Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 86 - 15.11.00 - Beknopt overzicht van enkele beginselen... euro

Editie nr 86 van 15 november 2000

Beknopt overzicht van enkele juridische beginselen betreffende de invoering van de euro.

    Auteur:
    Albert-Dominique LEJEUNE
    Advocaat Bours & Vennoten

Wegens de omvang en de aard ervan is de invoering van de euro een historische gebeurtenis zonder voorgaande. Het is immers voor het eerst in de geschiedenis dat, op vrijwillige basis en - dient het nog gezegd - geheel democratisch, 300 miljoen mensen uit elf verschillende nationale staten ervoor hebben geopteerd hun nationale munteenheid op te geven en te vervangen door een eenheidsmunt.

Men vergeet het immers nog al te vaak, en de reden daarvoor moet ongetwijfeld worden gezocht in het feit dat wij vóór 1 januari 2002 over geen bankbiljetten of muntstukken zullen beschikken in die eenheidsmunt, maar sinds 1 januari 1999 is de euro de munt van deze elf staten (de zogenaamde deelnemende staten of "IN"-landen) en dus de munt van ons land.

Sinds die datum zijn de nationale munteenheden van die landen, waaronder de Belgische frank, nog louter niet-decimale onderverdelingen van de euro.

Halverwege de overgangsperiode die loopt van 1 januari 1999 tot 1 januari 2002 leek het ons interessant even heel beknopt stil te staan bij enkele juridische begrippen, die elk beoefenaar van een raadgevend beroep met betrekking tot de euro in gedachte moet houden.

1. Het juridisch kader

De invoering van de euro was een operatie van lange adem die door de communautaire autoriteiten op een zeer nauwgezette wijze voorbereid werd.

De eerste aanzet ertoe kan worden gevonden in de oprichting in 1979 van het Europees Monetair Stelsel (EMS), maar het was in 1992, in het Verdrag van Maastricht, dat het principe van de eenheidsmunt werd bevestigd (eerste streepje van artikel B van het Verdrag van Maastricht).

Het juridische kader van de invoering van de euro wordt dus in hoofdzaak bepaald door:

  • Het Verdrag van Rome van 25 maart 1957, zoals gewijzigd door het Verdrag van Maastricht van 7 februari 1992 en meer in het bijzonder door zijn artikel 109;
  • Verordening 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997, die met name de in voege treding van de eenheidsmunt bepaalde op 1 januari 1999;
  • Verordening 974/98 betreffende de invoering van de euro van 3 mei 1998 die in haar artikel 1 de elf deelnemende Lid-Staten heeft vastgelegd, zijnde: België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Finland;
  • De Belgische wet van 30 oktober 1998 betreffende de Euro (hierna de Eurowet) en de talrijke uitvoeringsbesluiten ervan;
  • De beslissing van de raad van de ministers van financiën van 31 december 1998 krachtens welke de omrekeningskoersen van de nationale munten onherroepelijk als volgt werden vastgelegd:

    1 EUR (euro) =
    Munt financiële afkorting omrekeningskoers
    Belgische frank BEF 40,3399
    Duitse mark DEM 1,95583
    Spaanse peseta ESP 166,386
    Franse frank FRF 6,55957
    Ierse pond IEP 0,787564
    Italiaanse lire ITL 1936,27
    Luxemburgse frank LUF 40,3399
    Nederlandse gulden NLG 2,20371
    Oostenrijkse shilling ATS 13,7603
    Portugese escudo PTE 200,482
    Finse mark FIM 5,94573

    2. "Geen verplichting, geen verbod" of het "no compulsion principle"

    Uit dit zogenaamde "GEEN-GEEN"-principe, vervat in artikel 8, § 1 van Verordening 974/98 blijkt dat tijdens de overgangsperiode elke persoon die in een deelnemend land (IN-land) verblijft, vrij de euro mag gebruiken, zonder dat hij daartoe echter kan worden verplicht.

    Dit principe volgt natuurlijk uit het feit dat tot 1 januari 2002 de euro enkel in girale vorm zal bestaan en het de onderdanen van de deelnemende lidstaten dus vrij zal staan hun natio-nale munteenheden te blijven gebruiken als niet-decimale onderverdeling van de euro, die tijdens de overgangsperiode de chartale uitdrukking van de euro zullen vormen.

