Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 82 - 15.09.00 - Toespraak van Meester Ralf Micholt

Editie nr 82 van 15 september 2000

Toespraak van Meester R. Micholt, Voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het B.I.B.F.
ter gelegenheid van de uitreiking van de BIBF-prijzen op 7 juli 2000


samenvatting

Mijnheer de Minister,
Mijnheer de Voorzitter,
Dames en Heren,

Van een voorzitter van een Uitvoerende Kamer kan worden verwacht dat hij U les geeft in bijvoorbeeld deontologie, begroting van kosten en ereloon enz… Welnu ik zal aan die verwachting niet beantwoorden. Persoonlijk ben ik er immers van overtuigd dat mensen in het leven heel weinig hebben aan lessen van anderen en zeker niet wanneer die lessen op een academische zitting worden gegeven. Zelfs goede raad, al wordt ze duur betaald en al wordt ze goed bedoeld, zal in de realiteit heel weinig mensen echt helpen. Tenminste dat is mijn visie.

Laat mij gewoon even vertellen over mijn ervaringen binnen het Beroepsinstituut. Die ervaringen zijn vrij beperkt, niet in het minst omdat het nog maar een jaar geleden is dat het de Koning heeft behaagd mij te benoemen tot Voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer.

Waarmee heeft de Uitvoerende Kamer zich bezig gehouden het verlopen jaar?

De kaderwet heeft ons als belangrijkste taken toevertrouwd: de toelating en de controle op de stage, de inschrijving op het tableau hetzij als boekhouder, hetzij als boekhouder-fiscalist (veel tijd is er dit jaar besteed aan de duizenden dossiers van de boekhouders die machtiging vroegen tot het voeren van de titel van "boekhouder-fiscalist"), de sanctionering van de inbreuken op de bij koninklijk besluit goedgekeurde deontologische code, de betwistingen over kosten en honoraria die aan de Kamer worden voorgelegd ingevolge een akkoord tussen de klant en zijn boekhouder.

Emotioneel en intellectueel hebben de tuchtdossiers het meest gevergd van de leden van de Uitvoerende Kamer. De sancties zijn ook niet te onderschatten, nl. gaande van een gewone waarschuwing over een schorsing voor een beperkte tijd tot een volledig beroepsverbod. Gelukkig waren de tuchtdossiers in aantal beperkt. Het ging meestal om het achterhouden van stukken en gegevens bij de opvolging van een boekhouder door een collega. Het feit dat het retentierecht op stukken door de rechtspraak en de deontologie absoluut wordt uitgesloten, schijnt nog niet bij alle leden van het Instituut te zijn doorgedrongen zelfs niet bij zogenaamde oude rotten in het vak.

Niet alleen over het verbod tot retentie heeft Broeder PACIOLI blijkbaar al te veel in de woestijn gepreekt, er is ook het probleem van de permanente vorming. Deze verplichting is zo eenvoudig als het maar kan. Ieder lid van het Beroepsinstituut moet elk jaar bewijzen minstens dertig uren te hebben besteed aan het verwerven van de informatie die nodig is om behoorlijk het beroep van boekhouder-fiscalist te kunnen uitoefenen. Eenvoudig toch. Het feit dat wij hier samen zijn om feest te vieren verhindert dat ik het cijfer zou noemen van de leden die aan deze verplichting niet hebben voldaan.

De voorzitter van het BIBF heeft mij gesommeerd van op deze kansel nogmaals aan de vormingsplicht te herinneren. Niet omdat deze in de toekomst intensiever zal worden gecontroleerd en gesanctioneerd, maar wel omdat niemand vandaag nog gelijk welk beroep kan uitoefenen zonder zich permanent te informeren. Wij zijn dit onze klanten verplicht, tevreden klanten dat moet je verdienen.

Gelukkig zijn er nog veel voorbeeldige leden in ons instituut. Leden die met hart en ziel aan hun klanten zijn verbonden. Verbonden zijn met de klant is echter niet hetzelfde als gebonden zijn aan de klant. Dat laatste leidt er alleen maar toe dat men voor de Uitvoerende Kamer moeten verschijnen omdat er niet genoeg afstand werd genomen van de klant. Soms wordt de klant geholpen met zaken waaraan een boekhouder niet eens zou mogen denken: fiscale ontduiking, fraude, witwasoperaties enz.. Het gevolg is dat de klant wellicht goed heeft verdiend maar alle soorten inspecties op zijn dak krijgt, de boekhouder slecht betaald wordt en soms nog het recht verliest om zijn beroep verder uit te oefenen, om van een gratis logement op staatskosten nog niet te spreken. Leuk is dat wanneer je alles gegeven hebt wat je klant van je verwacht.

Wat mij ook opviel, is dat een boekhouder blijkbaar wel goed kan cijferen maar minder goed kan schrijven. Misschien schrijven wij advocaten teveel, maar jullie boekhouders schrijven zondermeer te weinig. Heel wat deontologische betwistingen kunnen nochtans worden vermeden wanneer eens wat eerder in de pen zou geklommen worden. Een brief waarin een voorbehoud wordt geformuleerd, waarin een afspraak van welke aard ook wordt bevestigd, enz… kan later veel tijd en geld helpen besparen wanneer de relatie met de klant minder goed is geworden om een of andere reden. Een klant kan de ene dag een vriend lijken, de andere dag is hij een vijand wanneer hij zich tekort gedaan meent.

Alle vrije beroepen staan een heel moeilijke tijd te wachten. En dan denk ik op dit moment alleen maar al aan de reclame. De reclame doet langzaam maar zeker haar intrede in onze wereld. Verbieden kan wettelijk niet meer maar wel kunnen er grenzen worden getrokken in het algemeen belang. Maar waar liggen die grenzen en waar ligt dat algemeen belang? Het valt mij steeds weer op dat bij elke discussie over dit onderwerp er zoveel meningen zijn als er sprekers zijn. Iedereen is het er vlug over eens dat een reclame discreet moet zijn en in overeenstemming met de waardigheid van ons beroep. Maar zodra men die begrippen concreet wil invullen, komt niemand er nog uit. Het is een dooddoener maar toch: het laatste woord is over de reclame nog niet gezegd. Een ding is zeker we zullen ermee worden geconfronteerd ook in deontologische betwistingen.

***

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
Navigatie
  • TERUG