Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 83 - 30.09.00 - Het financieel plan: wie is verantwoordelijk?

Editie nr. 83 van 30 september 2000

Het financieel plan: wie is verantwoordelijk?

    Auteur:
    José Haustraete ,
    Lid Nationale Raad B.I.B.F.

In de reeks over het financieel plan behandelen we wie de verantwoordelijkheid draagt voor het opstellen van het financieel plan. In Pacioli 87 van 30 november 2000 wordt een praktisch voorbeeld uitgewerkt.

1. De oprichters van de vennootschap

1.1. De verantwoordelijkheid van de oprichters komt in het gedrang indien:

  1. Het faillissement wordt uitgesproken binnen de drie jaar na de oprichting;

    en

  2. Indien het maatschappelijk kapitaal kennelijk ontoereikend is voor de normale uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid over ten minste twee jaar. De noties "ontoereikend kapitaal" en "normale uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid" zijn normen waarover de rechtbank een oordeel moet vellen!

Het komt toe aan de rechter om de verhouding te bepalen binnen dewelke de oprichters aansprakelijk kunnen gesteld worden in geval van faillissement. Het criterium dat hij hierbij dient te hanteren is dit van een normaal vooruitziende en plichtsbewuste oprichter. De rechter dient bij zijn beoordeling rekening te houden met hetgeen de oprichters op dat ogenblik wisten of behoorden te weten en met hun redelijke verwachtingen.
Vervolgens dient de rechter het bedrag van het kapitaal te beoordelen in functie van de werkelijk voorgenomen bedrijvigheid.

Ter verduidelijking volgende uitspraken:

- "Wanneer de ramingen van de verschillende posten in het financieel plan m.b.t. de inkomsten en de uitgaven irrealistisch en onnauwkeurig zijn, schept dit wel een vermoeden dat het startkapitaal ontoereikend was" (Kh. Charleroi, 7 februari 1990).

- "Indien blijkt dat in het financieel plan de raming van de kosten onderschat werd en de raming van de omzet overschat, zodat het startkapitaal evenals de andere financieringsbronnen manifest ontoereikend waren voor de geplande bedrijfsvoering gedurende twee jaar, dan kunnen de oprichters aansprakelijk gesteld worden" (Bergen, 13 september 1990, Kh. Brussel, 14 maart 1989).

- "Het financieel plan is de weergave van de financiële middelen waarover de vennootschap zal beschikken voor de normale uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid gedurende ten minste 2 jaar. Het financieel plan is daarentegen geen financiële norm voor deze bedrijvigheid. Wanneer de bedrijvigheid van de vennootschap, door het gevoerde bestuur, hoger blijkt te liggen dan wat werd voorzien in het financieel plan, zijn de oprichters niet aansprakelijk voor het uit de hand lopen van de aanvankelijke prognose. De oprichters hebben geen resultaatsverbintenis tot naleving van het financieel plan" (Gent, 5 oktober 1994).

- "De beoordeling van het kennelijk ontoereikend aanvangkapitaal: zin en onzin van het financieel plan" (T.B.H. 1996, 210)

- "Het kapitaal bedoeld bij artikel 123, 7° Vennootschappenwet omvat het statutair kapitaal, maar ook de andere beschikbare middelen. Het door de wetgever opgelegde financieel plan moet blijk geven van het kapitaal van de vennootschap. Om het begrip "kennelijk ontoereikend kapitaal" te beoordelen, moet de rechter zich terugplaatsen op het tijdstip waarop de vennootschap werd opgericht en het criterium hanteren van een normaal voorzichtige en gewetensvolle oprichter. De oprichters zijn hoofdelijk aansprakelijk. De rechter beschikt over een beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de verhouding waarin hij hen het passief ten laste legt. Hij kan meer bepaald rekening houden met de voorschotten die zij zouden hebben toegestaan aan de vennootschap. De rechter kan het respectieve aandeel van de oprichters in de schuld bepalen met inachtneming van de rol die zij ieder hebben gespeeld" (Luik, 5 mei 1995).

1.2. De rechter zal, in geval van faillissement de mate van verantwoordelijkheid van ieder der oprichters bepalen, los van zijn inbreng in het kapitaal.

Dit blijkt o.m. uit het arrest van het Hof van Beroep te Bergen van 13 september 1989: de gegevens en berekeningen van het financieel plan blijken geïmproviseerd. De rechter beschikt over een appreciatiebevoegdheid wat het aandeel van de oprichters in het passief betreft. Het aandeel van de ene oprichter werd vastgesteld op de helft, terwijl dat van de twee andere oprichters op 1/4 werd vastgesteld. Dit is een afwijking van de algemene regel dat wanneer meerdere schuldenaars samen voor eenzelfde schuld gehouden zijn, ieders aandeel in de schuld in beginsel gelijk is, tenzij een ongelijke verdeling voortvloeit uit de wet of uit een overeenkomst.

