Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 78 - 15.06.00 - Misbruik van vennootschapsgoederen

Editie nr 78 van 15 juni 2000

Misbruik van vennootschapsgoederen

    Auteur:
    Georges Cottin,
    Advocaat, Bours &Associés

1. Begrippen

Art. 492 bis van het Strafwetboek werd ingevoerd door de faillissementswet van 8 augustus 1997. Het heeft betrekking op:

“...De bestuurders, in feite of in rechte, van burgerlijke en handelsvennootschappen, alsook van verenigingen zonder winstoogmerk, die met bedrieglijk opzet en voor persoonlijke rechtstreekse of indirecte doeleinden gebruik hebben gemaakt van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon, hoewel zij wisten dat zulks op betekenisvolle wijze in het nadeel was van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten”.

Die bepaling heeft tot doel de handelingen te begrijpen van bestuurders die hun bevoegdheden niet in het belang van de vennootschap gebruiken maar om persoonlijke doeleinden gebruikmaken van rechten of goederen die toebehoren aan de vennootschap.

Vóór de inwerkingtreding van art.492 bis werden sommige van die handelwijzen bestraft als misbruik van vertrouwen.

Misbruik van vertrouwen wordt omschreven bij art. 491 van het Strafwetboek dat bepaalt:

“Hij die ten nadele van een ander goederen, gelden, koopwaren, biljetten, kwijtingen, geschriften van om het even welke aard, die een verbintenis of een schuldbevrijding inhouden of teweegbrengen en die hem overhandigd zijn onder verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, bedrieglijk verduistert of verspilt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met een geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank. De schuldige kan bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33”.

De toepassing van art. 491 van het Strafwetboek veronderstelt een verduistering of een verkwisting. Concreet betekent dit dat de dader van het misdrijf zich gedraagt als enige eigenaar van de aldus verduisterde of verkwiste goederen.

Zoals de rechtsleer heeft vastgesteld (E-R FRANCE, la Répression des abus de biens sociaux: le nouvel article 492 bis du Code Pénal, J.T. 1999, p. 533; Fr. ROGGEN, Noten onder cassatie 17 maart 1999, J.T., 1999, p. 447), was de toepassing van art. 491 van het Strafwetboek vaak onvoldoende in omstandigheden waarin het misbruik van de vennootschapsgoederen, in hoofde van de betrokken persoon, niet samenviel met de wil om zich als eigenaar van de goederen in kwestie te doen gelden.

De rechtspraak (zie meer bepaald Brussel, 11 juni 1993, J.L.M.B., 1993, p. 1061) heeft de moeilijkheid omzeild door ervan uit te gaan dat het toepassingsgebied van art. 491 van het Strafwetboek eveneens de handelwijze omvat die erin bestaat “een bestanddeel van het actief aan zijn sociale bestemming te onttrekken door daaraan niet het gebruik en het doel te schenken die het normaliter zou moeten hebben”.

Die bijzonder uitgebreide interpretatie werd op een heel terughoudende wijze door de rechtsleer onthaald voor zover het criterium van de aantasting van de roerende eigendom vervangen werd door “oneerbiedigheid ten opzichte van de contractuele trouw” [vrije vertaling] (M. GRISARD, L’équivoque de la notion de détournement, Ann. Dr. Liège, 1989, 157 en v.; J-P BLOUMBERG en R. NIEUWDORP, Juridische aspecten van de management buy-out, R.D.C., 1989, p. 134).

Bovendien is art. 491 van het Strafwetboek alleen toepasselijk op roerende goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van een ruil of een handel. Bijgevolg is het niet van toepassing op onroerende goederen en op onlichamelijke activa.

Teneinde bepaalde types van handelwijzen te begrijpen die, op zich, niet bedoeld waren bij art. 491 van het Strafwetboek en teneinde eveneens elementen te omschrijven die geen deel uitmaken van deze strafbaarheid, heeft de wetgever een nieuwe bepaling ingevoerd: art. 492 bis.

2. Bestanddelen

2.1. Gebruik van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon

Dat gebruik dient in de ruimste betekenis van het woord verstaan te worden. Zoals dat (in principe) het geval was bij het misbruik van vertrouwen, is het uitgesloten om alleen de daden van toe-eigening te bestraffen. Het gebruik omvat elke aanwending, alle procédés en alle handelingen. Het gebruik hoeft niet noodzakelijk herhaald te zijn om strafbaar te zijn. Bovendien is geenszins vereist dat het goed waarop het gebruik betrekking heeft, ingevolge dat gebruik onttrokken wordt aan het vermogen van de rechtspersoon.

Een bijzonder pertinente vraag met betrekking tot het begrip “gebruik” is de volgende: behoort een onthouding of een verzuim daar eveneens toe?

