Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 77 - 31.05.00 - Het belastingskrediet in de praktijk

Editie nr 77 van 31 mei 2000

Het belastingkrediet in de praktijk

    Auteur:
    José HAUSTRAETE
    Lid Nationale Raad

Via de wet van 20 december 1995 werd een nieuw belastingkrediet ingevoerd. De bedoeling was het "eigen vermogen" van de Belgische ondernemingen – zowel vennootschappen als eenpersoonsondernemingen – te verbeteren.

De term "belastingkrediet" had evenwel niets meer te maken met dezelfde term, zoals die in de fiscale wetgeving in het verleden bestond. Er werd een fiscale tussenkomst georganiseerd die totaal verschilt bij vennootschappen in vergelijking met eenpersoonsondernemingen.

In de praktijk wordt vastgesteld dat:

  • bij vennootschappen van deze formule wordt genoten ter gelegenheid van de oprichting of kapitaalverhoging;
  • bij eenpersoonsondernemingen quasi alleen starters kunnen genieten van de betrokken maatregel.

Voor de oorzaken, kenmerken, de pro en de contra alsmede de beoordeling van het belastingkrediet verwijzen wij naar de vakliteratuur1.

1. Individuele ondernemingen - vrije beroepen.

Teneinde zelfstandigen - natuurlijke personen aan te moedigen om investeringen te financieren met eigen middelen wordt hun eveneens een belastingkrediet toegestaan: 10%, met een maximum van 150.000 BEF, van het meerdere van:

  • het op het einde van het belastbare tijdperk bestaande positieve verschil tussen de fiscale waarde van de in artikel 41 WIB 92 vermelde vaste activa en het totale bedrag van de schulden met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar die betrekking hebben op uitgeoefende beroepswerkzaamheden die winst of baten opbrengen;
  • ten opzichte van het op het einde van één van de drie voorafgaande belastbare tijdperken bereikte hoogste bedrag van dit verschil (artikel 289bis W.I.B.)

Het belastingkrediet wordt afgetrokken van de te betalen belasting en niet van het belastbaar inkomen.

Het werkdocument in bijlage2 is hoofdzakelijk gebaseerd op de cijfers van de afschrijvingstabel en de saldo’s van de leningen. Het legt bovendien een link met het “formulier 276 J”, dat bij de fiscale aangifte moet worden gevoegd. De vakken in grijswaarde worden als input ingebracht en de rest verloopt automatisch nl. via formules, opgenomen in dit schema. Om deze redenen wordt het werkdocument ter beschikking gesteld in bijlage.

Ter info: het schema is beschikbaar voor verschillende jaren gezien alle gegevens zich aanpassen in functie van de input van het basisjaar x. Om die reden hebben wij bij wijze van voorbeeld met opzet de gegevens over de jaren 1994 en 1995 laten staan. Deze kunnen evenwel geschrapt worden voor het belastingkrediet inkomsten 1999.

Opmerkenswaard is dat via de wet van 4 mei 1999 (BS 12 juni 1999) het begrip “schulden” nauwkeurig werd gedefinieerd: enkel de schulden met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar worden meegeteld voor de berekening van het belastingkrediet. Deze nuancering geldt vanaf het aanslagjaar 2000.

Noot: gezien privé-fondsen hoofdzakelijk opgebouwd worden met netto gelden – m.a.w. nadat de hoogste personenbelasting is betaald – is het niet evident dat deze fondsen zomaar worden aangewend in de bedrijfssfeer. Bij fiscale fictie worden de roerende goederen, belegd in het bedrijf, bovendien geacht bedrijfsopbrengsten te genereren. Deze bedrijfsopbrengsten zijn op hun beurt onderhevig aan de marginale tarieven van de personenbelasting, de verhoging wegens onvoldoende voorafbetaling alsmede aan de sociale bijdragen. In het geciteerde artikel, gepubliceerd in A.F.T. (Algemeen Fiscaal Tijdschrift) blijkt dat het niet zo evident is dat belastingplichtigen deze privé-fondsen aanspreken om eenmalig te kunnen genieten van een belastingkrediet.

Tip: volgende snelle berekening geeft reeds een idee of het belastingkrediet al dan niet zal van toepassing zijn :

    investeringen boekjaar
      - afschrijvingen boekjaar
      - terugbetaling leningen
      + opname leningen

Indien het resultaat van deze bewerking positief is, is er wellicht recht op belastingkrediet. Is het resultaat negatief, zal er niet van het belastingkrediet kunnen genoten worden.