1.3. Iedere vermelding, die de oprichter van zijn verantwoordelijkheid ontziet, is nietig.

1.4. De oprichters zijn hoofdelijk aansprakelijk. De rechter kan zelfs per oprichter een andere verhouding bepalen.

1.5. De periode van drie jaar is te rekenen van dag tot dag.

1.6. Enkel een kennelijke onderkapitalisatie wordt getroffen.

1.7. De grootte van het kapitaal is niet het enige criterium bij de uiteindelijke marginale toetsing. Ook de waarborgen spelen een rol. Het financieel plan is veeleer de rechtvaardiging van de financiële structuur van de toekomstige vennootschap.

1.8. De problematiek betreft vooral K.M.O.-ondernemingen. De termijn van twee jaar is immers voor grote ondernemingen te kort.

1.9. Stellen dat het faillissement niet veroorzaakt werd door onderkapitalisatie maar wel door het faillissement van één klant is niet relevant.

2. Bedrijfsrevisor, accountant of boekhouder

Het Instituut der Bedrijfsrevisoren (I.B.R.) raadt zijn leden aan "zich te beperken tot een bijstand (en niet een deelname) bij het opstellen van een financieel plan ...".

Het Instituut der Accountants en Belastingconsulenten (I.A.B.) zegt dat de externe accountant de meest aangewezen persoon is, om op verzoek van de oprichters, deze taak tot een goed einde te brengen. Toch voegt het I.A.B. er aan toe: dat het aangewezen is dat de accountant zijn risico’s beperkt door de klant een nauwkeurige omschrijving van de opdracht te laten opmaken (door de klant te ondertekenen) waarin eveneens wordt benadrukt dat het plan geen garantie inhoudt voor het toekomstig succes van de onderneming en dat het plan enkel gebaseerd is op door de klant verstrekte gegevens.

Hoe dan ook zijn de leefbaarheid en de risico’s van een nieuwe op te starten onderneming soms zeer moeilijk te becijferen. Gelet op de aansprakelijkheid van de oprichters, zijn de specifieke kennis en ervaring van een specialist onontbeerlijk om een realistisch financieel plan op te stellen. Op basis van de gegevens verstrekt door de oprichter, worden deze technisch verwerkt in minstens twee geprojecteerde balansen en resultatenrekeningen, liefst gevolgd door een appreciatie.

Het opstellen van het financieel plan behoort zeker tot het activiteitendomein van erkende boekhouders. Dit blijkt uit artikel 20 van het reglement van plichtenleer (K.B. 23 december 1997, B.S. 29 januari 1998).

Toereikend kapitaal

De rechtbank van koophandel te Brussel (Kh. Brussel, 14 maart 1989, J.T., 1 juli 1989, p. 464) heeft gevonnist dat "minimumkapitaal" niet synoniem is met "toereikend kapitaal".

Inhoud vonnis

In 1981 werd een B.V.B.A. opgericht met een kapitaal van 250.000 BEF. Destijds was dit het vereiste minimum. De vennootschap verwerft daarna, door middel van een financiering, een handelsfonds tegen de prijs van 1.950.000 BEF. In 1982 wordt ze echter failliet verklaard. Het passief bedraagt 4.000.000 BEF. De curator dagvaardt de oprichters om hen tot de hoofdelijke aanzuivering van het passief van de vennootschap te laten veroordelen, uitgaand van artikel 123, 7° van de vennootschapswetgeving.

De rechtbank onderzoekt het financieel plan van de vennootschap en stelt vast dat het niet overeenstemt met de werkelijkheid zoals de stichters die bij de oprichting kenden en dat het bovendien onregelmatigheden vertoont. Zo komt hij tot het besluit van de hoofdelijke betaling van het kapitaal van 4.000.000 BEF aan de curatele, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten en kosten.

Raad

Minimaal een drietal uitwerkingen – pessimistisch, (wellicht) realistisch en optimistisch worden uitgewerkt om de toekomstige ondernemer een beter idee van de problematiek te geven. Dit is zeker een advies als de oprichter over geen concrete gegevens en ervaringen uit het verleden beschikt. Teneinde zijn verantwoordelijkheid te beperken doet de boekhouder B.I.B.F. er goed aan schriftelijk zijn cliënt de opmerkingen bekend te maken. Vooral de evolutie van de beschikbare waarden is cruciaal. Dalen die – b.v. na het tweede jaar – dan wordt het plan best over drie, vier… jaar opgemaakt en moet de cliënt hierop gewezen worden.

Ter informatie:
een onderneming staat of valt mijns inziens niet met een welbepaald kapitaal. Vooral de cash-flow en het rendement op lange termijn zijn essentieel, m.a.w. de beschikbare middelen moeten ofwel stijgen ofwel van negatief naar positief evolueren.

De basisgegevens worden best verzameld aan de hand van een werkdocument zodat schematisch alle noodzakelijke gegevens per periode (maand, kwartaal, jaar) kunnen opgenomen worden :

  • de voorgenomen activiteit;
  • de geplande investeringen/afschrijvingen;
  • rotatiesnelheden voorraad;
  • aantal dagen klanten-, leverancierskrediet;
  • omzetevolutie (per B.T.W.-tarief);
  • kostprijsberekening – winstmarge;
  • kostendetail;
  • geplande kredieten en waarborgen.

