Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 78 - 15.06.00 - Voertuigen - BTW aftrekbaarheid

Editie nr 78 van 15 juni 2000

BTW: voordeel van alle aard voor voertuigen - belasting gekoppeld aan de regels van aftrekbaarheid

1. Probleemstelling

De vaststelling van een voordeel van alle aard vloeit meer bepaald voort uit het privé-gebruik van een goed van de onderneming (auto, etc.).

Op het niveau van de directe belastingen betekent de vaststelling van een voordeel van alle aard een verhoging van de belastbare basis van de begunstigde, ten bedrage van het ontvangen voordeel.

De in dat opzicht te betalen belasting valt bijgevolg ten laste van de gebruiker van het goed.

Op het niveau van de BTW evenwel, is de persoon die de heffing ondergaat niet de gebruiker, maar wel de belastingplichtige die het voordeel verschaft.

Die heffing is immers een vorm van rechtzetting van de BTW-aftrek die aanvankelijk werd verricht en waarop teruggekomen wordt omwille van het privé-gebruik.

2. Wettelijke grondslagen

Volgens artikel 19, § 1 van het BTW Wetboek wordt een dienstverlening tegen vergoeding gelijkgesteld met:

  • het gebruik van een goed bestemd voor de onderneming,
  • voor de privé-behoeften van de belastingplichtige, of van die van zijn personeel,
  • wanneer dat goed recht heeft gegeven op een volledige of gedeeltelijke BTW-aftrek.

Die bepaling impliceert:

  • de BTW-heffing op de voordelen van alle aard,
  • in hoofde van de belastingplichtige
  • omwille van een privé-gebruik
  • van een goed bestemd voor de onderneming
  • voor zover een aanvankelijke aftrek van toepassing was

Met andere woorden, de toepassing van de BTW steunt op een drievoudige benadering:

  1. vooreerst, een goed bestemd voor de onderneming dat, omwille van die bestemming, een volledige of gedeeltelijk BTW-aftrek mogelijk heeft gemaakt;

  2. vervolgens, een privé-gebruik dat, enkel en alleen door dat feit, de aanvankelijke aftrek ongeldig maakt (voor privé-gebruik is geen enkel recht op aftrek toegestaan);

  3. tenslotte, een rechtzetting van de afgetrokken BTW via een heffingmechanisme (gelijkstelling met een uitgaande verrichting en niet met een herziening van de aanvankelijk verrichte aftrek).

3. Belastbare basis - Bestanddelen

3.1. Begrippen - Principe

Artikel 33, 2° van het BTW Wetboek voorziet dat de belastbare basis bestaat uit het bedrag van de gedane uitgaven die betrekking hebben op het privé-gebruik van het goed.

Die belastbare basis stemt overeen met de algemene filosofie van de BTW, vermits ze de heffing voorziet op de uitgaven die specifiek werden gedaan om het aangeklaagde privé-gebruik te verzekeren.

In de regel moet de belastingplichtige voor het vaststellen van de gedane uitgaven:

  • De in het kader van het privé-gebruik gedane uitgaven, post per post noteren. Die opsomming zou bovendien wagen per wagen moeten gebeuren.
    Met andere woorden, de kosten dienen geïndividualiseerd te worden, per voertuig, en rekening houdend met het effectieve privé-gebruik. Zodoende zal het reële verbruik van elke wagen apart beschouwd moeten worden, zonder terug te kunnen vallen op forfaitaire evaluaties.
  • Uit dat bedrag de niet aan de BTW onderworpen uitgaven halen, vermits het de rechtzetting van een aanvankelijke aftrek betreft (verkeerstaks, radiotaks, financiële kosten, verzekeringen, etc.)
  • Op het saldo de niet aftrekbare BTW in mindering brengen (rekening houdend met de beperkingen van het recht op aftrek van kracht voor de autovoertuigen, met de algemene aftrekprorata, met de aftrek volgens de reële bestemming, etc.). Het gaat er immers om, alleen de aftrekbare BTW te corrigeren.
  • Belasten voor het verschuldigde bedrag teneinde de aftrek recht te zetten die in vraag wordt gesteld ingevolge het privé-gebruik.

In de praktijk kunnen dergelijke handelingen enorm blijken ten opzichte van de inzet. Met het oog op een vereenvoudiging stelt de administratie dan ook de volgende vereenvoudigde regels voor:

3.2. Vereenvoudigde regels

3.2.1. Personenwagens onderworpen aan de beperkte aftrek ten belope van de helft van de BTW

De omzendbrief nr. 4 van 9 mei 1996 formuleert een vereenvoudigde methode voor de heffing op de voordelen van alle aard met betrekking tot personenwagens.

Die forfaitaire formule houdt rekening met:

  • niet aan de BTW onderworpen uitgaven ten belope van 10 % (verzekeringspremies, verkeerstaks, radiotaks, financiële rente, etc.);
  • niet aftrekbare BTW omwille van de beperking van het recht op aftrek ten belope van 50 %

Voor een vastgesteld voordeel in natura inclusief BTW, wordt de volgende formule voorgesteld:

VOORDEEL INCLUSIEF BTW / 1,0855 = VOORDEEL EXCLUSIEF BTW

VOORDEEL INCLUSIEF BTW - VOORDEEL EXCLUSIEF BTW = VERSCHULDIGDE BTW

Voorbeeld

Het bedrag van het voordeel van alle aard is vastgesteld op 100.000 BEF inclusief BTW.

