Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 81 - 31.08.00 - Het financieel plan - Deel 1

Editie nr 81 van 31 augustus 2000

Het financieel plan - Deel 1

    Auteur:
    José Haustraete
    bedrijfsrevisor
    Lid Nationale Raad BIBF

Deel 1. : Doel en de praktische uitwerking van het financieel plan.
Deel 2. : Wie draagt verantwoordelijkheid voor het opstellen van het financieel plan.
Deel 3. : Uitwerking van een financieel plan.

1. Bestaansreden en doel van het financieel plan

De verplichtingen om een financieel plan op te maken binnen vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid van de oprichters, werd door de Wet van 4 augustus 1978 ingevoerd. Vandaag heeft men het over een "business plan" indien men hetzelfde als financieel plan bedoelt, doch buiten de wettelijke verplichting.

In diverse hoeken – ons inziens meer dan terecht - gaan stemmen op om deze verplichting ook in te voeren voor niet-vennootschappen, die een handelsactiviteit beginnen.

Naast het feit dat de aansprakelijkheid van de oprichters in het gedrang komt, indien deze de nieuw opgerichte vennootschap niet van voldoende geldmiddelen voorzien, wil de wetgever in de eerste plaats derden beschermen tegenover de oprichters van de vennootschap.

Op basis van een geschreven document zullen de oprichters zich beter kunnen beschermen, zodat een beoordeling van de feiten achteraf minder arbitrair zal zijn. De oprichters zullen zich ook kunnen verdedigen (zie b.v. Brussel 8 april 1986 R.P.S. 1986 p. 165).

In dit opzicht is de opstelling van een zo realistisch mogelijk financieel plan zeker een bescherming ten opzichte van iedereen: een besproken, geschreven en becijferd document geeft immers een beter inzicht van de toekomstige evoluties van de op te richten onderneming. Om hun goede bedoelingen te laten blijken kunnen de oprichters eventueel bepaalde vergelijkende studies of rentabiliteitsberekeningen laten uitvoeren.

Een vonnis van de Rechtbank van Koophandel van Brussel van 8 april 1986 luidt als volgt: "Een financieel plan mag niet oppervlakkig zijn. Het vormt een actieprogramma dat de financiële middelen aanduidt die de overlevingskansen van de vennootschap tijdens de twee jaar na haar oprichting waarborgen. Het financieel plan kan worden aangevuld met gedetailleerde rendementstudies die eraan voorafgegaan zijn."

Vaststellingen :

1. Meer dan twee derden van de faillissementen in het jaar 1995 werden genoteerd in de eerste drie levensjaren van de onderneming.

2. Vooral de oprichters, die op geen verleden kunnen bogen, hechten veel belang aan een financieel plan. Dit is wel minder het geval indien b.v. een jarenlange bestaande eenpersoonsonderneming omgezet wordt in een vennootschap.

3. In feite worden de oprichters door deze wettelijke verplichting beschermd. De rechter bepaalt inderdaad een "verhouding", waarvoor deze oprichters verantwoordelijk gesteld worden. Bovendien wordt aan de beschuldigde partij een middel aan de hand gedaan om zich te verweren.

4. Stellen dat het financieel plan geen invloed heeft, kan niet statistisch worden vertaald. De eerstelijns consulenten zullen beamen dat het een onbekende is hoeveel "oprichters" nooit een vennootschap hebben opgericht omdat zij de eisen – omzet, kosten, kapitaal, … – niet haalbaar achtten. Practici zullen met veel lof spreken over deze verplichting.

2. Wettelijke grondslag

De artikels 29ter van de Vennootschapswetgeving met betrekking op de naamloze vennootschappen en 120ter met betrekking op de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid hebben het financieel plan in het leven geroepen. Deze wetten van 4 augustus 1978 maakten deel uit van een reeks wetten met betrekking tot de commerciële vennootschappen in het kader van de economische hervorming. Ze verschenen in het Belgisch Staatsblad van 17 augustus 1978.

De wet van 20 juli 1991 vulde dit aan voor de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid.

De verplichting tot het opstellen van een financieel plan wordt beschreven in de volgende artikels van de Vennootschappenwet:

  • Artikel 29ter i.v.m. de N.V.
  • Artikel 107 i.v.m. de C.V.A.
  • Artikel 120ter i.v.m. de B.V.B.A.
  • Artikel 147septies i.v.m. de C.V.B.A.

Het financieel plan wordt niet bekend gemaakt samen met de akte maar wel door de notaris bewaard.

Sancties vinden wij ook terug in de Vennootschappenwet, nl.:

  • Artikel 35, 6° i.v.m. de N.V.
  • Artikel 107 i.v.m. de C.V.A.
  • Artikel 123, 7° i.v.m. de B.V.B.A.
  • Artikel 147ter, 4° i.v.m. de C.V.B.A.

Opmerking :

Deze wetsartikels zijn van openbare orde, hetgeen uit de formulering ervan blijkt.

