Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 85 - 31.10.00 - Bijkomende kosten i.v.m. gronden

Editie nr. 85 van 31 oktober 2000

Bijkomende kosten i.v.m. gronden: het boekhoudrecht zegeviert

    Auteur:
    José HAUSTRAETE
    Lid Nationale Raad B.I.B.F.

Reeds voordat de eerste rechtspraak, volgend op de invoering van de boekhoudwet, het leven zag, verdedigden wij in de B.I.B.F.-documentatie(1) de stelling dat de notariskosten als minderwaarde aftrekbaar moesten zijn.

In Pacioli(2) brachten wij onze commentaar bij het eerste positieve arrest (Antwerpen 14 oktober 1997), dat in een korte tijdspanne opgevolgd werd door andere rechtspraak(3). Nog vooraleer het eindoordeel viel in het Hof van Cassatie haalden wij zes principiële argumenten aan en herhaalden wij(4) het standpunt dat het boekhoudrecht primeert boven het fiscaal recht, behoudens als het fiscaal recht hiervan expliciet afwijkt (vb. lineaire afschrijving goodwill), hetgeen reeds eerder bevestigd werd door de hoogste rechtsinstantie in België(5).

Ditzelfde Hof heeft intussen na 17 jaar stilzwijgen(6) en in een zeer korte tijdsspanne reeds drie maal de stelling van de fiscale administratie naast zich neergelegd. In die zin menen wij ook dat de rechtspraak een andere wending neemt: de economische werkelijkheid begint te primeren boven de juridische werkelijkheid. Terzake verscheen in de literatuur een interessante studie vanwege Laurence Pinte(7) waarbij zelfs gesteld wordt dat de Franse wetgeving een verbod opneemt om de bijkomende kosten te activeren.

Wij citeren hierbij enkele kerngedachten vanwege het hoogste gerechtshof: de betrokken notariskosten moeten noodzakelijkerwijze worden gedaan, deze kosten vertegenwoordigen geen reële tegenwaarde, het activeren van deze kosten betekent een vertekend beeld van de vermogenswaarde van de betrokken vennootschap, deze eenmalige kosten zijn dadelijk verloren. Expliciet wordt gesteld: "… nu de belastbare winsten van de ondernemingen worden vastgesteld overeenkomstig de boekhoudkundige regels, tenzij de belastingwet uitdrukkelijk daarvan afwijkt".

Op basis van art. 20, 21 en 28 §3 van het K.B. van 8 oktober 1976 voorzien de boekhoudkundige regels in een correctie op de aanvankelijke waardering van een onbebouwd onroerend goed voor zover die kosten bij het afsluiten van het boekjaar geen waarde meer vertegenwoordigen.

Op basis van de fiscale wet – art. 22,4° WIB (oud) en art. 25 WIB (1992) – kan het bedrag van de registratierechten en aanverwante kosten bij de aankoop van het onroerend goed niet gelijkgesteld worden aan sommen gebruikt tot uitbreiding van de onderneming. Conform de algemene regel van art. 44 WIB (oud) – heden art. 49 WIB (1992) – zijn de betrokken uitgaven te kwalificeren als beroepskost.

Volledigheidshalve melden wij hierbij dat het hoogste Hof negatief oordeelde over een ander betwist punt: het aanleggen van een voorziening voor aanvullende registratierechten, die vastgoedmakelaars eventueel na tien jaar moeten betalen (art. 64 K.B. nr. 64 van 30 november 1939).

Volgens het Hof volgt uit de samenhang van de artikelen 62, 64 en 65 van het betrokken K.B. dat de verkrijger van het onroerend goed geacht moet worden de vervreemding van het onroerend goed na te streven ongeacht de bestemming die de verkrijger bij de aankoop of naderhand aan het goed gegeven heeft zolang hij niet de betaling van het aanvullend recht aanbiedt (in casu onroerende goederen ter verhuur en geboekt als materiele vaste activa).