Het bedrag exclusief BTW wordt bekomen door 100.000 BEF te delen door 1,0855 = 92.123 BEF.

De verschuldigde BTW is het verschil tussen 100.000 en 92.123, namelijk 7.877 BEF.

Na een document opgemaakt te hebben noteert de belastingplichtige, in de praktijk, het bedrag van 7.877 in het rooster 61 van de periodieke aangifte.

Opmerkingen

    A. De forfaitaire formule voorgesteld door de administratie is geenszins verplicht. Zodoende kan de belastingplichtige die een nauwkeurige bepaling van de gedane uitgaven wenst, wagen per wagen, die methode steeds gebruiken. Dat betekent evenwel dat men in het bezit moet zijn van bewijzen en stukken tot staving van de reëel gedane uitgaven.

    B. De forfaitaire noemer van 1,0855 kan alleen gebruikt worden voor het BTW-percentage van 21% thans toepasselijk op de taxatie van dergelijke voordelen van alle aard.

    C. De enige personenwagens waarvoor de forfaitaire noemer van 1,0855 geldt, zijn die waarvoor het aftrekbaarheidsplafond van 50% van toepassing is.

    D. Op voorwaarde dat de belastingplichtige, ten eigen bate, een schuldvordering heeft ten belope van het bedrag van het voordeel van alle aard, vertegenwoordigt die schuldvordering het bedrag dat geëist wordt voor de ter beschikkingstelling van het voertuig. Die schuldvordering wordt belastbaar op de totaliteit inclusief BTW. Desgevallend zou de 100.000 BEF voordeel van alle aard een verschuldigde BTW genereren van 100.000 x 21/121, namelijk 17.500 BEF;
    Dat is zo voor de belastingplichtige die een factuur opmaakt op naam van de begunstigde, of die het bedrag van het voordeel op de rekening-courant van de zaakvoerder of bestuurder plaatst.

3.2.2. Personenwagens waarvoor de aftrek lager ligt dan de helft van de BTW

De forfaitaire noemer wordt dan bepaald op de volgende wijze:

  • 10% aftrekken van het voordeel in natura inclusief BTW omwille van de uitgaven die niet aan die belasting onderworpen zijn;
  • de extractie van de niet aftrekbare BTW die nog vervat zit in het saldo van 90%;
  • terugbrengen naar een bedrag inclusief 21% BTW;
  • het totaal van het voordeel in natura opnieuw samenstellen door de 10% (afgetrokken voor niet aan BTW onderworpen uitgaven) opnieuw toe te voegen.

Voorbeeld

De verrichtingen tot staving van wat er uitgaat in de vennootschap bestaan uit verrichtingen die recht geven op aftrek ten belope van 70% (prestaties van commerciële tussenpersoon, bijvoorbeeld).

Voor de resterende 30% doet die vennootschap verrichtingen die geen recht geven op aftrek (prestaties vrijgesteld bij artikel 44 van het BTW Wetboek, verzekeringsmakelaar, bijvoorbeeld).

De algemene aftrekprorata bedraagt bijgevolg 70%.

Het recht op aftrek is het volgende:

    50 % (algemene beperking van het recht op aftrek van toepassing op personenwagens)
    * 70 %(economische activiteit met recht op aftrek)
    namelijk 35% aftrekbare BTW (65% niet aftrekbaar).

Nemen we het voordeel van alle aard voor het gebruik van een personenwagen van een bedrag van 100.000 BEF inclusief BTW.

De forfaitaire noemer wordt als volgt samengesteld:

  • extractie van 1/10 voor uitgaven niet onderworpen aan de BTW, zijnde een saldo van 9/10 (0,9);
  • aftrekking van de niet aftrekbare BTW van 65 % vervat in het saldo van 9/10 (65% niet aftrekbare BTW * 21 % = 13,65 % niet afgetrokken BTW)
    zijnde 0,9 * 100/113,65 = 0,7919049
  • bepaling inclusief 21% BTW, zijnde 0,7919049 * 1,21 = 0,9582049
  • wedersamenstelling van de totaliteit van het voordeel in natura inclusief BTW door toevoeging van de 10% uitgesloten voor niet aan BTW onderworpen uitgaven, zijnde
    0,1 + 0,9582049 = 1,0582049

Het voordeel van alle aard exclusief BTW wordt bekomen door het voordeel inclusief BTW te delen door de forfaitaire noemer:

100.000 / 1,0582049 = 94.500

De verschuldigde BTW bedraagt 100.000 - 94 500, dus 5 500 BEF.

Opmerkingen

A. BTW aftrekbaar door de gemengde belastingsplichtige vennootschap

    De aftrekbare 35 % BTW (50 % * 70%) wordt aldus bepaald, omdat het om een gemengde belastingplichtige gaat.