In zijn functie mag de betrokken adviseur deze gegevens niet zomaar overnemen. Een kritische beoordeling hoort bij de opdracht, vooral als het financieel plan niet wijst op een verbeterende financiële toestand. Hierbij kan informatie uit de jaarrekeningen van concurrerende ondernemingen nuttig zijn.

Zoals reeds gesteld, wordt het financieel plan jaarlijks best getoetst aan de realiteit.

Het verdient aanbeveling de wettelijke reserve onmiddellijk te volstorten van zodra dit mogelijk is.

Het is des te meer aan te bevelen het plan uit te werken over meer dan twee jaar naarmate de oprichters over onvoldoende gegevens beschikken of de bekomen gegevens van de eerste twee jaar geen duidelijke evolutie weergeven.

De praktijk leert dat een financieel plan beperkt tot twee jaar – zoals de Vennootschappenwet het voorschrijft – veelal niet volstaat. De evolutie van de beschikbare middelen is immers cruciaal. Hierbij is het eerste jaar niet relevant, gezien zich in dit jaar enkel abnormale en eenmalige feiten voordoen : overname, storting kapitaal, lening, … Pas in het tweede jaar ziet men in hoeverre de vennootschap er in zal slagen om "op haar eigen benen verder te leven" … terwijl er ook in dit tweede jaar eenmalige en abnormale gebeurtenissen plaatsvinden: volstorting kapitaal, investeringen, … In dit geval is ten vroegste het derde jaar relevant … doch de uitbreiding tot het derde jaar is wettelijk niet verplicht. Degelijke plannen gaan dus best verder dan twee jaar. Ons inziens is juist dit de verantwoordelijkheid van de boekhouder: zou het niet duidelijk geweest zijn dat de vennootschap op termijn niet leefbaar was indien er een financieel plan zou gemaakt zijn over drie, vier, … jaar?

De praktijk leert ook dat ernstige oprichters alle aandacht besteden aan de resultaten van het financieel plan. Door het bestaan van het financieel plan worden tal van optimisten eerder realist … en zien tal van euforisten af van hun initiatief. Dit laatste gebeuren is niet in statistieken te verwerken aangezien de statuten van die nooit opgerichte vennootschappen nergens verschijnen. Ooit uitgevoerd statistisch onderzoek terzake was dan ook sterk te relativeren.

3. De notaris

De notaris heeft in de eerste plaats de rol van depothouder, aan wie gevraagd wordt een document bij te houden en eventueel voor te leggen zoals wettelijk voorzien.

De plicht tot raadgeving dwingt de notaris ook de verschillende partijen op de bestaansreden en het belang van deze wettelijke verplichting te wijzen. De meeste notarissen verwijzen in hun akte terecht op die plicht.

Het plan moet vóór de oprichting in het bezit zijn van de notaris.

De notaris moet een oprichtingsakte weigeren als het overhandigd document niet lijkt op een financieel plan (Bericht van de Procureur Generaal van. 28 september 1978).

De rol van de notaris m.b.t. het financieel plan

Is de rol van de notaris beperkt tot een louter formele verificatie van het financieel plan of dient hij als juridisch raadgever de partijen te wijzen op eventuele vormelijke en/of inhoudelijke lacunes in het plan?

Volgens de heersende opvatting in rechtspraak en rechtsleer beperkt de taak van de notaris m.b.t. het financieel plan zich tot een formeel onderzoek. Hij dient te verifiëren of het hem overlegde document naar de vorm kan aanzien worden als een financieel plan (Van Bruystegem, B., Oprichtersaansprakelijkheid wegens kennelijk ontoereikend kapitaal, B.R.H., 1982, 140; Smit, E., Le capital social et la responsabilité des fondateurs, DAOR, 1991,15). Dit betekent: opstelling over minstens twee jaar, in de toekomst geprojecteerde balansen en resultatenrekeningen, een omschrijving van de voorgenomen activiteit ... en een conclusie van de oprichters alsmede datering en handtekeningen van de oprichters op alle bladzijden.

Volgens het vonnis van de rechtbank van koophandel te Charleroi (Kh. Charleroi, 7 februari 1990) is de notaris als juridisch raadgever niet verplicht partijen te wijzen op eventuele inhoudelijke leemten in het financieel plan.

Rechtspraak

"De notaris is niet aansprakelijk wanneer blijkt dat het financieel plan dat hem werd voorgelegd zeer summier en onnauwkeurig is. De notaris moet het hem voorgelegde financieel plan niet aan een onderzoek onderwerpen en nagaan of er geen fouten instaan" (Kh. Charleroi, 7 februari 1990).

***


Laatst gewijzigd op 27/04/2006 17:08:00
Navigatie
  • TERUG