Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 50 - 15.03.99 - De honoraria van de boekhouder ...

Editie van 15 maart 1999

Vallen de honoraria van de boekhouder onder het voorrecht van artikel 20 - 4° van de hypotheekwet ?

    Auteur:
    J.L.Brandenberg
    Advocaat, Firket, Brandenberg, Crahay & Pichault

Het gebeurt vaak dat één of meerdere van de laatste facturen van de boekhouder van een bedrijf in moeilijkheden, niet worden betaald op het ogenblik dat zijn klant failliet wordt verklaard.

Kan hij erop hopen dat hij zijn schuld terug kan vorderen of dreigt hij op de lijst te komen van de niet-preferente schuldenaars met zeer weinig hoop op recuperatie ?

  1. . De kern van de materie

    De kern van de materie ligt in artikel 20 - 4° van de hypotheekwet waarin bepaald wordt dat "de kosten die tot behoud van de zaak worden gemaakt, bevoorrecht zijn".

    Volgens het Hof van Cassatie (9 maart 1972 - PAS, I. p. 641) : "De kosten die gemaakt worden voor de instandhouding van de zaak zijn allemaal uitgaven waarzonder de zaak totaal of gedeeltelijk teloor zou zijn gegaan, of ten minste ongeschikt zou zijn geworden voor het gebruik waarvoor ze was bestemd."

  2. . Grondslag van het voorrecht

    Bestaat de grondslag van het voorrecht (de instandgehouden zaak) uitsluitend uit een materieel roerend goed (een voorwerp of een zaak) of kan hij ook bestaan uit een immaterieel roerend goed (een schuldvordering) ?

    FREDERICQ (Droit Commercial, VII, p. 581) schrijft : "het voorrecht is zowel van toepassing op materiële roerende goederen als op immateriële roerende goederen".

    Het Hof van Cassatie (5/02/1880, PAS, 1881, I, 67) heeft beslist dat het geen belang heeft of de instandgehouden zaak een voorwerp heeft of niet : in beide gevallen zou de waarborg voor de schuldeisers verdwenen zijn als de kosten niet zouden zijn gemaakt. De schuldvorderingen maken trouwens deel uit van het patrimonium.

    Het voorrecht waarborgt de schuldvordering van de kosten voor het instandhouden niet enkel als de instandgehouden zaak een materieel roerend goed is, maar ook als het gaat om een immaterieel roerend goed zoals een schuldvordering (J.T. 1968, p. 760).

  3. . De kosten voor het instandhouden

    Het gaat niet uitsluitend om de uitgaven door de schuldeiser ten voordele van de toekomstige gefailleerde.

    Het kan eveneens gaan om een gepresteerd werk door een zelfstandige voor het bedrijf in moeilijkheden : "het voorrecht is gelijk voor de schuldvordering van de pleitbezorger van de debiteur of die van zijn expert" (FREDERICQ - Droit Commercial VII, p. 582).

    "Onder kosten moet men niet alleen de uitgaven verstaan die gedaan werden door de bewaarder, maar ook de bezoldiging van het manuele of intellectuele werk dat hij gepresteerd heeft om de instandhouding van het goed te verzekeren" (JT 1968, p. 760 nr. 99).

    In dit opzicht is de toestand van de boekhouder, de revisor, de commissaris van de rekeningen, de bedrijfsadviseur en de advocaat gelijk.

    Men moet echter opmerken dat de advocaat een bijzonder voorrecht geniet voor de strafrechtelijke verdediging van de gefailleerde.

  4. .Instandhouden van een precieze, bepaalde en identificeerbare zaak

    Als de prestaties door de dienstverleners (advocaat - boekhouder...) het instandhouden van een precieze, bepaalde en identificeerbare zaak hebben mogelijk gemaakt (materiële roerende goederen of schuldvorderingen), stelt er zich geen probleem en wordt het voorrecht erkend.

    De honoraria zullen kunnen worden betaald bij voorkeur op de prijs van de instandgehouden zaak (FREDERICQ - Deel VII, nr. 396; Cassatie 24/04/1986 JT 87, p. 84) : arrest waarin het Hof eraan herinnerd heeft dat de instandhoudende actie een bepaald en identificeerbaar roerend goed in stand moet hebben gehouden in het patrimonium van de debiteur (COPPENS en ’t KINT in RCJB 1991 p. 572 nr. 154; VAN CAMPERNOLE : Colloque BRUXELLES Oktober 1993 - LES SURETES p. 113 nr. 80; LES NOVELLES - Droit Commercial Deel IV 1985 Nr. 1868).

