Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 49 - 28.02.99 - Veralgemening kennis bedrijfsbeheer voor KMO

Editie nr 49 van 28 februari 1999

Veralgemening van de kennis bedrijfbeheer

    Auteur:
    Jan SAP
    ced.samson

Vanaf 1 januari 1999 moet iedere startende KMO die een activiteit wenst uit te oefenen waarvoor een inschrijving in het handels- of ambachtsregister gevraagd wordt, bewijzen over voldoende kennis van het bedrijfsbeheer te beschikken.

Dit is het gevolg van de nieuwe vestigingswetgeving zoals die werd geïntegreerd in de Programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap (B.S., 21 februari 1998). Via de algemene verplichting van de kennis van het bedrijfsbeheer wil men starters beter voorbereiden op het ondernemerschap. De verdere invulling van deze veralgemening van de beheerskennis werd gereglementeerd door het K.B. van 21 oktober 1998 (B.S., 19 november 1998).

Voor wie?

De voorwaarde om de kennis van het bedrijfsbeheer te bewijzen, gold vroeger enkel voor de detailhandel - het zgn. "distributieattest" - en wordt nu uitgebreid naar iedere startende onderneming. Volgens art. 4 van de Programmawet gaat het om elke KMO, natuurlijk of rechtspersoon, die een activiteit uitoefent waarvoor een inschrijving in het handels- of het ambachtsregister vereist is. Het is van geen belang of men zijn handelsactiviteiten in hoofd- of bijberoep uitoefent.

De beoefenaars van een beroep, dat door een andere wet gereglementeerd is op het vlak van de beheerskennis, worden vrijgesteld. De beroepen die op basis van de Kaderwet van 1 maart 1976 zijn gereglementeerd bij Koninklijk Besluit, waaronder de "boekhouders" (intussen gereglementeerd bij wet van 22 april 1999 - nvdr) en de vastgoedmakelaars, worden vrijgesteld. Het gaat om onder meer de bedrijfsrevisoren, de wisselagenten, de verzekeringstussenpersonen, enz.

Bestaande ondernemingen die reeds voor 1 januari 1999 in het handelsregister ingeschreven waren, dienen niet aan deze verplichting te voldoen.

b>Bewijs

Voor een natuurlijke persoon kan het bewijs van de beheerskennis in de eerste plaats worden geleverd door het ondernemingshoofd zelf, door zijn echtgenoot of door de partner met wie het ondernemingshoofd reeds drie jaar samenwoont. Ook diegene die het dagelijks beheer van de zaak daadwerkelijk uitoefent, kan dit bewijzen.

In een vennootschap zal het bewijs moeten geleverd worden door de persoon die het dagelijks bestuur in de vennootschap effectief uitoefent. Indien de vennootschap zelf door een andere vennootschap wordt bestuurd, dan zal diegene die het dagelijks bestuur in deze laatste vennootschap uitoefent, het bewijs kunnen geven over voldoende beheerskennis te beschikken.

Naast bewijsmiddelen die voortvloeien uit internationale verbintenissen worden volgende akten aanvaard als voldoende bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer:

  1. Het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer, uitgereikt in of door:
    • de derde graad van het algemeen of het technisch secundair onderwijs, het kunstsecundair onderwijs of het beroepssecundair onderwijs;
    • de centrale examencommissies van de Gemeenschappen of het Ministerie van Middenstand en Landbouw;
    • de centra voor middenstandsopleiding naar aanleiding van een opleiding tot ondernemingshoofd;
    • het onderwijs voor sociale promotie;

  2. Ieder diploma van het hoger onderwijs;

  3. Een getuigschrift waaruit blijkt dat men een versnelde cursus van ten minste 128 lesuren van bedrijfsbeheer met succes heeft gevolgd, gespreid over ten minste drie maanden;

  4. Ieder diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomstig internationale verdragen als gelijkwaardig met deze in 1. tot 3. moet worden beschouwd of die gelijkwaardig werden verklaard door de bevoegde overheid.

Tot 30 september 2000 komen ook nog volgende akten in aanmerking:

  1. een getuigschrift van het hoger algemeen, technisch of kunstsecundair onderwijs; voor het beroepssecundair moet de akte zijn afgeleverd in een afdeling handel, boekhouding of verkoop;

  2. een getuigschrift waaruit blijkt dat men met succes het eerste jaar van een opleiding tot ondernemingshoofd heeft gevolgd;

  3. een getuigschrift beheerskennis van de centrale examencommissie van het Ministerie van Middenstand en Landbouw;

  4. een diploma of getuigschrift van het onderwijs voor sociale promotie met betrekking tot de beheerskennis;

  5. een getuigschrift dat gelijkwaardig is aan één van de akten vermeld in 1. tot 4. en dat werd uitgereikt door een bevoegde examencommissie.

Als men reeds praktijkervaring heeft als ondernemingshoofd gedurende een periode van 3 jaar in hoofdberoep of 5 jaar in bijberoep, kan men ook een getuigschrift verkrijgen. Hetzelfde geldt voor diegene die als zelfstandig helper van een ondernemingshoofd, een bediende in een leidende functie of een combinatie van deze functies minstens vijf jaar ervaring heeft.

Deze ervaring zal moeten opgedaan zijn in de loop van 15 jaar die de aanvraag van het getuigschrift voorafgaan.

De aanvraag van het vestigingsgetuigschrift - het getuigschrift waaruit blijkt dat men aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan - gebeurt bij de Kamer voor Ambachten en Neringen van de provincie waar de activiteiten voor het eerst worden opgestart. Wanneer de beroepsactiviteit voor het eerst wordt uitgeoefend in Brussel, heeft men naargelang de taal keuze tussen de Kamer van de provincie Vlaams-Brabant of Waals-Brabant.

Slotbemerking:. De erkende boekhouder mag niet deelnemen in het kapitaal en mag niet de noodzakelijke kennis van bedrijfsbeheer invullen.

***

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
Navigatie
  • TERUG