Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 48 - 15.02.99 - Wanneer is de fiscus gebonden door een akkoord?

Editie nr 48 van 15 februari 1999

Wanneer is de fiscus gebonden door een akkoord?

    Auteur:
    Xavier Thiébaut,
    Advocaat aan de Balie van Luik, Loeff Claeys Verbeke,
    Assistent Ulg

Er zijn zeer weinig belastingplichtigen die nog nooit geconfronteerd werden met deze vraag. Het leek ons nuttig de principes1 en de recente ontwikkelingen terzake nog eens op een rijtje te zetten. Wij vullen deze uiteenzetting aan met het onderzoek van toepassingen door de rechtspraak inzake regelmatigheid van facturen en het aftrekken van BTW, kosten- en basisforfaits en ritme van de afschrijvingen.

Feiten- en rechtskwestie

Er wordt aangenomen dat de belastingplichtige en de fiscus akkoord kunnen raken over de feitenkwesties, d.w.z. kwesties die betrekking hebben op het erkennen van het bestaan van een feit. Tot deze categorie behoort de evaluatie van de beroepslasten, maar ook die van de voordelen van om het even welke aard2 en die van het bedrag van de beroepsverliezen.3

Er werd daarentegen lang gedacht dat de rechtskwesties, d.w.z. die met betrekking tot de draagwijdte van de wet of de toepassing ervan op de feiten, niet het voorwerp konden uitmaken van een akkoord tussen de belastingplichtige en de fiscus. Het Hof van Beroep van Antwerpen heeft voor recht gesteld dat het niet gebonden was door het akkoord dat werd afgesloten tussen de belastingplichtige en de fiscus over kwalificatie van bepaalde inkomsten.4

Het arrest van 27 maart 1992 van het Hof van Cassatie5 is een zeer belangrijke evolutie.

De feiten die tot dit arrest hebben geleid, betroffen een handelaar in tweedehandswagens die de BTW had afgetrokken die vermeld stond op verschillende facturen terwijl bepaalde indicaties die opgelegd zijn door de BTW-wetgeving er niet op vermeld stonden.

De BTW-administratie had deze facturen ondanks nauwkeurige controles nooit betwist, tot op de dag dat de medecontractant van de belastingplichtige, zelf belastingplichtige, zijn eigen verplichtingen inzake BTW niet was nagekomen, blijkbaar, hoewel dit niet in het arrest staat, voor wat de betaling van de BTW betreft.

Het Hof van Cassatie verwierp de voorziening van de Administratie na voor recht te hebben gesteld
"- dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur het recht op rechtszekerheid insluiten,- dat die beginselen ook gelden ten aanzien van het fiscaal bestuur;
- dat het recht op rechtszekerheid onder meer inhoudt dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid;
- dat daaruit volgt dat de door de overheid opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen van de burger in de regel moeten worden gehonoreerd".

Inzake akkoorden heeft het Hof van Cassatie deze rechtspraak herhaald in haar arresten van 13 februari 19976 en van 11 mei 1998.7

Uitdrukkelijk of stilzwijgend akkoord

Het akkoord kan uitdrukkelijk zijn, maar het kan ook stil-zwijgend zijn op voorwaarde dat het zeker is. Het bestaan van een controle wordt door de rechtspraak dikwijls beschouwd als een noodzakelijk element opdat men kan spreken van een stilzwijgend akkoord.(8) De permissieve attitude of de afwezigheid van een reactie van de Administratie bij het neerleggen van een aangifte mag er niet toe leiden dat men kan besluiten dat er een akkoord bestaat.9

In de praktijk kan men nooit voldoende aanbevelen om geschreven sporen na te laten van de akkoorden die zouden zijn afgesloten door de belastingplichtige of zijn volmachtdrager met de fiscus. Na een controle kunnen de eersten best een brief schrijven in de stijl van: "Wij verwijzen naar uw controle van die datum. Wij hebben uw akkoord opgetekend dat de professionele aandeelsverhouding van deze kosten vastgelegd is op zoveel %." Als het niet-betwist blijft door de Administratie zal dit een begin van bewijs vormen, dat vaak de magistraten die de zaak moeten behandelen - als ze uitgroeit tot een geschil - zal overtuigen. Dit advies om voorzichtig te zijn beperkt zich trouwens niet tot de fiscale materie.