Mogen we bijgevolg ook spreken van een verboden gebruik wanneer een bestuurder van een rechtspersoon van een andere vennootschap waarin hij belangen heeft, de betaling niet vordert van leveringen die aan deze werden gedaan?

Op die vraag heeft het Franse Hof van Cassatie (15 maart 1972, Gaz. Pal., TT 1971-1973, „Société commerciale”, nr 245, B 707) bevestigend geantwoord.

Die houding wordt thans bekritiseerd door de Belgische rechtsleer die aanneemt dat onthouding niet gelijkgesteld kan worden met gebruik, maar de rechtspraak heeft nog niet de gelegenheid gehad om zich uit te spreken.

De goederen van de rechtspersoon waarvan sprake in art. 492 bis omvatten alle roerende of onroerende, lichamelijke of onlichamelijke activa die toebehoren aan de rechtspersoon. Het toepassingsgebied is bijgevolg heel ruim. De onlichamelijke activa (cliënteel, informaticagegevens, merk,...) zijn niet uitgesloten van het toepassingsgebied van de wet.

Het begrip “krediet” is al even ruim want deze omvat niet meer of minder dan de reputatie van de vennootschap omwille van haar kapitaal, de aard van haar activiteiten en de goede gang van zaken van de onderneming (Meer bepaald, JEANDIDIER, Droit pénal des affaires, 1991, p. 284 en volgende).

Tenslotte dient vastgesteld te worden dat art. 492 bis niet alleen van toepassing is op de handelsvennootschappen maar eveneens op de burgerlijke vennootschappen en de vzw’s.

2.2. Een bestuurder in feite of in rechte

De officiële bestuurders van de rechtspersoon (afgevaardigd bestuurder, zaakvoerder,...) zijn niet de enigen waarop de tekst betrekking heeft.

Die verwijst naar de “bestuurders in feite”, dat wil zeggen de persoon die in werkelijkheid, zonder een orgaan te zijn van de rechtspersoon, effectief het bestuur daarvan verzekert, ongeacht zijn statuut.

De bestuurder in rechte kan zich beroepen op de overdracht van bevoegdheden die aan een andere persoon zouden zijn overgedragen om te ontsnappen aan vervolgingen.

De overdracht van bevoegdheden kan als volgt worden omschreven “de handeling, in een zeer ruime betekenis, waardoor de vennootschap of haar bestuurder, gehouden aan de verplichting om toe te zien op de naleving van de strafwetgeving, aan een bepaalde andere, natuurlijke of rechtspersoon, begiftigd met de bekwaamheid, het gezag en de nodige middelen, haar/zijn bevoegdheden en plichten overdraagt om in haar/zijn plaats toe te zien op de naleving van de strafwet” [vrije vertaling] (E. ROGER-FRANCE, La délégation de pouvoirs en droit pénal ou comment prévenir le risque pénal dans l’entreprise, J.T., 2000, p. 259, N° 9).

De persoon aan wie de bevoegdheden werden toevertrouwd, dient bijgevolg te beschikken over de nodige bekwaamheid en het nodige gezag om effectief toe te zien op de naleving van de wet.

We benadrukken nogmaals dat de manier waarop de bevoegdheden concreet en werkelijk worden uitgeoefend, datgene is wat telt.

Indien de bestuurder in rechte, in weerwil van de bevoegdheidsoverdracht, in werkelijkheid de controle behield over de activiteiten van de vennootschap, zal hij het zijn die in principe vervolgd wordt.

Rekening houdend met de recente invoering van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen, kan de besturende rechtspersoon in rechte of in feite eveneens vervolgd worden.

2.3. Het gebruik dient op betekenisvolle wijze in het nadeel te zijn van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten.

Bij het lezen van de tekst is duidelijk dat de wetgever niet de bedoeling heeft om onbeduidende handelingen zonder belang te bestraffen.

Toch heeft de wetgever zich niet onderscheiden door buitenmatige precisie.

Welke zijn de criteria op basis waarvan de rechter, bij wie een zaak aanhangig werd gemaakt, het gebruik “op betekenisvolle wijze” in het nadeel van de rechtspersoon zal beoordelen?

Met betrekking tot welke bestanddelen zal de aantasting van de vermogensbelangen als betekenisvol beschouwd worden?

De winst, de omzet...?

Het zal uiteraard aan de rechtspraak toekomen om inhoud te geven aan het begrip aantasting die “op betekenisvolle wijze nadeel berokkent”, maar, samen met E. ROGER FRANCE (op. cit., p. 536, N°17), betreuren we wel de juridische onzekerheid die er rond hangt en de mogelijkheid om bestuurders met terugwerkende kracht te bestraffen voor feiten die meer betrekking hebben op een foutief bestuur dan op de strafrechtelijke omschrijving.