Specifiek voor de N.V. : Art. 31 Venn.W.:
"Art. 31. De vennootschap kan worden opgericht bij een of meer authentieke akten, bij het verlijden waarvan alle vennoten verschijnen, hetzij in persoon, hetzij door een houder van een authentieke of een onderhandse volmacht.
Zij die bij deze akten verschijnen, worden als oprichters van de vennootschap beschouwd. Indien evenwel de akten een of meer aandeelhouders die te samen ten minste een derde van het maatschappelijk kapitaal bezitten, als oprichters aanwijzen, worden de overige verschijnenden, die zich bepalen (1) tot het inschrijven op aandelen tegen geld, zonder rechtstreeks of zijdelings enig bijzonder voordeel te genieten, als gewone inschrijvers beschouwd."

Het nieuwe wetboek van vennootschappen (Wet van 7 mei 1999 – B.S. 6 augustus 1999) De wettelijke bepalingen in verband met het financieel plan zijn terug te vinden als volgt:

 

Vennootschappenwet
(oud)

Wetboek vennootschappen
(nieuw)

N.V.

art. 29ter

440

N.V.

art. 35, 6°

456, 4°

C.V.A.

art. 107

657

B.V.B.A.

art. 120bis

215

B.V.B.A.

art. 123, 7°

213 - 225 -229, 5°

C.V.B.A.

art. 147septies

391

C.V.B.A.

art. 147ter

405, 5°

3. Praktische uitwerking

3.1. Wanneer is het financieel plan vereist?

De opstelling van een financieel plan is wettelijk verplicht bij de oprichting van een N.V., B.V.B.A. of C.V.B.A.

Deze verplichting bestaat niet bij de oprichting van vennootschappen waar de aansprakelijkheid van de oprichters onbeperkt is (V.O.F., G.C.V., C.V.O.H.A.).

Voor het ontbreken of het onvolledig zijn van het financieel plan voorziet de wetgever voor dit feit alleen geen onmiddellijke sanctie. Bij een aansprakelijkheidsvordering zullen de oprichters bijgevolg in deze hypothese verstoken blijven van een belangrijk bewijsstuk, opgemaakt in tempore non suspecto.

Tijdens de parlementaire voorbereiding is er nooit sprake geweest van een mogelijke toepassing van artikel 29ter, artikel 120ter en artikel 147septies bij een kapitaalverhoging. Men heeft derhalve de aanwezigheid van het financieel plan willen beperken tot de oprichting van de vennootschap.

Dit kan echter wel van belang zijn indien de vennootschap binnen de eerste drie jaren na oprichting overgaat tot een kapitaalverhoging. Toch is er wettelijk niets voorzien. Integendeel, een analyse van de teksten geeft ons enkel negatief advies!

In de Vennootschapswet staat het argument. In artikel 29ter en artikel 35, 6° spreekt men over "vóór de oprichting" en "na de oprichting".

Het lijkt ons niet onverstandig het oorspronkelijk plan aan te passen naar aanleiding van een kapitaalverhoging … en de gevolgen te ontleden.

Gaat het om een kapitaalverhoging die na drie jaar wordt gerealiseerd, dan heeft het ontbreken van een financieel plan weinig belang, vermits de voorlegging ervan niet meer kan worden geëist.

3.2. Wie stelt het financieel plan op?

Principieel wordt het financieel plan door de oprichters van de vennootschap opgesteld.

Bij de oprichting van een B.V.B.A. worden al diegenen die bij de oprichtingsakte voor de notaris verschijnen, niettegenstaande elk strijdig beding als oprichters beschouwd.

Bij de oprichting van een N.V. zijn de oprichters in principe diegenen die voor de notaris verschijnen bij het verlijden van de akte van oprichting. Indien de oprichtingsakte echter één of meer aandeelhouders aanwijst die samen minstens 1/3 van het maatschappelijk kapitaal bezitten, worden de overige verschijnenden voor eenvoudige inschrijvers gehouden. Deze laatsten kunnen slechts voor eenvoudige inschrijvers gehouden worden voor zover zij op de aandelen enkel in speciën inschrijven en geen enkel bijzonder voordeel genieten. Eenvoudige inschrijvers kunnen niet aansprakelijk gesteld worden zoals de oprichters.

Wanneer men daarentegen als eenvoudige inschrijver tevens mede-eigenaar is van een goed, in natura ingebracht door een oprichter, verliest men de hoedanigheid van eenvoudig inschrijver. Dit brengt hun aansprakelijkheid mee op grond van art. 35, 6° Venn. W.

Wegens de techniciteit van de materie doen de oprichters er goed aan een vakman terzake aan te spreken. Gezien deze problematiek tot niemands prerogatieven of monopolies behoort, is amateurisme hier niet uitgesloten. Met deze mogelijkheid houden zowel de oprichters als de notaris best rekening. Het lijkt ons evenwel evident dat het plan technisch opgesteld wordt door een lid van één van de vandaag erkende Instituten: B.I.B.F. (Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten), I.B.R. (Instituut van de Bedrijfsrevisoren) of I.A.B. (Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten), op basis van de gegevens die de oprichters verstrekken.