Belangrijke bedenkingen voor boekhouders-fiscalisten :

1. De hoogste rechtsinstantie bevestigt expliciet dat het boekhoudrecht primeert boven het fiscaal recht: de drie arresten van 22.6.2000 verwijzen uitdrukkelijk naar dit principe, dat tot op heden nog steeds niet in de fiscale wet zelf als dusdanig is opgenomen.

2. De arresten gaan terug naar de jaren 1982, 1983 en 1988. Het betrof zelfs aangiften in de vennootschapsbelasting, waarbij destijds geopteerd werd voor de aanslag in de personenbelasting. In periodes waarin hoge belastingtarieven schering en inslag waren, bleken de gevolgen voor de betrokken belastingplichtigen ook zeer verregaand te zijn. Het zwaard van Damocles hing dus tot 17 jaar boven het hoofd van de betrokken moedige belastingplichtigen.

3. De praktijk wijst uit dat de fiscale administratie blijkbaar in een versneld tempo de bestaande bezwaren systematisch afwijst – zelfs na 22 juni 2000 zodat de betrokken belastingplichtigen naar de rechtbank zullen moeten stappen om recht te bekomen. Dat zal uiteraard veel tijd en geld kosten en bovendien de fiscale rechtbanken extra werk bezorgen. Indien deze politiek verder wordt gezet is dit zeker een laakbare daad van onbehoorlijk bestuur. Dit komt zeker de reeds zwakke vertrouwensindicator van de Belgische fiscaliteit niet ten goede.

4. De bijkomende kosten moeten steeds eerst geboekt worden bij de betrokken kost of investering. Zo laat de boekhoudwet niet toe dat de niet-aftrekbare B.T.W. op personenwagens, stationswagens en minibussen geboekt worden op een rekening 64 "niet-aftrekbare B.T.W." maar wel, en liefst op een tweede lijn, op de rekening "onderhoud personenwagens" zelf.

5. Idem dito voor de bijkomende kosten i.v.m. investeringen, die nooit onmiddellijk in kosten mogen geboekt worden (vb. notariskosten gebouw/grond, ereloon architect, niet-aftrekbare B.T.W.). De fiscale wet laat in artikel 62 W.I.B. toe deze kosten ad libidum af te schrijven m.a.w. zelfs aan 100 %. Dit betekent evenwel niet dat een "100% afschrijven" gelijk zou staan met een "direct in kosten boeken". Ten bewijze hiervan citeren wij dat de 100% afschrijving slechts 75% bedraagt als het boekjaar slechts negen maanden telt.

6. Alhoewel het arrest van 8 juni 2000 de term "afschrijving" gebruikt menen wij dat de juiste boekhoudkundige weg bestaat in het boeken van een waardevermindering.

7. In de praktijk zien wij de boekhoudkundige verwerking van deze aankoopkosten wel in drie verschillende richtingen: een afschrijving, een boeking als kosten en een boeking van een waardevermindering. Boekhoudtechnisch lijkt ons alleen de laatste werkwijze de juiste maar het resultaat is driemaal hetzelfde: de balans vermeldt de nettowaarde van de grond terwijl de aankoopkosten uiteindelijk in de kosten verschijnen.

8. Twee arresten hebben het over twee denkpistes:

    a.het boekhoudrecht (art. 20, 21 en 28,3° K.B. van 8 oktober 1976);
    b.het fiscaal recht (art. 22,4° en 44 WIB (oud)).

9. Op basis van de boekhoudwet impliceert het boeken van een minderwaarde dat achteraf eventueel een terugname van de minderwaarde moet gebeuren (art. 19 K.B. 8.10.1976). Op basis van het fiscaal recht daarentegen zou de terugname niet vereist zijn.

10. Het indienen van een bezwaarschrift is enkel mogelijk indien de termijn van drie maanden (vanaf aanslagjaar 1999) nog niet verstreken is. Nieuwe rechtspraak is immers geen nieuw feit in ons Belgisch fiscaal stelsel (art. 376, §2 WIB). Wij vrezen evenwel dat er alleen een kans tot slagen bestaat indien de betrokken notariskosten wel degelijk als bedrijfslast werden geboekt in de vennootschap. Alhoewel het boeken van een minderwaarde in feite niet gebonden is aan een bepaald jaar, lijkt het ons evident dat de verwerking van de notariskosten gebeurt in het jaar van de boeking als activa.