Duur en opzegging

Behalve als het uitdrukkelijk werd afgesloten voor een bepaald jaar10 of als het werd afgesloten tijdens de bezwaarprocedure,11 is het akkoord niet geldig voor een bepaalde periode, maar is het de bedoeling dat het de belastingplichtige en de fiscus voor de toekomst bindt.

De Administratie mag haar akkoord in principe slechts voor de toekomt opzeggen.

Bij wijze van voorbeeld werd geoordeeld dat de opzegging van een akkoord met betrekking tot de schatting van het omzet-cijfer en van de beroepsuitgaven pas kon beginnen lopen vanaf het aanslagjaar volgend op dat waarin de Administratie haar nieuwe standpunt en haar intentie tot rechtzetting duidelijk kenbaar maakte.12 Een wetswijziging kan rechtvaardigen dat de fiscus een vorig akkoord opzegt.

Zo was het Hof van Beroep van Luik van oordeel dat een akkoord tussen de Administratie en een belastingplichtige ophoudt te bestaan of tenminste moet worden herzien, als het een clausule bevat die later onverenigbaar blijkt te zijn met nieuwe wettelijke bepalingen.13

De Administratie kan met terugwerkende kracht terugkomen op een akkoord als het door de belastingplichtige werd verkregen door het opzettelijk verzwijgen van bepaalde gegevens. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld ook als de belastingplichtige een akkoord had verkregen voor de aftrek van beroepskosten terwijl hij had achtergehouden dat deze kosten hem werden terug-betaald door zijn werkgever.14 Het gaat uiteindelijk louter om een toepassing van de theorie van het gebrek aan toestemming.

De Administratie is ook van mening dat ze met terugwerkende kracht kan terugkomen op een akkoord na een verandering in de voorwaarden voor het uitoefenen van het beroep. De mogelijkheid om met terugwerkende kracht terug te komen op een dergelijk akkoord is uiterst betwistbaar.15

Heel vaak gebeurt het opzeggen van een akkoord op initiatief van de Administratie. De belastingplichtige kan er echter ook een einde aan maken als hij vindt dat het akkoord niet voldoet. Hij moet zich echter hoeden voor onvrijwillige opzegging. Het Hof van Beroep van Brussel heeft inderdaad geoordeeld dat, aangezien de belastingplichtige een akkoord rond de verdeling van de beroepslasten met betrekking tot de transportkosten die hij wilde aftrekken, niet nauwkeurig had toegepast, de Administratie daaruit wettelijk had besloten dat de belastingplichtige zelf het vooraf bestaande akkoord had verbroken en er zich van had bevrijd.16

Enkele toepassingen

Na herinnerd te hebben aan de principes die de individuele akkoorden met de Administratie beheersen, bekijken we hierna enkele toepassingen in de rechtspraak.

1. Regelmatigheid van de facturen en aftrek van de BTW

De materie van de BTW leent zich erg goed tot de toepassing van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De reden hiervoor is eenvoudigweg dat de aangiften van de belastingplichtigen maandelijks of driemaandelijks gebeuren, maar vooral dat ze in ieder geval frequenter zijn dan dat het geval is voor de aangiften van de inkomstenbelastingen. De rechtspraak is dus eerder geneigd de Administratie haar ontoereikende controles te verwijten omdat ze talrijker hadden moeten zijn.

We hebben hiervoor gezien dat het scharnierarrest inzake het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en het recht op rechtszekerheid uitgesproken door het Hof van Cassatie op 27 maart 1992 betrekking had op een handelaar in tweedehandswagens. De aftrek van de BTW die vermeld stond op verschillende facturen werd verworpen omdat ze niet beantwoordden aan alle formaliteiten die opgelegd worden door de BTW-wetgeving, terwijl identieke facturen in het verleden en na controles, wel aanvaard werden.

Het Hof van Beroep van Antwerpen heeft zich in dezelfde zin uitgesproken in een arrest van 18 januari 1994.17

Deze twee zaken moeten worden onderscheiden van de zaak voor de Rechtbank van Eerste Aanleg van Brussel in een vonnis van 7 maart 1996.18 De belastingplichtige riep ook een schending in van het recht op rechtszekerheid, maar dit argument werd verworpen door de Rechtbank. De belastingplichtige had niet kunnen aantonen dat de Administratie in het verleden de aftrek van identieke facturen reeds had toegestaan. Bovendien, en dit kon niet anders dan de Rechtbank negatief beïnvloeden, was de belastingplichtige er zelfs niet in geslaagd om aan te tonen dat de afgetrokken BTW betrekking had op effectief uitgevoerde leveringen...

