Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 88 - 15.12.00 - BTW: begin en einde van de belastingsplicht

Editie nr 88 van 15 december 2000

BTW: begin en einde van de belastingplicht

1. Probleemstelling

Sommige boekhoudspecialisten worden af en toe geconfronteerd met de volgende vragen:

  • vanaf welke datum wordt een persoon, rechtspersoon of natuurlijke persoon, BTW-plichtig?

Dat houdt met name in dat hij:
- houder moet zijn van een identificatienummer;
- verplicht is om een specifieke boekhouding bij te houden;
- de BTW op de eerste installatiekosten kan recupereren (investeringen en andere);

  • vanaf welk ogenblik verliest een persoon, rechtspersoon of natuurlijke persoon, de hoedanigheid van belastingplichtige?

De gevolgen daarvan zijn dat hij:
- zijn BTW-nummer moet laten schrappen?
- ontheven wordt van de boekhoudkundige verplichtingen en van het indienen van de periodieke BTW-aangiften?
- elk recht van aftrek verliest?

2. Begin van de belastingplicht

2.1. Noties

Een persoon verwerft automatisch de hoedanigheid van BTW-plichtige zodra hij:

  • ondubbelzinnige handelingen verricht verrichtingen wenst uit te voeren die onderworpen zijn aan de BTW.

2.2. Eenduidige handelingen verricht die de intentie weergeven om BTW onderworpene te worden.

2.2.1. Noties

Om "eenduidig" te worden genoemd, mogen de verrichte handelingen geen enkele twijfel laten bestaan over de toekomstige activiteit.

In zo’n geval is de belastingplicht automatisch.
Ze is bijgevolg niet gekoppeld aan de toekenning van een identificatienummer door de Administratie.

Indien de bovenstaande voorwaarden niet worden vervuld, is de persoon niet BTW-plichtig.

Enkele uitzonderingen buiten beschouwing gelaten (banken, verzekeringen, toevallige verrichtingen in de nieuwbouw, daarmee gepaard gaande zakelijke rechten, en intracommunautaire leveringen van nieuwe vervoermiddelen), kan niemand de belastingplicht "vrij" kiezen, zelfs indien hij daarbij belang heeft.

2.2.2. Voorbeelden van eenduidige handelingen die op deze intentie wijzen

Eenduidige handelingen die een belastingplicht genereren, zijn:

  • de oprichting van een handelsvennootschap waarvan het doel bestaat uit het leveren van goederen en/of het verstrekken van diensten bedoeld door het BTW-Wetboek.
  • de overname van een handelszaak teneinde de uitbating daarvan te verzekeren.

2.3.Gevolgen van de belastingplicht

Wanneer een persoon de wettelijke voorwaarden van BTW-plichtige/BTW-inner vervult, met recht van aftrek, is hij verplicht om daarvan voorafgaandelijk aangifte te doen, aan het BTW-controlekantoor waartoe hij behoort (formulier 604 A van beginactiviteit - art. 53 BTW-Wetboek).

Vervolgens dient hij alle BTW-verplichtingen na te komen die verbonden zijn met zijn statuut: boekhouding, facturatie, nationale listing van de belastingplichtige klanten, intracommunautaire listing, maandelijkse of driemaandelijkse periodieke aangifte, etc.).

Zodra die persoon BTW-plichtig is, geniet hij echter ook alle rechten die verbonden zijn met die hoedanigheid (BTW-aftrek op de kosten, terugbetaling van de belastingkredieten vastgesteld op de periodieke aangiften, etc.).

Zodoende is de kleinhandelaar in algemene voedingswaren die een winkel laat bouwen, BTW-plichtig, althans vanaf dat ogenblik.
Hij moet geïdentificeerd zijn bij de BTW en, desgevallend, de facturen ontvangen onder het stelsel van verlegging van de heffing bij de medecontractant.
Vanaf dat ogenblik moet hij periodieke aangiften indienen bij de BTW en kan hij zijn beroepskosten aftrekken.
In dat opzicht is het onbelangrijk of er , in afwachting van het bouwen van de installaties, al dan niet een verrichting met het cliënteel bestaat

2.4.Praktische toepassing - INZO-arrest (H.V.J., zaak nr. C-110/94 29 februari 1996)

Een vennootschap doet aan de Belgische BTW-administratie aangifte van haar bedoeling om een activiteit te starten op het vlak van de herbehandeling van niet drinkbaar water.

De Belastingadministratie erkent de hoedanigheid van BTW-plichtige/ BTW-inner, met recht van aftrek.

Vervolgens bestelt die vennootschap een rentabiliteitsstudie voor de geplande activiteit.

De studie kan beschouwd worden als een economische activiteit die recht geeft op aftrek.

Dat is zo, zelfs wanneer die studie tot doel heeft na te gaan in welke mate de geplande activiteit rendabel is.

Behoudens gevallen van fraude of misbruik, kan de hoedanigheid van BTW-plichtige niet ingetrokken worden met terugwerkende kracht, met alle gevolgen op het niveau van de aftrekbaarheid van de BTW.

