Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 46 - 15.01.99 - De afschrijving van een goed bij de vervreemding ervan

Editie nr 46 van 15 januari 1999

De afschrijving van een goed bij de vervreemding ervan

    Auteur:
    Marie-Paule Hansenne
    Advocaat aan de Balie van Luik, Loeff Claeys Verbeke

De recente rechtspraak van de Hoven van Beroep van Luik en Antwerpen heeft, het tot hiertoe nooit tegengesproken principe, dat in het jaar dat een actief vervreemd wordt, er geen afschrijving op uitgevoerd mag worden, opnieuw in vraag gesteld.

De feiten die werden voorgelegd aan de Hoven van Beroep hadden wel een gemeenschappelijk punt : de afschrijving werd gevorderd door een belastingplichtige die zijn activiteiten had stopgezet en die, in de loop van de belastbare periode, de totaliteit van zijn goederen had overgedragen aan een vennootschap.

Mag een goed worden afgeschreven tijdens het jaar van de overdracht ervan, ongeacht de omstandigheden waarin de vervreemding zich voordoet ?

In dit artikel wordt getracht een antwoord te geven op deze vraag.

In het boekhoudrecht wordt de materie van de afschrijvingen onder andere beheerst door de principes van de voorzichtigheid, de eerlijkheid en de goede trouw (art. 19-1, KB van 8/10/1976 met betrekking tot de jaarrekeningen van de ondernemingen).

Artikel 12 van het KB preciseert overigens dat onder afschrijving "men de bedragen verstaat ten laste van de resultatenrekening genomen, met betrekking tot oprichtingskosten en tot immateriŽle en materiŽle vaste activa waarvan de gebruiksduur beperkt is, teneinde hetzij het bedrag van deze oprichtingskosten en van de eventueel geherwaardeerde aanschaffingskosten van deze vaste activa te spreiden over hun waarschijnlijke nuttigheids - of gebruiksduur, hetzij deze kosten ten laste te nemen op het ogenblik waarop ze worden aangegaan (...)".

De afschrijvingen worden dus afgetrokken van de actiefposten waarop ze betrekking hebben.

Artikel 30 van het KB laat een uitzonderlijke afschrijving toe indien het goed buiten gebruik wordt gesteld, teneinde de waardering van het goed te doen overeenstemmen met de waarschijnlijke realisatiewaarde.

Het Wetboek Inkomstenbelastingen bevestigt het principe van de aftrek, als beroepskosten, van de afschrijvingen met betrekking tot de oprichtingskosten en immateriŽle en materiŽle vaste activa met beperkte gebruiksduur (artikel 52 WIB) tot regel.

Volgens artikel 61 WIB "worden de afschrijvingen beschouwd als beroepskosten aangemerkt naar de mate dat ze gegrond zijn op de aanschaffings- of beleggingswaarde en voor zover ze noodzakelijk zijn en samengaan met een waardevermindering die zich in het belastbaar tijdperk werkelijk heeft voorgedaan (...)".

De realiteit van de waardevermindering tijdens de belastbare periode leidt zeer vaak tot eindeloze discussies tussen de Belastingadministratie en de belastingplichtige.

Wat de in de loop van het jaar verworven activa betreft, aanvaardt de Belastingadministratie het principe van de aftrek van een eerste jaarlijkse afschrijving. De Administratie legt dus geen proratering van de afschrijvingsannuÔteit op (Com. IB 61/84).

Als de duur van het boekjaar korter of langer is dan ťťn kalenderjaar, dan moet het bedrag van de afschrijvingsannuÔteit worden verlaagd of verhoogd in verhouding tot de duur van het boekjaar (Com. IB 61/87).

Wat de belastingsplichtigen betreft die geen regelmatige boekhouding voeren en die hun beroepswerkzaamheid in de loop van het jaar aanvangen, legt de Administratie de evenredigheid op van de jaarlijkse afschrijving van de verworven activa (Com. IB 61/88).

In het geval van de vervreemding van een actief in de loop van het boekjaar, weigert de Administratie de afschrijvingsaftrek voor het lopende boekjaar waarvan het afschrijfbare actief buiten gebruik werd gesteld, hetzij door verkoop, inbreng in een maatschappij of vernietiging (Com. IB 61/100).

Een actief dat op 31 december 1998 werd overgedragen, mag dan ook niet het voorwerp uitmaken van een afschrijving voor het jaar 1998 (Parlementaire Vraag nr. 39 van 17 november 1988, Bull. Contr., 1989, nr. 683, p. 1110).

De afwezigheid van afschrijving in het jaar van de vervreemding heeft een rechtstreekse invloed op het bedrag van de eventuele meerwaarde die gerealiseerd wordt op het overgedragen actiefbestanddeel. Als deze meerwaarde onder het verlaagde tarief valt, kan het interessanter zijn om in het jaar van de vervreemding een afschrijving af te trekken die, de tegen het progressieve tarief belastbare basis, normaal progressief belastbaar, verlaagt en om de tegen het verlaagde tarief belastbare in verhouding te verhogen.

Op grond van artikel 44-2į WIB houdt de Administratie, voor de berekening van de meerwaarde, slechts rekening met de afschrijvingen die vroeger waren toegelaten, met name de afschrijvingen die toegestaan zijn tot het einde van de vorige belastbare periode.

Wordt het principe opnieuw in vraag gesteld ?

In een arrest van 24 mei 1995 (FJF 95/153) heeft het Hof van Beroep van Luik de stelling van de fiscus, volgens dewelke men slechts rekening mag houden met de afschrijvingen tot het einde van de vorige belastbare periode, verworpen.