    Zo’n belastingplichtige is gemengd omdat hij binnen zijn economische activiteit zowel verrichtingen realiseert die recht geven op aftrek (70%) als andere die geen recht geven op aftrek (30 %).

    Het is de economische activiteit in haar geheel die in beschouwing dient te worden genomen.

    Bijgevolg dient het aftrekbare percentage (70 %) toegepast te worden op het gedeelte dat had kunnen worden afgetrokken door een belastingplichtige wier economische activiteit volledig recht op aftrek zou hebben gegeven.

    Zo’n belastingplichtige zou in principe niet meer dan 50 % BTW hebben kunnen aftrekken.

B. BTW aftrekbaar door een natuurlijk persoon

    Voor een natuurlijke persoon van wie de bestemming 70 % zou bedragen voor een economische activiteit die volledig recht geeft op aftrek en 30 % voor privé-gebruik, zou de aftrekbare BTW 50 % hebben bedragen.

    De economische bestemming zorgt immers voor geen enkele beperking van het recht op aftrek.

    Alleen omwille van de privé-aanwending worden de resterende 30 % niet aftrekbaar.

    De belastingplichtige kan dan de aftrek vorderen van de helft, aangezien de economische bestemming het recht op aftrek niet beperkt.

    Noteer nog dat voor een natuurlijke persoon de vaststelling van een voordeel van alle aard voor het privé-gebruik van een autovoertuig enkel denkbaar is in de betrekkingen tussen de werkgever en zijn personeel.

    Deze ontwikkeling heeft voornamelijk tot doel om elke dubbelzinnigheid in de uitvoering van het recht op aftrek te vermijden.

C. Synthese van het voornemen om de aftrekbare BTW te bepalen voor een belastingsplichtige onderworpen aan de algemene aftrek-prorata of aan de reële aanwending omwille van een gemengde belastingsplicht.

  • Vooreerst dient alle BTW die een belastingplichtige van wie de economische activiteit volledig recht geeft op aftrek, nooit, en in geen enkele geval, kan aftrekken (privé-kosten, bijzondere beperking inzake personenwagens, etc.), van de aftrek verwijderd te worden.

  • Op het saldo de algemene aftrek-prorata of de regel van de reële aanwending toepassen.

D. Synthese van het voornemen om de aftrekbare BTW te bepalen buitende algemene aftrek-prorata en de reële aanwending.

  • De privé-uitgaven uit de aftrek verwijderen.

  • Het gedeelte onderzoeken van de bestemming voor de economische activiteit die recht geeft op aftrek (volledige afwezigheid van andere economische activiteiten die geen recht geven op aftrek):

Gedeelte van de bestemming voor de economische activiteit die volledig recht geeft op aftrek:

  1. gelijk aan of meer dan 50 % = aftrek van de helft

  2. minder dan 50 % = aftrek van het gedeelte voor de aanwending

Voorbeelden

  1. Een natuurlijke persoon oefent de enige economische activiteit uit van zelfstandig boekhouder.
    Zijn personenwagen wordt beroepshalve gebruikt pro rata van 6/7 (1/7 privé).
    Het recht op aftrek bedraagt 50% van de BTW.

  2. Diezelfde persoon gebruikt de wagen pro rata van 2/7 voor zijn economische activiteit en van 5/7 voor zijn privé-gebruik.
    De aftrekbaarheid bedraagt 2/7 (en nooit 2/7 x 50%)

3.2.3. Auto’s niet onderworpen aan de beperking tot de helft van het recht op aftrek

De auto’s, anderen dan personenwagens (bestelwagens, sommige 4x4 wagens, etc.,) zijn niet onderworpen aan het plafond van aftrekbaarheid van de helft.

De aftrek kan verricht worden volgens de economische bestemming die recht geeft op aftrek, doorgaans 100 %.

Dat neemt niet weg dat die auto’s eveneens het voorwerp kunnen uitmaken van de bepaling van een voordeel van alle aard voor privé-gebruik.

Rekening houdend met de niet-toepassing van de beperking van het recht op aftrek voor dergelijke voertuigen, dient de forfaitaire noemer aangepast te worden.

De aanpassing is de volgende, voor een bepaald voordeel van alle aard inclusief BTW en in de veronderstelling van een volledige aftrek:

  • extractie van 1/10 voor niet aan BTW onderworpen uitgaven, zijnde een saldo van 0,9

  • bepaling van het bedrag inclusief 21 % BTW, zijnde 0,9 * 1,21 = 1,089

  • wedersamenstelling van het volledige voordeel in natura door inlijving van het 1/10 van niet aan BTW onderworpen uitgaven, zijnde 0,1 + 1,089 = 1,189

Voorbeeld

We nemen als voorbeeld een voordeel van alle aard van 60.000 BEF, inclusief 21 % BTW, voor het gebruik van een bestelwagen volledig bestemd voor een activiteit die recht geeft op aftrek.

Het bedrag exclusief BTW wordt bekomen door het bedrag van 60.000 BEF inclusief BTW te delen door de forfaitaire noemer van 1,189, namelijk 50.463 BEF.

De verschuldigde BTW bedraagt 60.000 - 50.463, zijnde 9.537 BEF.

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00