De wetgever heeft aan de rechters een aanzienlijke macht verleend.

Het zal aan hen toekomen om, naargelang van de specificiteiten van elk geval, het “betekenisvolle” karakter van de aantasting te beoordelen.

Dan is er nog het probleem van de toepassing van art. 492 bis van het Strafwetboek op groepen van vennootschappen. Zal de nieuwe wettelijke bepaling ook betrekking hebben op de overdracht van vennootschapsgoederen van de ene vennootschap van een groep ten voordele van een andere vennootschap van dezelfde groep?

Die kwestie wordt door geen enkele tekst geregeld en geen enkele tekst definieert het begrip “groep van vennootschappen”. Toch dient vastgesteld dat het Franse Hof van Cassatie (4 februari 1985, Rev. Soc., 1985, p. 468; Cass. Française, 13 februari 1989, Rev. Soc., 1989, p. 692; Cass. Française, 23 februari 1991, Rev. Soc. 1991, p. 785) de daders van die overdrachten heeft ontslagen voor zover ze zich hebben laten leiden door een gemeenschappelijk economisch, sociaal of financieel belang beoordeeld in het licht van een beleid dat uitgestippeld werd voor het geheel van die groep, en die overdrachten niet zonder tegenprestaties zijn of het evenwicht niet breken tussen de respectieve verbintenissen van de diverse betrokken vennootschappen of de financiële mogelijkheden niet overschrijden van die welke de last daarvan dragen (E. ROGER FRANCE, op. cit., p. 537, N° 19).

Tenslotte dient opgemerkt dat de wettekst een dubbele voorwaarde oplegt: het gebruik dient op een betekenisvolle wijze nadeel te berokkenen aan de vermogensbelangen van de rechtspersoon EN van die van zijn schuldeisers of vennoten.

Derhalve is er geen sprake van misbruik van vennootschapsgoederen zodra niet op betekenisvolle wijze aan de vermogensbelangen van de schuldeisers of van de vennoten nadeel werd berokkend.

Tot de schuldeisers behoren de leveranciers, de kredietinstellingen, de werknemers, de Schatkist,...

2.4. Moreel bestanddeel

Art. 492 bis legt een drievoudige voorwaarde op: de dader van het misdrijf dient te handelen:

  • Met bedrieglijk opzet;
  • Voor persoonlijke doeleinden;
  • Wetende dat zulk gebruik op betekenisvolle wijze nadeel kan berokkenen.

Volgens de klassieke definitie is het bedrieglijk opzet het opzet om zichzelf of een ander een onwettig voordeel te bezorgen.

Bovendien dient de dader gehandeld te hebben voor persoonlijke doeleinden maar er dient opgemerkt dat:

  • Enerzijds aan die voorwaarde wordt voldaan zodra de bestuurder zichzelf indirect, dat wil zeggen via tussenpersonen, een voordeel heeft bezorgd;
  • Het belang niet uitsluitend van geldelijke orde is. Het kan ook moreel zijn (met name een reputatie aanhouden).

Noteer tenslotte dat voor de toepassing van art. 492 bis het noodzakelijk is dat de dader van het gebruik er kennis van heeft dat zulk gebruik op betekenisvolle wijze nadeel kan berokkenen.

2.5. Straffen

Art. 492 bis voorziet een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en een boete van 100 BEF tot 500.000 BEF, zijnde 200.000 BEF tot 100.000.000 BEF, rekening houdend met de opdeciemen.

Poging tot misbruik van vennootschapsgoederen is niet voorzien door de tekst en bijgevolg niet strafbaar.

2.6. Conclusies

De tekst had voornamelijk tot doel handelwijzen te omschrijven die niet bedoeld waren door het misdrijf van misbruik van vertrouwen, of die dat slechts waren tegen een door de rechtsleer ongelukkig bevonden betekenisuitbreiding.

Zo’n streven naar duidelijkheid en precisie is uiteraard lovenswaardig, zelfs onontbeerlijk wanneer het om strafrechtelijke misdrijven gaat.

Toch moeten we vaststellen dat de omlijning van dat nieuwe misdrijf weinig nauwkeurig is en dat de gebruikte termen (met name “op betekenisvolle wijze nadeel berokkenen”) op zich geen betekenis dragen voor de economische actoren en dat er geen a priori grens wordt aangeduid vanaf waar ze dat misdrijf begaan.

Die situatie is des te betreurenswaardiger wanneer men bedenkt dat de nieuwe tekst in de komende jaren waarschijnlijk talrijke toepassingen zal vinden.

De lijn tussen onnauwkeurigheid en juridische onzekerheid is dun en lijkt andermaal overschreden.

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
Navigatie
  • TERUG