    Op dit principe geldt één belangrijke uitzondering die vervat is in artikel 8, § 3 van deze Verordening en heeft betrekking op de betalingen via een bankrekening. Deze betalingen mogen nl altijd in euro gebeuren, zelfs zonder het akkoord van de schuldeiser.

    Dit betekent dus dat de debiteur niet het akkoord van zijn schuldeiser nodig heeft om een betaling in euro te verrichten, zelfs indien de schuld in een nationale munteenheid wordt uitgedrukt. Bijgevolg zal een Belg de in lire opgestelde factuur van zijn Italiaanse leverancier in euro kunnen betalen. In feite zal deze uitzondering voor de Italiaanse leverancier geen enkele praktische moeilijkheid opleveren aangezien de storting in euro van zijn Belgische klant door zijn bankier kan worden omgezet in lire , en dat normalerwijs zonder wisselkosten.

    3. Het principe van de continuiteit van de contracten

    Uit dit principe dat wordt bevestigd door artikel 3 van Verordening 1103/97, volgt dat behoudens andersluidende overeenkomst tussen de partijen, de invoering van de euro geen enkele weerslag zal hebben op de lopende contracten die werden opgesteld in de munteenheid van een deelnemende lidstaat, afgezien van de verandering van de referentiemunteenheid.

    Dit betekent dus dat de contracterende partijen de verandering van munteenheid niet als argument kunnen gebruiken om de opzegging, de opschorting of de wijziging van dat contract te vragen.

    Deze situatie is echter verre van louter theoretisch; denken wij bijvoorbeeld aan de lener die wegens de zwakte van de munt van de staat waarin het contract werd afgesloten, een lening heeft aangegaan tegen een hogere vaste rentevoet, terwijl de rentevoeten die worden toegepast op de leningen in euro waarschijnlijk lager zullen zijn wegens de grotere stabiliteit van die munt.

    In België wordt dit principe nog versterkt door artikel 58 van de Eurowet die aan de Wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument (WHP) een artikel 32-22° toevoegt bepalende dat alle clausules die een verkoper toelaten een overeenkomst te beëindigen of te wijzigen omwille van de invoering van de euro onrechtmatig zijn.

    De invoering van de euro zal evenmin enige weerslag hebben op de contracten die in ecu werden opgesteld, aangezien artikel 2 van Verordening 1103/97 heeft voorzien in een pariteitsbeginsel volgens hetwelk 1 ecu = 1 euro.

    4. Het vennootschapsrecht

    De invoering van de euro heeft als dusdanig geen rechtstreekse weerslag op het vennootschapsrecht. Het blijft echter een feit dat het in euro uitgedrukte maatschappelijk kapitaal van het merendeel van de Belgische vennootschappen een uiterst onpraktisch cijfer dreigt op te leveren.

    Zo is het minimum maatschappelijk kapitaal van een naamloze vennootschap naar Belgisch recht, zijnde 2.500.000 BEF, bijvoorbeeld gelijk aan 61.973,38 EUR. Indien het kapitaal wordt vertegenwoordigd door 500 aandelen van 5.000 BEF, zouden diezelfde aandelen 123,95 EUR waard zijn.

    Wel is het zo dat geen enkele bepaling van de Vennootschapswet oplegt dat het maatschappelijk kapitaal moet overeenstemmen met een getal zonder decimalen, zelfs al wil het gebruik dat men, gemakkelijkheidshalve, zijn toevlucht neemt tot ronde getallen. Het is echter meer dan waarschijnlijk dat de overgrote meerderheid van de vennootschappen hun kapitaal zullen willen wijzigen om het aan te passen aan het gebruik van de euro.

    Dat is de reden waarom de artikelen 47 tot 54 van de Eurowet voorzien in een vereenvoudigde procedure, die afwijkt van de gebruikelijke regels inzake kapitaalverhoging teneinde "de afronding" van het maatschappelijk kapitaal mogelijk te maken.

    Vergeten wij immers niet dat de wetgever er altijd heeft naar gestreefd de onaantastbaarheid te garanderen van het maatschappelijk kapitaal, dat het pand vormt voor de schuldeisers van de vennootschap. Daarom werd de wijziging van het maatschappelijk kapitaal onderworpen aan strikte regels. Tot de wijziging van het kapitaal kan bijgevolg alleen maar worden beslist door een [buitengewone] algemene vergadering waarop ten minste de helft van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigd is, waarbij de beslissing moet worden genomen met een gekwalificeerde drievierde meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Deze algemene vergadering moet voor een notaris worden gehouden, de notulen moeten worden opgesteld in de vorm van een authentieke akte en de akte moet tenslotte worden neergelegd en worden bekendgemaakt in de Bijlagen tot het Belgisch Staatsblad.