In een andere zaak had de belastingplichtige gedurende tien jaar, en ondanks talloze controles van de BTW-administratie de helft van de verzendingskosten uitgesloten uit de maatstaf van heffing voor de BTW. Het Hof van Beroep van Antwerpen was van oordeel dat de verzendingskosten wel degelijk deel uitmaakten van de maatstaf van heffing, maar heeft de regularisatie die werd doorgevoerd door de Administratie niettemin verworpen met als reden dat ze het vertrouwensprincipe had geschonden.19

2. Kostenforfait

Het bestaan en/of het bedrag van de beroepskosten is ook vaak het voorwerp van akkoorden tussen de belastingplichtige en de Administratie. Artikel 50 § 1er W.I.B./1992 voorziet overigens dat de kosten waarvan het bestaan werd aangetoond, maar waarvan het bedrag niet gerechtvaardigd is, forfaitair kunnen worden bepaald in overleg met de Administratie.

Het Hof van Beroep van Brussel heeft aldus kennis genomen van het geval van een handelaar die als beroepskosten een forfaitair bedrag had afgetrokken voor de verliezen die voortvloeiden uit onverkoopbare producten. Het bedrag dat werd afgetrokken, was vastgelegd op een percentage van het omzetcijfer. De Administratie had dit in het verleden altijd aanvaard. Zonder voorafgaande waarschuwing weigerde de fiscus deze forfaitaire aftrek te aanvaarden en eiste hij van de belastingplichtige dat hij het bedrag van het verlies op een precieze manier aantoonde met behulp van bewijsstukken.

Het Hof van Beroep verwierp het standpunt van de fiscus. Aangezien deze laatste in het verleden altijd had aanvaard dat er producten ten belope van een bepaald percentage niet verkoopbaar waren, gaf hij toe dat de belastingplichtige wel degelijk dergelijke verliezen had geleden. De Administratie heeft bovendien toegegeven dat het belang van deze verliezen niet moest worden bewezen aan de hand van facturen of andere bewijsstukken, maar dat ze forfaitair konden worden ingeschat. Aangezien in het verleden de verliezen voor onverkoopbare producten het voorwerp hadden uitgemaakt van een akkoord rond een bepaald percentage van het omzetcijfer, kon worden aanvaard dat een dergelijk procédé ook redelijk was voor de jaren erna.20

Het Hof van Beroep van Luik heeft ook de houding van de Administratie gesanctioneerd die ex abrupto een forfait van beroepslasten had verworpen en had geëist dat er bewijsstukken werden voorgelegd. De motivering voor dit arrest drukt perfect de reden uit waarom dit type van akkoord moet worden nageleefd, omdat anders het risico bestaat dat de belastingplichtige in de val wordt gelokt.

"Overwegende dat de eiser het feit inroept dat er een akkoord werd gesloten met de Administratie voor het vorige boekjaar en dat daar rekening moet mee worden gehouden voor de boekjaren waarvan sprake;
Overwegende dat dit akkoord werd ondertekend op 19/12/1985, na de aangiften van de boekjaren 1984 en 1985 waarin (zoals voor de boekjaren erna) de eiser zijn lasten bepaalde volgens dezelfde percentages;
Overwegende dat de Administratie bovendien deze percentages heeft aanvaard voor de volgende jaren;
Voorts overwegende dat er dan ook rekening moet worden gehouden met het bestaan van een stilzwijgend akkoord zodat de Administratie niet onverwacht van de belastingplichtige mag eisen dat hij op precieze wijze alle bewijsstukken voorlegt van de uitgaven die gedurende verschillende jaren zonder discussie werden aanvaard;
Dat ze zich in dat geval soepeler mag opstellen in de bewijslast die wordt opgelegd aan de belastingplichtige;
Dat ze in deze zaak, door ex abrupto een forfait in de plaats te stellen van de opgeëiste lasten met als motivering dat de voorgelegde documenten geen bewijskracht hebben, het voordien bestaande akkoord heeft geschonden;
Dat, op straffe van de belastingplichtige bloot te stellen aan de bedreiging van een totale rechtsonzekerheid, de Administratie niet zonder reden met terugwerkende kracht mag terugkomen op een uitdrukkelijk of impliciet akkoord. Dat in deze zaak het bestaan van een akkoord resulteert uit de aanvaarding van de genoemde forfaits tijdens het vorige jaar na controle;
Dat anderszins beslissen de belastingplichtige in de val zou lokken, die - zich te goeder trouw baserend op het akkoord met de Administratie - zonder dat er iets verandert eraan zou verzaken om tijdens de volgende boekjaren de bewijsstukken te verzamelen van de beroepsuitgaven die forfaitair werden aanvaard en derhalve machteloos zou staan in het geval van verbreking van het genoemde akkoord met terugwerkende kracht”.21