In dit opzicht is het noodzakelijk om de feitelijke omstandigheden die het Hof van Beroep van Luik moest beoordelen, hier samen te vatten. In casu had een belastingplichtige natuurlijke persoon zijn activiteiten als zelfstandige stopgezet op 30 november 1989 en had hij zijn handelszaak ingebracht in een BVBA.

De belastingplichtige had afschrijvingen gedaan voor de periode van 1 januari 1989 tot 30 november 1989 - afschrijvingen die de Administratie had verworpen. Hiervoor moest voor de berekening van de meerwaarde, rekening worden gehouden met de afschrijvingen die waren toegelaten tot het einde van de vorige belastbare periode, d.w.z. tot 31 december 1988. Het Hof van Beroep verwierp de voorwaarden van de fiscus.

Het is de moeite waard om bepaalde overwegingen van het arrest van het Hof van Beroep van Luik te onderstrepen :

"Het is niettemin zeer belangrijk vast te stellen dat in onderhavig geval het boekjaar werd afgesloten op 30 november 1989. Het boekhoudprincipe dat ter zake primeert, is echter dat de afschrijving moet worden uitgevoerd aan het einde van het boekjaar: ze moet dus noodzakelijkerwijs betrekking hebben op de vaste activa die nog in het bezit zijn van de onderneming en aangewend worden voor haar gebruik aan het einde van het betrokken boekjaar, en enkel op deze activa.

De wet op de boekhouding, voorziet net zoals de fiscale wet, slechts afschrijvingen op de goederen die nog in het bezit zijn van de onderneming om middernacht van de laatste dag van het boekjaar. Omgekeerd is het echter zo dat alle vaste activa die op dat ogenblik in het bezit zijn van de onder-neming het voorwerp moeten uitmaken van afschrijvingen."

Het Hof van Beroep van Luik besloot : "Het is dus ten onrechte dat de Administratie geoordeeld heeft dat het hier ging om een gewone afschrijving pro-rata temporis terwijl er werd vastgesteld dat in deze zaak het boekjaar, dat niet overeenstemde met de belastbare periode, eindigde en dat dit niet kon worden onderschat ondergewaardeerd".

Het is dus het stopzetten van de activiteit van de belastingplichtige die leidde tot de overtuiging van het Hof alsook tot de realiteit van de waardevermindering tijdens het verkorte boekjaar.

Het Hof van Beroep van Antwerpen heeft in een arrest van 25 maart 1996 (FJF nr. 96/177) de rechtspraak van het Hof van Beroep van Luik bevestigd.

In deze zaak ging het eveneens om het stopzetten van de activiteit. Een natuurlijke persoon had zijn handelszaak ingebracht in een BVBA die werd opgericht in de maand augustus 1987. De Administratie had de afschrijvingen van 1987 verworpen.

Het Hof van Beroep van Antwerpen onderstreepte dat de afschrijvingen van de belastingplichtige overeenstemden met een werkelijke waardevermindering die vastgesteld werd door de bedrijfsrevisor.

Het Hof onthaalde het beroep van de belastingplichtige op een positieve wijze met de volgende overwegingen :
"Overwegende dat geen enkele wettelijke bepaling voorziet dat de afschrijvingen niet mogen gebeuren in de loop van het jaar van de vervreemding van een goed;
Overwegende dat de bepaling van artikel 45-4į van het WIB duidelijk melding maakt van afschrijving in evenredigheid met de waardevermindering die zich voordeed in het afgelopen jaar, en niet tijdens de voorafgaande jaren;
Overwegende dat de goederen ook in waarde verminderen tijdens het jaar van hun vervreemding (...)."

In twee meer recente arresten behoudt het Hof van Beroep van Antwerpen zijn standpunt (Hof van Beroep van Antwerpen, 23 september 1997, FJF 97/286; Hof van Beroep van Antwerpen, 14 oktober 1997, nog niet gepubliceerd). Deze twee arresten hebben opnieuw betrekking op de vervreemding van een afschrijfbaar actief, na het stopzetten van de activiteit.

Conclusie

De Hoven van Beroep van Luik en Antwerpen moesten een uitspraak doen over feitelijk gelijkaardige situaties.

Ingeval van vervreemding van een afschrijfbaar actief-element, als gevolg van de stopzetting van een beroepsactiviteit, kan de belastingplichtige aanspraak maken op de aftrek, als beroepskosten, van de afschrijving berekend tot op de dag van de stopzetting.

Indien de activiteit wordt stopgezet worden de meerwaarden die gerealiseerd worden op materiŽle vaste activa belast aan het verlaagde tarief van 16,5%, ongeacht de vorige periode van het bezit van het goed.

Het tegen progressief tarief belastbaar inkomen wordt verminderd door de tenlastename van de afschrijving en de tegen 16,5% belastbare meerwaarde wordt in verhouding verhoogd, wat in de meeste gevallen een belastingbesparing met zich brengt.

Het Hof van Beroep van Luik wees, nadat het herinnerd had aan het boekhoudkundig principe volgens hetwelk de afschrijving wordt toegepast aan het einde van het boekjaar, op de vervroegde afsluiting van het boekjaar.

Het Hof van Beroep van Antwerpen ging nog verder in de toegepaste principes; nadat het bevestigd had dat geen enkele wettelijke regel de afschrijvingen verbiedt in het jaar van de vervreemding van het goed, stelde het Hof vast dat het goed aan waarde kan verliezen in het jaar van vervreemding.

De principes die werden aangevoerd door de Hoven van Beroep van Luik en Antwerpen verschillen, maar leiden tot dezelfde conclusie.

Het arrest van het Hof van Beroep van Luik lijkt meer overeen te stemmen met de boekhoudkundige principes.

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
Navigatie
  • TERUG