termijnen worden "opgeheven in het geval van een gerechtelijke actie" (art. 83, ß 1, BTW-wetboek).

2. Moratoire renten

Het nieuwe artikel 418 kent een moratoire rente toe in het geval van terugbetaling, niet alleen van belastingen, maar ook van voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidinteresten, belastingsverhogingen of administratieve boetes. De interestvoet is het wettelijke percentage geworden sinds het van kracht worden van de wet van 22 december 1998. Het is van 9,6 veranderd in 7%.

Er zijn niettemin uitzonderingen voorzien. Er wordt met name geen enkele moratoire rente toegekend in het geval van kwijtschelding of matiging van een boete of een belastingverhoging, zonder dat de belasting zelf wordt verminderd.

Als een overschot van roerende of bedrijfsvoorheffing of voorafbetaling wordt terugbetaald aan de belastingplichtige binnen twee maanden die volgen op het verstrijken van de aanslagtermijn van achttien maanden te rekenen van de eerste januari van het boekjaar, bedoeld in artikel 359 van het WIB, wordt er ook geen enkele moratoire rente toegekend. De vorige tekst voorzag elke terugbetaling van het overschot aan voorheffing of voorafbetaling, ongeacht de termijn.

3. Inwerkingtreding

De nieuwe fiscale procedure treedt in werking vanaf het boekjaar 1999 voor wat de verplichting betreft van de directeur om uitspraak te doen binnen een termijn van zes of negen maanden.

De procedures die reeds hangende zijn in 1999 zullen dus behandeld blijven overeenkomstig de regels die vroeger van kracht waren. Hiervan wordt slechts afgeweken als een beslissing in deze procedures niet wordt genomen door de directeur op de uiterlijke datum van 31/03/2001: in dat geval mag de belastingplichtige een verzoek neerleggen ter griffie van de rechtbank en dus de "dubbele graad" genieten.

Voor de beslissingen die voortaan worden genomen door de directeur moet de ontevreden belastingplichtige de zaak niet aanhangig maken bij het Hof van Beroep, maar bij de Rechtbank van eerste aanleg, en dit binnen de drie maanden.

Balans van de hervorming

U heeft wellicht al begrepen dat de balans van deze hervorming gemengd is. Er was meer dan twintig jaar nodig om lessen te trekken uit het wetsontwerp Ansiaux (supra): de rechtbanken van eerste aanleg zijn eindelijk bevoegd om de fiscale geschillen te kennen, de magistraten worden niet meer beschouwd als onbekwaam om de fiscale materies te kennen en de regionale belastingsdirecteur verliest de gerechtelijke macht die hem nooit toegewezen had mogen worden. Dat opent nieuwe perspectieven voor het gerechtelijk wetboek. Daarnaast heerst er echter heel wat onduidelijkheid. De voorwaarden voor ontvankelijkheid zijn niet dezelfde voor de gerechtelijke acties inzake directe en indirecte belastingen en dit op het ogenblik dat de herstructurering van de administratie gezamenlijke controles mogelijk moet maken. Het in lijn brengen van de BTW-termijnen met die van het WIB gebeurt bij benadering.

De overgangsbepalingen zijn onsamenhangend.

Een voordeel van de hervorming is echter wel dat de rechten van de solidair verbonden echtgenoten beter beschermd zijn en ook dat er moratoire renten kunnen verkregen worden in het geval van terugbetaling van de voorheffing.

De toekomst zal uitwijzen wat deze hervorming zal betekenen. We kunnen wel reeds voorspellen dat hoe onvolmaakt ze ook is, ze het dagelijks leven van de belastingplichtige... en van zijn raadsman overhoop zal halen.


Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00