Het Hof van Beroep van Antwerpen heeft een bijkomende stap gezet in haar arrest van 1 april 199722. Het heeft met name toegegeven dat een akkoord dat de aftrek toestaat van 30% van de bruto bezoldigingen als beroepskosten - een perfect illegaal akkoord tussen de fiscus en een belastingplichtige die van beroep actrice is - niet met terugwerkende kracht kon worden verbroken door de Administratie met als reden dat een dergelijke verbreking een schending zou zijn geweest van het principe van goede administratie en vertrouwen. Het Hof merkt op dat de belastingplichtige na het afsluiten van dit akkoord ervan uit had kunnen gaan dat ze vrij was van de verplichting om bewijsstukken bij te houden van haar beroepsuitgaven. Dit arrest had ook nog de verdienste dat het duidelijk uitwees dat in het geval van conflict tussen het grondwettelijke principe van wettelijkheid en het principe van vertrouwen, dit laatste de bovenhand moet krijgen.23

3. Basis en ritme van de afschrijvingen

De herziening door de Administratie van de basis of het ritme van de afschrijvingen kan ernstige gevolgen hebben. Artikel 361 W.I.B./1992 is daar niet vreemd aan. In dit artikel staat: "Wanneer bij het onderzoek van de boekhouding over een bepaald belastbaar tijdperk onderwaarderingen van activa... worden vastgesteld, worden deze als winst van dat belastbaar tijdperk aangemerkt, zelfs indien ze blijken uit de boekhouding betreffende vorige belastbare tijdperken, tenzij de belastingplichtige bewijst dat ermee rekening is gehouden bij het bepalen van het resultaten van deze laatste tijdperken".

Men mag echter niet besluiten dat de wetgever op deze manier aan de Administratie zijn nihil obstat heeft gegeven om zonder beperking in de tijd terug te komen op afschrijvingen die ze plots te overdreven zou vinden. Ter bevestiging van de voorbereidende werkzaamheden van de wet, heeft het Hof van Cassatie in dit verband geoordeeld dat deze wettelijke bepaling enkel van toepassing was
"onder voorbehoud van het feit dat de Administratie niet meer mag terugkomen op schattingen die gebeurden in overeenstemming met regels of criteria die ze eerder met kennis van zaken heeft toegestaan, noch op een akkoord rond de schattingsregels die ze heeft gesloten 24".

Het Hof van Beroep van Bergen heeft de door het Hof van Cassatie toegestane voorbehoud exact toegepast in een zaak waarin een belastingplichtige gebouwen had verworven die hij gedurende verschillende jaren had afgeschreven. Ondanks controles van de Administratie had hij het totale bedrag van hun kostprijs afgeschreven, met inbegrip van het terrein. Het Hof wijst de rechtzetting door de Administratie af na voor recht te hebben gesteld dat
"... de eiseres er tot besluit op wijst dat de onderschatting van de activa, die haar op dit ogenblik wordt verweten door de Administratie, blijkt uit de rekeningen en de afschrijvingstabellen die volgens de regels werden opgesteld in de loop van de vorige jaren en die allemaal ge-controleerd werden door de bevoegde fiscale diensten die ertoe gehouden zijn de controle van de afschrijvingen uit te voeren in navolging van de zeer strikte instructies die vermeld worden in Com. I.B. (44/332 en v.).
Overwegende dat de eiseres zonder hierop tegengesproken te worden en met reden inbrengt dat alle elementen die toelaten de huidige onregelmatigheid aan te tonen, gekend waren door de Administratie van bij het begin, d.w.z. sinds de verwerving van de betwiste gebouwen, zodat de rechtzetting had kunnen worden doorgevoerd vanaf dat ogenblik, zonder de veel duurdere gevolgen die de huidige betwiste rechtzetting heeft;
Overwegende dat men in dergelijke omstandigheden, terwijl de Administratie, door haar verschillende controles in het verleden moest ingrijpen en perfect op de hoogte was, moet oordelen dat het niet gefundeerd is om voor de bepaling van de belastbare basis van het betwiste boekjaar, de afschrijvingen die de eiseres heeft gedaan in de loop van de vorige boekjaren en die toegestaan zijn door de voornoemde Administratie, toe te voegen als winst van deze belastbare periode.25"