    Dankzij de vereenvoudigde procedure kan door de algemene vergadering tot de afronding van het maatschappelijk kapitaal worden beslist met gewone meerderheid en bij gewone onderhandse akte. Het is dus volkomen mogelijk over te gaan tot "de afronding" van het kapitaal tijdens de jaarlijkse gewone algemene vergadering.

    Wij kunnen de bestuurders van vennootschappen die van deze mogelijkheid nog geen gebruik hebben gemaakt, bijgevolg alleen maar aanraden dat punt op de agenda te plaatsen van de gewone algemene vergadering van het jaar 2001.

    De bekendmaking in het Belgisch Staatsblad is trouwens kosteloos.

    Deze procedure is echter onderworpen aan een aantal voorwaarden:

  • zij geldt enkel voor de naamloze vennootschappen, de BVBA’s, de commanditaire vennootschappen op aandelen en de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid;
  • zij kan maar plaatshebben tijdens de overgangsperiode (dus vóór 31 december 2001) en er zal maar eenmaal gebruik van kunnen worden gemaakt;
  • de kapitaalverhoging zal maar kunnen gebeuren door incorporatie van reserves, van uitgiftepremies, van herwaarderingsmeerwaarden of van overgedragen winst en dus zonder nieuwe inbreng van buiten;
  • de kapitaalverhoging mag niet groter zijn dan 1.000 euro of ten hoogste 4% van het bedrag van het geplaatst kapitaal vóór de kapitaalverhoging.

    Indien het kapitaal van de vennootschap 2.500.000 BEF bedraagt (d.i. 61.973,38 EUR) zal het dus kunnen worden afgerond op 62.000 of 62.500 EUR (eerste beperking). Bedraagt het maatschappelijk kapitaal 1.500.000.000 BEF (d.i. 37.184.028,72 EUR), dan zal het afgeronde maximum 38.000.000 of 38.500.000 bedragen (tweede beperking).

    Tot besluit dient te worden opgemerkt, dat de indiening van een gecoördineerde versie van de statuten en de registratie van de akte, en dus de betaling van het registratierecht van 0,5% op het bedrag van de kapitaalverhoging, verplicht blijven.

    5. Het distributiecontract

    Deze kwestie die al heel wat inkt heeft doen vloeien, brengt in feite geen grote moeilijkheden met zich mee. Het volstaat te onthouden dat artikel 55 van de Eurowet voorziet in het principe dat de Belgische frank tijdens de hele overgangsperiode de voorrang heeft. Dit betekent dus dat tijdens deze periode de prijzen in alle gevallen ten minste zullen moeten worden uitgedrukt in Belgische frank. De dubbele prijsaanduiding (in BEF en in EUR) zal dus louter aanvullend zijn, en dus niet verplicht. Ingeval deze dubbele prijsaanduiding wordt gebruikt, zullen de prijsaanduidingen in BEF en in EURO moeten gebeuren op een manier die het mogelijk maakt beiden duidelijk van elkaar te onderscheiden (door bijvoorbeeld twee verschillende kleuren te gebruiken).

    6. De gevolgen op het vlak van de belastingen, de sociale zekrheid en het arbeidsrecht

    Wij zullen ons hier ertoe beperken eraan te herinneren dat overeenkomstig de artikelen 9 en volgende van de Eurowet het de particulieren en de ondernemingen tijdens de hele overgangsperiode vrij staat hun belastingaangiften of hun sociale documenten in te vullen in Belgische frank of in euro. De keuze voor toepassing van de euro kan echter achteraf niet meer worden herroepen.

    De betrekkingen tussen werkgever en werknemer resulteren uit een gemeenschappelijke aanbeveling van de Nationale Arbeidsraad en van de Centrale raad voor het Bedrijfsleven volgens welke dat:

  • wanneer de loonfiches in euro worden opgemaakt: de bedragen van het bruto- en nettoloon eveneens in Belgische frank moeten worden vermeld;
  • de bedragen die voorkomen op het document dat aan de werknemer wordt bezorgd met het oog op het invullen van zijn belastingaangifte (fiche 281.10) ten minste in Belgische frank moeten zijn uitgedrukt;
  • de omrekeningskoersen tussen de euro en de Belgische frank moeten worden vermeld in elk document inzake de sociale zekerheid, dat aan de werknemer wordt bezorgd.