    Het probleem ontstaat wanneer het voorrecht opgeëist wordt voor meer algemene prestaties die niet de instandhouding van een bepaald goed als voorwerp hebben.

    Hetzelfde geldt in het geval dat de boekhouder de algemene boekhouding van het bedrijf is blijven voeren of dat de advocaat een verzoek tot akkoord heeft ingediend of een procedure heeft ingesteld als eiser of als verdediger.

    Mag de dienstverlener zijn voorrecht laten gelden op de algemeenheid van de goederen van de onderneming (de handelszaak), de totaliteit van de activa van een maatschappij ? Over dit punt bestaat er een zeer levendige en ernstige controverse.

    Wat denkt de doctrine ervan ?

    Voor FREDERICQ : "heeft het voorrecht enkel betrekking op de instandgehouden zaak, wat impliceert dat ze identificeerbaar is; ... Het is misschien nuttig om eraan te herinneren dat het voorrecht van de bewaarder van de zaak het behoud veronderstelt in het patrimonium van de debiteur van een bepaalde waarde, van een gespecificeerde zaak; het is dan ook begrijpelijk dat het feit dat er ter ontlasting van een toekomstige gefailleerde eenvoudigweg een betaling gedaan werd die het geheel van het actief beschermt, geen grondslag is voor het bijzondere voorrecht van artikel 20 - 4° (op. cit. p. 582 nr. 396)".

    Professor COPPENS en de heer ’t KINT (RCJB 91 p. 572) schrijven : "het voorrecht van de kosten voor het instandhouden kan slechts op welbepaalde goederen rusten : het is een bijzonder voorrecht. Het kan zich bijgevolg niet uitbreiden over een heel patrimonium... Bij gebrek aan een voldoende individualisering van het instandgehouden goed werd het voorrecht dan ook geweigerd aan een expert-boekhouder aan wie de reorganisatie werd toevertrouwd van de boekhouding van de toekomstige gefailleerde" (nr. 154 p. 573).

    Deze mening wordt gedeeld door :

    • Mevrouw Anne-Marie STRANART (Revue de la banque 1975 p. 298 en volgende)
    • De heer VAN CAMPERNOLE (Colloque Bruxelles - oktober 1983 - LES SURETES p. 113 nr. 80 en volgende)
    • LES NOVELLES - Droit Commercial - Deel IV - 1985 nr. 1868
    • ’t KINT - (LES SURETES - 1991 nr. 510)
    • De PAGE - (Deel VII page 162)
    • MOREAU : (Chronique de Droit à l’Usage du Palais 1987 - Deel III p. 98).

    De auteur van Les Novelles (nr. 1869) schrijft daarentegen : "als alle roerende goederen in feite in stand worden gehouden door de gerechtskosten, de verzekeringskosten of door de andere instandhoudingkosten, heeft deze instandhouding niet minder betrekking op elk van de roerende goederen, zodanig dat het voorrecht speciaal is, zelfs als het betrekking heeft op de instandhouding van alle voorwerpen die het patrimonium uitmaken".

    Wat denkt de jurisprudentie ervan ?

    De jurisprudentie is verdeeld, maar we moeten opmerken dat de meerderheid gekant is tegen het toekennen van een voorrecht dat betrekking heeft op een algemeenheid en wij hebben een twintigtal beslissingen gevonden die in die richting gaan, terwijl we er slechts een tiental gevonden hebben die voor de uitbreiding van het voorrecht zijn.

    Het argument dat in het algemeen werd ingeroepen door diegenen die gekant zijn tegen de uitbreiding van het voorrecht is, dat het gaat om een bijzonder voorrecht. Er moet een bepaald en identificeerbaar roerend goed in stand gehouden worden. Er moet een verband bestaan tussen de reddende activiteit en het in stand gehouden goed (bijvoorbeeld de recuperatie van een vrachtwagen).

    Als men toegeeft dat het voorrecht betrekking heeft op het geheel van een handelszaak wordt het voorrecht een algemeen voorrecht op roerende goederen.