11. Het vroegere principe van de fiscale administratie nl. "de bijzaak volgt de hoofdzaak" wordt blijkbaar terecht verlaten en maakt plaats voor een hedendaagse benadering via het boekhoudrecht. Gezien in de betrokken arresten niet alleen naar de boekhoudwet maar eveneens naar de fiscale wet wordt verwezen, geeft het ons de indruk dat de aftrek ook logischerwijze mogelijk zou moeten zijn voor onvolledige boekhoudingen en belastingplichtigen, die niet onder de boekhoudwet ressorteren (vb. vrije beroepen). De arresten verwijzen immers naar de algemene omschrijving van het begrip "beroepskosten" in art. 44 WIB (oud), heden art. 49 WIB (1992). Dit artikel geldt inderdaad voor alle belastingplichtigen.

Laten wij de betrokken belastingplichtigen en hun adviseurs feliciteren voor de lange weg, die moest worden afgelegd om een evidentie te bereiken. Het illustreert de noodzaak aan een bedrijfsvriendelijke Belgische fiscaliteit(8) die, in navolging van dit arrest, de economische realiteit weergeeft.

In die zin is de betrokken rechtspraak van het Hof van Cassatie zeker terug een vingerwijzing en een mijlpaal. De aftrekbaarheid van de erelonen voor fiscaal advies was destijds(9) eveneens een vergelijkbare problematiek.

Inzake de aftrekbaarheid van de maaltijdcheques(10) en de huidige belastbaarheid van nooit gerealiseerde stopzettingsmeerwaarden hopen wij eenzelfde evolutie te zullen ervaren.

-------------------

(1) "De boekhouding : fiscaal beleidsinstrument. Editie 1996" José Haustraete p. 41-43.
(2) "Bedrijfslasten: bijkomende kosten en gronden, voorziening voor registratierechten" José Haustraete Pacioli nr. 25, p. 2-4, 28.02.1998 Voor analoge stellingname : zie R. Bogaerts, AFT 2000.1, p. 58-64
(3) Positief : Antwerpen 14.10.1997 – Brussel 14.11.1997 – Antwerpen 8.6.1999 - Brussel 18.6.1999
Negatief : Brussel 2.4.1999 - Gent 16.9.1999
Hof van Cassatie: 8.6.2000 (F.98.0009.N/1) – 22.6.2000 (F.99.0141.N/1) – 22.6.2000 (F.98.0027.N/1) - 22.6.2000 (F.99.9136.N/1)
(4) "Economische werkelijkheid: eenrichtingsverkeer" Financieel Economische Tijd dd. 12 november 1999
(5) Hof van Cassatie 20 februari 1997 F.J.F. nr. 97/526
(6) Het laatste arrest van het Hof van Cassatie dateert van 7 oktober 1982 en betrof in 1976 – nl. vooraleer de boekhoudwet in voege trad – aangekochte gronden.
(7) Journal de Droit Fiscal 1998 p. 321-341
(8) "Toepassing fiscaliteit: efficiëntie van de fiscale administratie, een internationale vergelijking.» The World Economic Forum: de fiscale vertrouwensindicator geeft weer in welke mate het bedrijfsleven vertrouwen heeft in de fiscale politiek van een land. Zij luiden: Verenigd Koninkrijk: 6,5 – Verenigde Staten: 6 – Japan: 5,9 – Nederland: 4,6 – Duitsland: 4,1 – Frankrijk: 3,9 – Italië: 2,7 en België: 2,4.
(9) "Aftrek van erelonen van belastingconsulenten: het Hof van Cassatie oordeelt positief!" José Haustraete, Pacioli nr. 27, p. 3, 31.03.1998 en cass., 4 mei 2000.
(10) Antwerpen 05 februari 2000 (geen cassatie ingediend) en Antwerpen 16 mei 2000 (wel cassatie ingediend).

****

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00