Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 82 - 15.09.00 - Toespraak van Meester Jean-Luc Brandenberg

Editie nr 82 van 15 september 2000

Toespraak van Meester Jean-Luc Brandenberg, plaatsvervangend Voorzitter van de Franstalige Uitvoerende Kamer van het B.I.B.F.
ter gelegenheid van de uitreiking van de BIBF-prijzen op 7 juli 2000


samenvatting

Mijnheer de Minister,
Mevrouw de Voorzitster,
Mijnheer de Voorzitter,
Dames, Mijne heren,

Sta mij toe U te onderhouden over het beroepsgeheim.

Artikel 458 van het Strafwetboek luidt als volgt:
"Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun beroep of staat kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte, of voor een parlementaire onderzoekscommissie, getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van 100 F tot 500 BEF”

Verschillende bepalingen zorgen ervoor dat dit geheim ook van toepassing is op het beroep van boekhouder:
1. artikel 2, § 5 van de kaderwet van 1 maart 1976;
2. artikel 5 van het koninklijk besluit van 19 mei 1992, die de geboorteakte is van het Beroepsinstituut;
3. artikel 19 van het koninklijk besluit van 23 december 1999 dat uw beroepscode invoerde;
4. artikel 58 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen.

Opgemerkt dient te worden dat de heer HUYBRECHTS, raadsheer bij het Hof van cassatie, in 1995 van oordeel was dat het koninklijk besluit van 1992 niet voldoende was om de boekhouders het beroepsgeheim op te leggen. Nog tot in 1998 werd betwist dat artikel 458 van het Strafwetboek van toepassing is op de boekhouders.

De wet van 22 april 1999 (art.58) laat daarover echter niet de minste twijfel meer bestaan:
"Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op externe accountants, externe belastingconsulenten, externe boekhouders, erkende boekhouders-fiscalisten, stagiairs en de personen voor wie zij instaan".

Tal van gerechtelijke beslissingen en dan vooral van het Hof van cassatie hebben het thema van het beroepsgeheim behandeld, en heel wat auteurs hebben over het probleem geschreven.

Ik zal me ertoe beperken de heer Jules LECLERCQ te citeren, procureur-generaal bij het Hof van beroep van Mons op rust, die schrijft dat de grondslag van het beroepsgeheim erin bestaat het vertrouwen te verzekeren. Door bepaalde personen, op straffe van een strafrechtelijke sanctie, de verplichte geheimhouding op te leggen als een verplichting van hun staat wilde de wetgever het vertrouwen verzekeren dat bij de uitoefening van bepaalde beroepen vereist is. Er zijn immers beroepen waarvan de uitoefening het vertrouwen impliceert van diegenen die iemand in vertrouwen nemen en de discretie van diegenen die in vertrouwen worden genomen. Daaruit vloeit voort dat het enerzijds gaat om het belang van de particulieren en de eerbied voor het privé-leven, en anderzijds om het belang van de samenleving.

De schending van het beroepsgeheim wordt bijgevolg strafrechtelijk bestraft, maar er bestaan uitzonderingen van tweeërlei aard:

  1. het recht te spreken of te zwijgen;
  2. de verplichting te spreken.

De uitzondering op de regel van het beroepsgeheim die het recht van spreken meebrengt, geldt in de volgende gevallen:

  1. wanneer de beroepsboekhouder zelf wordt beschuldigd;
  2. wanneer hij zich in een toestand van overmacht bevindt;
  3. wanneer hij volgens de bepalingen van artikel 458 van het Strafwetboek geroepen wordt om in rechte getuigenis af te leggen.

In het kader van de getuigenis in rechte zijn de gedagvaarde personen weliswaar ertoe gehouden te verschijnen, maar zij kunnen aan de onderzoeksrechter verklaren dat het beroepsgeheim ze belet te getuigen.

De wet verplicht de beroepsboekhouders niet van te getuigen, maar ze verbiedt hen niet om dat wel te doen. Zij laat de beoordeling van wat zij moeten doen aan hen over:
"Diegene die wordt geroepen om in rechte te getuigen over een feit dat gedekt is door het beroepsgeheim, kan het feit onthullen indien hij meent dat te moeten doen en kan niet worden gedwongen te spreken indien hij meent het geheim te moeten bewaren.”

Procureur-generaal LECLERCQ schreef:
"De ingewijde in een geheim moet zijn keuze maken tussen de twee plichten van het geweten, in volle onafhankelijkheid en zonder a priori. Zich altijd achter het beroepsgeheim verschuilen, zou een gemakkelijkheidsoplossing zijn. Het is beslist niet dat wat de wet heeft gewild en bedoeld.”

Bij het maken van de keuze moeten de belangen die op het spel staan worden afgewogen en dient men zich af te vragen of in het kwestieuze geval het beroepsgeheim derwijze gebiedend is, dat eventueel de voorkeur moet worden gegeven aan een onrecht dan wel aan de wettelijk toegestane onthulling van dat geheim.

Hoewel de tuchtrechtelijke autoriteiten en de beroepsregels fouten die buiten de wet vallen disciplinair kunnen bestraffen, hebben zij echter niet het vermogen in conflict te komen met de wet. Aangezien de wet de ingewijde in een geheim toestaat de beroepsgeheimen te onthullen wanneer hij in rechte getuigt, kan niets hem derhalve verbieden van die toelating gebruik te maken.”

De verplichting te spreken.

In bepaalde gevallen is de ingewijde in een geheim verplicht te spreken.

Dit is het geval krachtens de wet tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld (wet van 1 januari 1993 die aansluit bij de Europese richtlijn van 10 juni 1991).

De wet van 10 augustus 1998 heeft een artikel 2bis ingevoerd dat als volgt luidt:
"Voor zover zij daarin uitdrukkelijk voorzien, zijn de bepalingen van deze wet eveneens van toepassing op de hierna vermelde personen:

    1°.
    2°.
    3°.
    4°. (gewijzigd bij artikel 57 van de wet van 22 april 1999) de natuurlijke personen of rechtspersonen die ingeschreven zijn op de lijst van de externe accountants of op de lijst van de externe belastingconsulenten (...), alsmede de natuurlijke personen of rechtspersonen die ingeschreven zijn op het Tableau van de erkende accountants en op het Tableau van de erkende boekhouders-fiscalisten, bedoeld in artikel 46 van de wet van 22 april 1999.”

In deze veronderstelling hebben de boekhouders geen keuze.

Artikel 14bis, eveneens ingevoerd bij de wet van 10 augustus 1998, bepaalt het volgende:
"De in artikel 2bis, 1° tot 4°, bedoelde personen die in de uitoefening van hun beroep feiten vaststellen waarvan ze weten dat ze verband houden met het witwassen van geld of die bewijsmateriaal voor dit witwassen van geld kunnen vormen, moeten daarvan onmiddellijk de cel voor financiële informatieverwerking op de hoogte brengen.”

Opgemerkt dient echter te worden, dat er wat de advocaten betreft, een gematigder systeem bestaat. De advocaat moet zich onthouden van deelname aan elke witwasoperatie wanneer hij dienaangaande verdenkingen koestert. De advocaat moet een verklaring op erewoord afleggen dat hij niet meewerkt aan het witwassen van geld. Hij moet een dergelijke operatie echter niet aan het licht brengen wanneer hij daarvan kennis heeft.

***

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00