    7. Burgerrechtelijke procedure

    Tijdens de overgangsperiode

    De rechtsvordering moet in principe worden uitgedrukt in de munteenheid van het rechtsinstrument (contract, factuur, …) waarop de verplichting is gebaseerd.

    Op voorwaarde dat dit rechtsinstrument in de munt van een van de elf deelnemende lidstaten wordt opgesteld, is er echter niets op tegen dat de rechtsvordering in euro gebeurt. Dergelijke vordering zou in geen geval als onontvankelijk kunnen worden beschouwd.

    Overeenkomstig het "GEEN-GEEN"-principe zal de verweerder daarentegen echter altijd aan de rechtbank kunnen vragen dat het vonnis in de munteenheid luidt van het omstreden rechtsinstrument. In de veronderstelling van een verstek, wat volgens het Belgische recht een manier is om de rechtsvordering te betwisten (de verweerder die niet ter zitting verschijnt wordt geacht de eis te betwisten), zal de rechtbank normalerwijs van ambtswege zijn veroordeling moeten opstellen in de munteenheid van het rechtsinstrument waarop de verplichting is gebaseerd.

    In de andere gevallen zal de rechtbank, nog altijd overeenkomstig het "GEEN-GEEN"-principe, de keuze van de partijen moeten in acht nemen en zijn vonnis uitspreken in de door hen gekozen munteenheid.

    Dezelfde regels zullen in principe ook gelden voor de vaststelling van de kosten en uitgaven.

    De tenuitvoerlegging van het vonnis zal echter moeten gebeuren in de munt van de beslissing.

    na 1 januari 2002

    Elke rechtsvordering zal moeten gebeuren in euro, zelfs indien het rechtsinstrument waarop de verplichting is gebaseerd, nog altijd in een nationale munteenheid wordt uitgedrukt.

    De eiser zal dus eventueel zijn eis in EURO moeten "herformuleren", met inachtneming van de omrekenings- en afrondingsregels, zoniet zal dat van ambtswege door de rechtbank worden gedaan.

    Elk vonnis dat wordt uitgesproken na 1 januari 2002 zal noodzakelijkerwijs in euro luiden (ook wat de uitgaven betreft) en dat zelfs indien de hele procedure werd gevoerd met referte aan de vroegere nationale munteenheden.

    Daarbij zal de rechter eveneens de omrekenings- en afrondingsregels moeten in acht nemen.

    De tenuitvoerlegging tenslotte zal eveneens alleen maar in euro kunnen gebeuren, zelfs indien het veroordelingen betreft die vóór 1 januari 2002 werden uitgesproken in nationale munteenheden.

    In dat geval zal de "herformulering" ongetwijfeld doorgaans gebeuren door de gerechtsdeurwaarder en de eventuele betwistingen die daaruit voortvloeien, zullen ressorteren onder de bevoegdheid van de beslagrechter.

    8. Conclusie

    Twintig maanden na de invoering van de "girale" euro is het geoorloofd een positieve balans op te stellen, hoewel eenmaal gedaan nog geen gewoonte is.

    Hoewel de aanmaak en vooral de verzending van de vereiste hoeveelheden muntstukken en bankbiljetten (de euro zal maar liefst 8 muntstukken en 7 bankbiljetten tellen) vóór de beslissende datum van 1 januari 2002 voor enorme logistieke problemen zorgt en hoewel de verdwijning van de nationale munten voor niet te verwaarlozen psychologische problemen dreigt te zorgen bij de onderdanen van de deelnemende lidstaten, die zich beroofd zullen zien van een van hun belangrijkste referentiemodellen, zouden de juridische problemen van hun kant uiterst beperkt moeten zijn.

    De verdienste daarvoor komt toe aan de communautaire en nationale wetgevers die voor de invoering een wetgevend kader hebben gecreëerd, dat een maximale juridische veiligheid beoogt.

    Het valt te hopen dat deze optimistische constatering de komende maanden zal worden bevestigd.

    ***

    Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
  • Navigatie
    • TERUG