Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 83 - 30.09.00 - Motiveringsplicht van de fiscus

Editie nr. 83 van 30 september 2000

Motiveringsplicht van de fiscus: de eerste stap in de goede richting.

    Auteur:
    José Haustraete ,
    Lid Nationale Raad B.I.B.F.

Vanaf 1 oktober 2000 is de Administratie verplicht te antwoorden op alle opmerkingen van de belastingplichtige bij een aanslag van ambtswege of een wijziging van de aangifte.

De wet in een breder kader

Reeds ter gelegenheid van de parlementaire behandeling van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen werd al spoedig vastgesteld dat deze wet noodzakelijkerwijze zou moeten gecorrigeerd worden.

Gezien er een absolute eis was dat deze wet op korte termijn werd goedgekeurd, was enige aanpassing niet meer mogelijk. Intussen zullen de meeste – wellicht zelfs alle – eerstelijns consulenten vastgesteld hebben dat mijn vrees, aangehaald in de vakliteratuur (1) een harde realiteit is: tal van bezwaarschriften kunnen niet meer ingediend worden omdat de termijn van drie maanden verstreken is op het moment dat men vaststelt dat een aangifte in het verleden foutief werd ingediend.

Via deze weg doen wij beroep op alle collegae, die bereid zouden moeten zijn ons – uiteraard confidentieel - hun casusgevallen terzake te laten kennen ten einde concrete initiatieven te kunnen nemen. Hierbij kan gedacht worden aan :

  • de uitwerking van een ontwerp van wetsvoorstel «houdende bevordering van klantvriendelijke betrekkingen met de administratie van Financiën en de invoering van de hardheidsclausule in het belastingrecht», dat naar Nederlands model zou overgenomen worden (nl. er mag van de fiscale wet afgeweken worden als die wet te hard blijkt te zijn);
  • de uitbreiding van de ambtshalve ontheffing – bezwaartermijn drie jaar – bij het indienen van een onjuiste aangifte (art. 419 WIB)
  • verplichte termijn in de wet bij vragen om informatie bij derden (art. 322 WIB);
  • aanstelling fiscale ombudsmannen, gerekruteerd buiten het Ministerie van Financiën;
  • verplicht bericht van wijziging ook bij het bestaan van verliezen;
  • melding van de bij te betalen belasting reeds op het bericht van wijziging;
  • verantwoording en toelichting van het verschil tussen een aanslagbiljet en de ingediende aangifte;
  • verplichting om een kopie van de beslissing i.v.m. een bezwaarschrift toe te zenden aan de gevolmachtigde.

Ook hier kunnen de beroepsbeoefenaars via hun ervaring nuttig werk verrichten en hun grieven t.o.v. de huidige fiscale procedure laten kennen.

De wet van 30 juni 2000: recht van administratief beroep inzake douane en accijnzen – motiveringsplicht

Via de wet van 30 juni 2000 tot wijziging van de algemene wet inzake douane en accijnzen en van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (B.S. 12 augustus 2000) werd intussen alleen het voorlaatste punt – cfr. cursief getypte tekst hierboven – werkelijkheid: de administratie moet vanaf 1 oktober 2000 uitdrukkelijk, nl. via aangetekend schrijven, vermelden met welke opmerkingen zij – na een bericht van wijziging of een kennisgeving van aanslag van ambtswege – al dan niet rekening heeft gehouden en zij moet ook de motieven, die haar beslissing rechtvaardigen, vermelden. Diezelfde wet behandelt ook het recht van beroep inzake douane en accijnzen.

In het verleden bestond er eigenlijk reeds een wettelijke basis inzake deze motiveringsplicht nl. de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S. 12 september 1991). Op grond van die wet behoort het aan de fiscus om haar beslissingen uitdrukkelijk te motiveren.

Ook de beginselen van behoorlijk bestuur vereisen deze motiveringsplicht. Dit lezen wij althans in de rechtsleer maar in de praktijk was het totaal anders: zeer uitzonderlijk ontving de belastingplichtige een detail waarbij gemeld werd op welke wijze het aanslagbiljet zou worden opgesteld. Een motivering van de niet-aanvaarde argumenten was eigenlijk nooit te zien. In de meeste gevallen stond de belastingplichtige – en vooral zijn adviseur – voor een op te lossen puzzel. Enkel mits voldoende goodwill was de ambtenaar bereid, meestal telefonisch, om het bedrag op het aanslagbiljet nader toe te lichten.

De nieuwe wet is zeker toe te juichen gezien het rechtszekerheid brengt, alhoewel er wellicht reeds een wettelijke basis (wet van 29 juli 1981) en een algemeen rechtsbeginsel (behoorlijk bestuur) bestond. Gezien die verplichting nu in de fiscale wet is opgenomen zal de negatie van deze verplichting leiden tot de nietigheid van de aanslag.

De leden B.I.B.F. kunnen de K.M.O.’s zeker helpen

De aanpassing van de wet werd mede ingegeven door de aanbevelingen van het College van de federale ombudsmannen (Hertogstraat, 43 – 1000 Brussel). Via deze weg doen wij een beroep op de boekhouders B.I.B.F. om de hoger geciteerde punten – die ook gebaseerd zijn op de regels van behoorlijk bestuur – alsmede niet aanvaardbare acties vanwege de fiscale administratie A.O.I.F. aan te klagen. Vooral de korte bezwaartermijn van drie maanden zou naar drie jaar moeten gebracht worden, indien het een vergissing in de aangifte zelf betreft, zowel van de belastingplichtige als van zijn consulent. Hiermee wordt vooral de aangifte in de personenbelasting bedoeld: hoe kan de consulent binnen drie maanden bezwaar indienen als hij niet weet dat er een probleem is of als hij een nieuwe klant heeft waarbij een fout in de vorige aangifte wordt vastgesteld? In de praktijk zal veel meer beroep gedaan worden op de ambtshalve ontheffing (artikel 376 WIB) wegen materiële vergissing. Deze faciliteit is in de meeste gevallen onbestaande. De federale ombudsmannen en het B.I.B.F. kunnen de K.M.O.’s hierbij zeker helpen.

Ter info: in Nederland kan de inspecteur te allen tijde een aanslag rechtzetten in het voordeel van de belastingplichtige, in het Verenigd Koninkrijk beschikt de consulent over zes jaar om verbeteringen aan te brengen en ook in Duitsland zijn er ruime correctiemogelijkheden. Van een bedrijfsvriendelijke wetgeving gesproken …

---------------------

(1) "De fiscale procedure: de eerstelijns consulent versus de advocaat" José Haustraete, A.F.T. 11 – november 1998 p. 407 – 414 en “Korte bezwaartermijn is ramp”, J. Haustraete, F.E.T. 9 april 1999

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
Navigatie
  • TERUG