    De argumenten pro die te vinden zijn in jurisprudentie zijn de volgende :

    • Voor het Hof van Beroep van ANTWERPEN - (7/03/1983 - Registratie en Notariaat - Recueil Mensuel 1984 p. 100) : "Het actief van een vennootschap kan worden beschouwd als een "zaak" in de zin van artikel 20 - 4° van de hypotheekwet, want als de gemaakte kosten voor gevolg hebben dat een algemeenheid in stand wordt gehouden - van een geheel van roerende goederen - heeft het instandhouden uiteindelijk betrekking op de samenstelling van alle roerende elementen van deze algemeenheid, zodanig dat het voorrecht zijn bijzonder karakter bewaart". Een dergelijk argument is uiteraard niet helemaal overtuigend.
    • De Handelsrechtbank van BERGEN - 8/01/1990 JLMB 91 p. 495 : "Is bevoorrecht uit hoofde van kosten voor het in stand houden, de schuldvordering van de boekhouder, die voortvloeit uit prestaties die nodig zijn voor de voorbereiding van een verzoek tot akkoord en vervolgens de opstelling van de boekhoudkundige situatie, voor de valorisatie en de onderhandeling van de handelszaak".
    • Hof van Beroep van LUIK - 28/11/1986 : In het kader van de honoraria van een advocaat wiens tussenkomst de handelszaak van de toekomstig gefailleerde intact heeft gehouden, was het Hof van oordeel dat het ging om "een roerende algemeenheid binnen de totale algemeenheid die het patrimonium uitmaakt".
    • De Handelsrechtbank van LUIK - 21/12/1984 (JL 83 p. 61) : in verband met de honoraria van een bevoorrecht advocaat op de waarde van de handelszaak die hij in stand had gehouden en die vervolgens door de curator voor een goede prijs kon worden verkocht, is de Rechtbank van mening dat het handelsfonds "een van de roerende goederen is die de activa samenstellen".
    • De Handelsrechtbank van CHARLEROI - 3/01/1973 (JT 73 p. 183) heeft het voorrecht toegekend aan een advocaat die een procedure had ingesteld voor het verkrijgen van een akkoord en die zijn beslissing als volgt heeft gemotiveerd : overwegende dat als de "voorkeur" niet meespeelt wanneer deze kosten betrekking hebben op een universaliteit van goederen, men er ook van uit kan gaan dat de kosten voor het instandhouden betrekking kunnen hebben op elk van de roerende goederen die de algemeenheid van het patrimonium samenstellen.

    Aangezien het neerleggen van het verzoek tot akkoord vergezeld wordt van een gedetailleerde geschatte staat heeft de Rechtbank geoordeeld dat de procedure voor effect heeft gehad dat elk van deze goederen in stand werden gehouden en dat het voorrecht zich bijgevolg uitstrekte tot de goederen die roerend waren.

    Tot besluit

    Het is voor de boekhouder, de advocaat of elke andere dienstverlener zeker frustrerend om vast te stellen dat als hij een goed in het patrimonium van de toekomstige gefailleerde in stand gehouden heeft, hij bevoorrecht is voor de waarde van dit goed in het kader van de realisatie

    ervan, terwijl hij niet bevoorrecht is als hij prestaties heeft verricht die toelieten om het geheel van de goederen in stand te houden.
    Deze klaarblijkelijke contradictie vloeit voort uit de termen van de wet die voorziet dat het hier gaat over een bijzonder voorrecht. In dit licht zou diegene die het voorrecht van de kosten die hij heeft gemaakt om een algemeenheid in stand te houden, wil laten aanvaarden, zich kunnen inspireren op de hierboven vermelde beslissingen.

    Het voorrecht met betrekking tot een algemeenheid werd ook toegelaten in de volgende beslissingen :

    • Hof van Beroep van ANTWERPEN - 10/03/1981 - LIMBURGS RECHT 1981 p. 61.
    • Handelsrechtbank LUIK - 5/06/1979 - JL 1979 p. 411.
    • Handelsrechtbank NAMEN - 8.12.1983 - Revue Régionale de Droit 1984 p. 56.
    • Handelsrechtbank GENT - 5/06/1980 - Jurisprudence Commerciale de Belgique 1980 p. 455.
    • Handelsrechtbank NAMEN - 22/04/1982 - Jurisprudence Commerciale de Belgique 1983 p. 388.
    • Cass. 19/02/1981, Pas. P. 982, J.T., 1992, p. 87.

    Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
Navigatie
  • TERUG