Dit arrest kan in verband worden gebracht met datgene dat werd uitgesproken op 21 oktober 1997 door het Hof van Beroep van Antwerpen26 dat, in vergelijkbare feitelijke omstandigheden de belasting van de verduisterde reserves toeliet. Er is echter een essentieel element dat deze zaak onderscheidt van het vorige. In de feiten die voor het Hof van Antwerpen werden gebracht, wees niets erop dat de Administratie in het verleden het systeem van de afschrijvingen en de basis ervan had onderzocht.

De kwestie van het ritme van de afschrijvingen was ook het voorwerp van een interessant arrest van het Hof van Beroep van Brussel.27 In deze zaak had de Administratie op de pas verworven activa van een transportmaatschappij een afschrijvingspercentage toegepast dat lager lag dan dat wat in het verleden zonder verzet werd toegepast op gelijkaardige activa. Het Hof wijst de rechtzetting van de Administratie af met als motivering met name dat "de Administratie de levensduur van bepaalde activa slechts anders mag inschatten dan in het verleden als ze de belastingplichtige daar vooraf van op de hoogte brengt; dat anders de Administratie een constant gebruik schendt dat gelijkgesteld kan worden met een formeel akkoord, met betrekking tot de levensduur van bepaalde activa, waarmee ze heeft ingestemd en die gedurende jaren geldig was; dat ze in dit verband de belastingplichtige in zijn legitieme verwachtingen benadeelt".

Het Hof lijkt er echter niet tegen gekant te zijn dat de Administratie, voor de toekomst, haar akkoord over de afschrijvingspercentages herziet. Ze zal er in deze omstandigheden echter op moeten toezien dat ze de redenen waarvoor ze afwijkt van de eerder aanvaarde percentages zorgvuldig motiveert.

De procedure van de ruling

Alle akkoorden waarvan hierboven sprake zouden kunnen worden gekenmerkt als "niet-georganiseerd" in die zin dat geen enkele specifieke wettelijke bepaling hun gevolgen bepaalt. Het is de rechtspraak die geval per geval de toepasselijke principes heeft opgesteld.

Naast deze akkoorden heeft de wetgever in 1991 een specifieke procedure ingevoerd die het mogelijk maakt een voorafgaand akkoord te verkrijgen van een tot dit doel opgerichte commissie. De commissie mag echter enkel aangesproken worden voor een bepaald aantal kwesties die strikt bij wet beperkt zijn. Bij wijze van voorbeeld is het mogelijk de commissie te ondervragen over de kwestie of een fusie, een splitsing of een juridische kwalificatie voor de toepassing van artikel 344 § W.I.B./1992 of van de vergelijkbare bepalingen inzake registratie- en successie-rechten, beantwoordt aan legitieme noden van financiële of economische aard.

De waarde van het akkoord is hier voorzien door de wet. Het is "aan de administratie... tegenstelbaar en bindt haar voor de toekomst, wanner één van de hierboven vermelde verrichtingen haar te goeder trouw werden voorgelegd vòòr de verwezenlijking ervan.

De administratie is niet gebonden door dit akkoord :

  • indien blijkt dat de verrichtingen onvolledig of onjuist werden beschreven door de belastingplichtige;
  • indien ze niet werden verwezenlijkt op de wijze omsch-reven door de belastingplichtige.

De administratie houdt op gebonden te zijn door dit akkoord, wanneer de gevolgen van de verrichtingen gewijzigd zijn door één of meer andere daarop volgende verrichtingen waaruit blijkt dat de verrichtingen waarover het akkoord werd gegeven niet meer voldoen aan de gestelde woorwaarden (waarop het akkoord betrekking had)".(28)

De procedure van de ruling die tot op heden een eerder matig succes kende, zou in de nabije toekomst een belangrijke ontwikkeling kunnen kennen; op 18 december 1998 ging de Ministerraad akkoord met een voorontwerp van wet, volgens het persbericht met name met het oog op : "de specifieke bevoegdheden van de Commissie voor voorafgaande fiscale akkoorden aan te passen. Dit gebeurt om de oprichting van een administratieve cel mogelijk te maken. Deze cel is bevoegd om vooraf beslissingen te nemen m.b.t. de fiscale gevolgen van mogelijke investeringen in België."