Dat geldt evenzeer in geval de vennootschap bij het zien van de resultaten van die rentabiliteitsstudie zelfs beslist om niet over te gaan tot de operationele fase en zich in vereffening te stellen, zodat de geplande economische activiteit nooit zal worden uitgevoerd.

3. Einde van de belastingplicht

3.1.Noties

De BTW-plicht stopt doorgaans wanneer de activiteiten die uitgeoefend werden, definitief beëindigd worden.

3.2. Faillissement

Het faillissement van een belastingplichtige maakt niet dat hij die hoedanigheid verliest. De vereffeningsverrichtingen van het faillissement, uitgevoerd door de curator, worden beschouwd als zijnde uitgevoerd door de gefailleerde zelf.
Bijgevolg is de verkoop van goederen afkomstig van de economische activiteit onderworpen aan de BTW, terwijl die van de privé-goederen niet belastbaar blijft.
De belastingplicht van een gefailleerde eindigt normaliter pas bij het afsluitingsvonnis van dat faillissement.
Toch kan de curator de schrapping van het identificatienummer vragen zodra er geen activa meer bestaan die met BTW verkocht kunnen worden (terreinen, oude gebouwen, etc.).

3.3. Gerechtelijk Akkoord

De handelaar die een gerechtelijk akkoord heeft bekomen, blijft eveneens BTW-plichtig.

3.4. Vereffening

De activiteiten met betrekking tot de overdracht van een handelszaak of met betrekking tot de vereffening, van een natuurlijke persoon of van een vennootschap, worden geacht uitgevoerd te worden in het kader van de belastingplicht.

Bijgevolg blijft een kleinhandelaar,die zijn winkel "sluit", belastingplichtig voor de hele duur van de daaropvolgende verrichtingen met betrekking tot de verkoop van de stock, van de investeringsgoederen, etc.
Zelfs wanneer die vereffeningsverrichtingen zeer lang duren, dienen ze uitgevoerd te worden onder het stelsel van de BTW.

Voor rechtspersonen in vereffening kan de schrapping van de BTW-inschrijving echter aangevraagd worden wanneer vaststaat dat die vennootschap geen belastbare verrichtingen meer kan uitvoeren.

3.5. Gevolgen van de handhaving van de BTW-plicht gedurende de vereffeningsverrichtingen

De verplichte handhaving van de hoedanigheid van BTW-plichtige/BTW-inner voor de uitvoering van de vereffeningsverrichtingen heeft meer bepaald tot gevolg dat:

  • het BTW-nummer niet geschrapt kan worden;
  • de BTW-boekhouding bijgehouden dient te worden;
  • de periodieke aangiften moeten ingediend worden;
  • het recht van aftrek blijft bestaan (boekhoudingshonoraria, publicaties in de bijlagen van Het Belgisch Staatsblad, etc.).

3.6. Gevolgen van het verlies van de BTW-plicht na de vereffeningsverrichtingen

Wanneer een persoon stopt BTW-plichtige/BTW-inner te zijn, met recht van aftrek, is deze wettelijk verplicht dat aan te geven aan het BTW-controlekantoor waartoe hij behoort (formulier 604 C van stopzetting van activiteit - art. 53 BTW-Wetboek).

In de regel maken de lichamelijke roerende goederen die deze persoon op dat ogenblik nog zou bezitten (dus na de vereffeningsverrichtingen), en die hij uiteindelijk weigert te verkopen, het voorwerp uit van een onttrekking (art.12, 1e par., 5°, BTW-Wetboek).

Die is, normaliter, belastbaar op de waarde van de onttrokken goederen, die geschat wordt op de datum van de stopzetting van elke economische activiteit, en rekening houdend met hun staat op dat ogenblik (artikel 33, 1°, BTW-Wetboek).

Indien er bijgevolg nog een kasregister, een koelinstallatie, een computer en kantoormeubilair overblijven, die de BTW-plichtige weigert te verkopen, dienen die goederen onderworpen te worden aan de BTW.
De belastbare basis stemt overeen met de prijs die de belastingplichtige had moeten betalen voor de aankoop van die goederen, in hun staat en ouderdom (schatting op de datum van de volledige stopzetting van alle economische activiteit).

Voor de autovoertuigen, wanneer die onderworpen waren aan de beperking van de aftrek tot de helft (artikel 45, paragraaf 2, BTW-Wetboek), stemt de belastbare basis overeen met de helft van de waarde die bepaald werd volgens dezelfde criteria.

Voorbeelden

Op het ogenblik van de stopzetting van zijn economische activiteit is een BTW-plichtige nog in het bezit van een archiefkast en van een wagen.
Rekening houdend met hun staat op dat ogenblik wordt de archiefkast geschat op 1.500BEF en de wagen op 100.000BEF.

Er is een BTW van 21% verschuldigd op de 1.500BEF voor de archiefkast. Voor de wagen bedraagt de belastbare basis 50.000BEF, voor zover die wagen onderworpen was aan de beperking van de aftrek tot de helft, in toepassing van artikel 45, paragraaf 2 van het BTW-Wetboek.

De gebouwen en de onroerende werken zijn onderworpen aan de aftrekherziening, eigen aan de investeringsgoederen (5 jaar, 10 jaar of 15 jaar - art. 9 en 11, van het K.B. nr. 3).

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00