3.3. Inhoud van het financieel plan?

Alhoewel terzake de wet niets specifiek bepaalt, lijkt het ons meest evident dat twee (liefst drie of meer) in de toekomst geprojecteerde balansen en resultatenrekeningen uitgewerkt worden. Het is aan te bevelen dit nog aan te vullen met een tabel van bronnen en bestedingen en eventueel ook ratio’s. Ons inziens is de evolutie van de financiële middelen het belangrijkst: zij moeten verbeteren d.w.z. van negatief evolueren naar positief of van positief naar positiever.

Om het financieel plan uit te werken moet de boekhouder in het bezit gesteld worden van gegevens, die alleen de cliënt kan bezorgen: geplande ontvangsten, uitgaven, leningen, borgen, investeringen… De boekhouder kan hierbij wel zeer nuttig werk leveren: de eerste lening afsluiten ter aankoop van een riante wagen en het in dienst nemen van een fulltime personeelslid ten bedrage van 500.000 BEF op jaarbasis, is absurd… maar frequent een realiteit… met de gevolgen van dien.

3.4. Wie bewaart het financieel plan?

Het financieel plan maakt geen deel uit van de oprichtingsakte, en moet als dusdanig niet gepubliceerd worden. Het wordt gewoon door de notaris bewaard. De wetgever heeft dit zo gedaan om de beginnende ondernemer te beschermen tegen de concurrentie.

Artikel 29ter van de Vennootschappenwet zegt enkel dat de notaris in geval van faillissement van de nieuwe onderneming binnen de drie jaar het plan moet voorleggen op vraag van de rechter-commissaris of de procureur des Konings.

De meeste notarissen maken in de akte van oprichting melding van de overhandiging door de oprichters van het financieel plan. Soms wordt vóór de oprichtingsakte zelfs een afzonderlijke akte opgesteld. Het lijkt ons aangewezen dat de notaris de oprichters ook attent maakt op hun eventuele aansprakelijkheid bij faillissement binnen de drie jaar na oprichting in geval van kennelijk ontoereikend kapitaal, voor de normale uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid over ten minste twee jaar.

De akte bepaalt de datum van het financieel plan maar toch verkiezen sommigen het financieel plan te laten registreren op hetzelfde ogenblik als de oprichtingsakte.

Het integraal openbaar maken van dit plan lijkt me daarentegen in te druisen tegen de discretieplicht.

Het financieel plan wordt wel frequent opgevraagd door of voor de financiële instelling, indien de betrokken vennootschap krediet aanvraagt. Dit lijkt ons evident aangezien een financieel plan en een "business plan" ons inziens elkaars gelijke zijn.

Het lijkt ons eveneens wenselijk dat een getekend exemplaar van dit plan in het permanent dossier wordt geklasseerd van de adviseurs (boekhouder, accountant, advocaat ...). Bij inbreng of quasi-inbreng is het een document dat zeker thuishoort in het dossier van de bedrijfsrevisor.

Inzake bewaarplicht is het volgende onderscheid te maken:

  • de door de oprichter getekende basisgegevens ter opstelling van het financieel plan: zijn te bewaren door de consulent en de oprichters, die zorgden voor de redactie van het financieel plan;
  • het financieel plan is te bewaren door de notaris.

De consulent doet er goed aan de definitieve versie van beide documenten te laten tekenen door de oprichters en te bewaren in zijn dossier. Minimaal bestaat dit financieel plan uit in de toekomst geprojecteerde balansen en resultatenrekeningen met betrekking tot de eerste twee jaren.

Ongeacht de duur van het eerste boekjaar wordt veelal gewerkt met twee jaar van twaalf maanden. Een uitbreiding tot drie jaar lijkt ons wenselijk.

Een ander aspect betreft de positie van de fiscus. Heeft de fiscus het recht een kopie van het financieel plan op te vragen, met als doel er gegevens uit te halen om over te gaan tot een wijziging van de inkomstenaangifte van de vennootschap ?

De fiscus heeft theoretisch de mogelijkheid om elk bescheid of elke inlichting te vragen die hem moet toelaten de bedrijvigheid van een vennootschap te beoordelen. Maar, aangezien het financieel plan slechts vooruitzichten bevat, ziet de Minister van Financiën moeilijk in hoe daaruit achteraf een voldoende vermoeden kan worden afgeleid wat het bedrag van de inkomsten van de vennootschap betreft (P.V. 14 juli 1987, Parl. Vr. en Antw., Senaat, 1986-87, p. 2558).

Het lijkt ons verstandig en te getuigen van respect voor voorzichtigheid om de eerste drie jaren in het verslag van de bestuurder/zaakvoerder en van de algemene vergadering, de vergelijking van de realiteit met het budget – nl. het bij de oprichting opgesteld plan – te maken. Het is leerrijk om de oorzaken van de verschillen op te zoeken. Het getuigt ook van interesse voor de belangen van de vennootschap indien het – in een K.M.O. niet meer verplicht doch uiterst nuttig – verslag van de raad van bestuur en/of van de algemene vergadering melding maakt van de oorzaak van noemenswaardige verschillen.

-----------------------

(1) Franstalige versie: " …qui se bornent à souscrire…"

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
Navigatie
  • TERUG