Het idee lijkt de bevoegdheden van de commissie gevoelig uit te breiden en de investeerders een fiscale zekerheid te geven die tot op heden volledig onbestaand was tot bij de eerste controle. De bedoeling is ongetwijfeld lovenswaardig. Het zal nog moeten blijken welke precies de vragen zullen zijn die gesteld kunnen worden. Bij wijze van voorbeeld zal elk bedrijf het op prijs stellen om voor een investering met de Administratie te kunnen overleggen over het ritme van de afschrijving ervan. Als dergelijke akkoorden mogelijk zouden worden, zouden ze een aantal bedrijven fiscale hoofdbrekens kunnen besparen.

-----------------------------------------------------


1. Voor meer details zie met name X. Parent, Les accords: transactions, accords individuels et ruling, Act. Dr., 1993, 353 en v.; W. Defoor, De bewijskracht van de aangifte en de akkoordverklaring van de belastingplichtige of zijn volmachtdragen, in Fiscaal Praktijkboek 96-97, Directe belastingen, p. 95.
2. Bergen, 4 april 1997, F.J.F., nr. 90/192 bevestigd door Cass., 11 mei 1998, Cour. Fisc., 1998, 360.
3. Antwerpen, 28 januari 1997, F.J.F., nr. 97/167.
4. Antwerpen, 23 december 1991, F.J.F., nr. 92/63.
5. R.W., 1991-1992, 1466; R.C.J.B., 1995, P. 54 en noot Geelhand, Le principe de la croyance légitime en droit administratif et en droit fiscal.
6. J.L.M.B., 1998, 102.
7. Cour. Fisc. 1998, 360.
8. Luik, 6 maart 1991, F.J.F., nr. 91/83; Luik, 20 maart 1991, Bull. Contr., 1992, nr. 721, 2836.
9. Antwerpen, 4 maart 1993, Bull. Contr., 1995, nr. 749, 1195; Brussel, 16 februari 1995, F.J.F., nr. 95/213.
10. Gent, 22 februari 1996, F.J.F., nr. 96/153.
11. Brussel, 13 oktober 1992, F.J.F., nr. 93/31; Antwerpen, 26 mei 1998, F.J.F., nr. 98/190.
12. Antwerpen, 16 december 1991, F.J.F., nr. 92/52; Bergen, 3 januari 1997, F.J.F., nr. 98/134.
13. Luik, 14 november 1997, F.J.F., nr. 98/13.
14. Brussel, 19 maart 1991, F.J.F., nr. 91/100; Luik, 8 maart 1996, F.J.F., nr. 96/151.
15. X. Parent, op. cit. 360.
16. Brussel, 15 mei 1992, Bull. Contr., 1995, nr. 745, 69.
17. F.J.F., nr. 94/126.
18. Cour. Fisc., 1996, 391 en v.
19. Antwerpen, 4 november 1996, R.G.F., 1997, 146 en noot B. Peeters.
20. Brussel, 20 maart 1998, Cour. Fisc., 1998, 249.
21. Luik, 4 mei 1994, F.J.F., nr. 95/10.
22. F.J.F., nr. 97/152.
23. Vergelijken met Gent, 18 april 1995, Cour. Fisc., 1996, 413 dat een conservatiever standpunt inneemt en oordeelt dat als een in het verleden gesloten akkoord strijdig is met de wet, de belastingplichtige niet mag beweren dat hij er terecht van overtuigd was dat de Administratie dit akkoord ook in de toekomst zou toepassen.
24. Cass. 2 februari 1990, Pas., 1990, I, 651.
25. Bergen, 18 april 1997, F.J.F., nr. 97/199.
26. F.J.F., nr. 98/17.
27. Brussel, 15 september 1994, R.G.F., 1995, 69 en noot F. Saussoy.
28. Art. 345 § 2 en 3 W.I.B./1992; art. 18 § 3 en 4 W.Reg.; art. 106 § 2 W.Succ.

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00