Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 80 - 15.07.00 - Afgeven van belastingsaangiften

Editie nr 80 van 15 juli 2000

Afgeven van belastingaangiften Uitreiken van een ontvangstbewijs

Sommige belastingplichtigen, of hun boekhouder(-fiscalist), geven de aangiften van de personenbelasting, van de vennootschapsbelasting of van de BTW af in de bevoegde controlekantoren.

Kunnen die personen een ontvangbewijs vragen aan de ambtenaren aan wie ze die formulieren hebben afgegeven?

In de praktijk zouden sommige ambtenaren weigeren om een ontvangbewijs te ondertekenen.

Wat zijn de voorschriften ter zake?

1. Bij de BTW-administratie

Het uitreiken van een ontvangbewijs bij het afgeven van de periodieke BTW-aangifte is niet voorzien door het BTW-Wetboek noch door de besluiten ter uitvoering van dat Wetboek.

Om organisatorische redenen schrijven de administratieve richtlijnen voor dat, in principe, voor die aangiften geen ontvangstmelding gebeurt.

Om aan de belastingplichtigen die hun aangifte rechtstreeks afgeven aan de bevoegde dienst de mogelijkheid te bieden om zich een bewijs voor te houden van die overhandiging, stellen diezelfde richtlijnen evenwel het uitreiken van een ontvangstbewijs verplicht, op voorwaarde dat die belastingplichtigen zich persoonlijk aanbieden en dat het ontvangstbewijs uitdrukkelijk wordt gevraagd.

2.Bij de Administratie van de Directe Belastingen.

Ook de directe belastingen worden door geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling verplicht om een ontvangstbewijs uit te reiken voor de aangiften van de inkomstenbelastingen.

De administratieve richtlijnen schrijven evenwel voor dat een ontvangstbewijs dient uitgereikt te worden aan de personen die daartoe formeel om vragen, in een schrijven dat bij hun aangifte werd gevoegd.

In de praktijk is er niets op tegen dat een ontvangstbewijs eveneens wordt uitgereikt op de mondelinge vraag van een belastingplichtige die zijn aangifte op het kantoor afgeeft. (Uittreksel van de parlementaire vraag nr 314, van de heer Senator GIJS, van 7 augustus 1984. Vragen en Antwoorden, Senaat, 1983-1984, nr. 51, p. 1984).

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
Navigatie
  • TERUG