2. Vennootschappen

Bij vennootschappen wordt de inspanning geleverd door de aandeelhouders en komt de fiscale stimulans enkel ten goede van de vennootschap. Met ingang van het aanslagjaar 1997 wordt aan de vennootschappen, die effectief recht hebben op de verlaagde tarieven inzake vennootschapsbelasting, een fiscaal voordeel verleend dat verbonden is met de toename van het eigen vermogen: een belastingkrediet van 7,5%, met een maximum van 800.000 BEF per jaar. Met de “toename van het eigen vermogen” wordt de verhoging bedoeld van het in geld gestorte maatschappelijk kapitaal op het einde van het belastbare tijdperk ten opzichte van het hoogste bedrag, bereikt door het in geld gestorte kapitaal op het einde van één van de drie voorgaande belastbare tijdperken (artikel 289bis W.I.B.)

De kapitaalverhogingen doorgevoerd door de N.V.’s met het oog op het naleven van het nieuwe minimumkapitaal van 2,5 miljoen BEF, ingevoerd door de wet van 13 april 1995, kunnen evenwel niet genieten van dit nieuwe belastingkrediet.

Opgelet: zorg ervoor dat alle voorwaarden voldaan zijn om van het verlaagd tarief te genieten. In die zin is het aangewezen om een verlengd boekjaar te programmeren3 en de één-miljoenregel te respecteren. Bij startende ondernemingen zijn deze twee elementen niet zo evident.

Het reëel belang van het belastingkrediet

Elke besparing van inkomstenbelasting is een netto-besparing. Indien door de verrekening van een belastingkrediet uiteindelijk vb. 130.000 BEF minder belastingen betaald worden dan heeft deze fiscale stimulus eigenlijk een waarde van 412.000 BEF indien het fiscaal en parafiscaal tarief gelijk is aan 55 % en er 30 % variabele kosten zijn bij de betrokken eenpersoonsonderneming. Inderdaad : 412.000 – 124.000 (nl. 30% kosten) = 288.000 BEF; 288.000 – 158.000 (nl. 55 % sociale bijdragen en inkomstenbelasting) = 130.000 BEF.

Raar maar waar : in de praktijk blijkt het regime van het belastingkrediet relatief weinig gebruikt te worden. Ons inziens zijn de oorzaken hiervan tweeërlei:


    a. de berekening in de personenbelasting is eerder complex en aldus prohibitief
    b. in de praktijk kunnen hoofdzakelijk beginners genieten van het systeem.

Gezien het eenmalig karakter van de operatie is het weinig interessant om duur verdiende – nl. belast aan de hoogste (para)fiscaliteit – centen vrij te maken ten gunste van het bedrijf. Een jaarlijks terugkerende incitant – vb. de mogelijkheid tot het aftrekken van een bepaalde (vb. de debetintrest) intrest, berekend op het eigen vermogen van een eenpersoonsonderneming – ware daarentegen wél een ware fiscale stimulus ter bevordering van het eigen vermogen in een eenpersoonsonderneming. Deze suggestie voor de wetgever is trouwens enkel en alleen gebaseerd op het respect van het Belgisch grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. In de huidige fiscale wet wordt de opbrengst van in het bedrijf belegde roerende waarden – nl. het eigen vermogen – belast aan de hoogste (para)fiscaliteit terwijl voor de buurman slechts een belastingtarief geldt van 15 %.

De cijfers blijken dit alles te bevestigen: voor aanslagjaar 1997 werd slechts voor 6.683 gevallen en voor 175 mio BEF belastingkrediet in de aangiften opgenomen. Voor 6.214 dossiers werd effectief 152 mio BEF verrekend. Voor aanslagjaar 1998 daalde dit aantal tot 5.217 en 132 mio BEF. Voor 5.087 dossiers werd slechts 125 mio BEF effectief verrekend als belastingkrediet!

Voor de vennootschappen hebben wij het over 2.094 (aanslagjaar 1997) en 3.648 (aanslagjaar 1998) gevallen en 297 mio (aanslagjaar 1997) en 503 mio BEF (aanslagjaar 1998). Ondanks dat degenen, die de inspanning leverden – nl. de aandeelhouders -, persoonlijk geen enkel fiscaal voordeel halen is het succes groter bij vennootschappen. De eenvoud in de berekening alsmede de recuperatiemogelijkheid van het belastingkrediet voor vennootschappen, zowel bij oprichting als latere kapitaalverhoging, zijn hier wellicht niet vreemd aan.

De conclusie is duidelijk : het belastingkrediet is een interessant “meenemertje” dat in de personenbelasting te weinig wordt gebruikt omwille van de complexiteit van het systeem. Via bijgevoegd werkdocument – dat niet via diskette doch enkel via de website van het B.I.B.F.kan gedownload worden (zie boven) – hebben wij gemeend de cliënten van de Erkende boekhouders en fiscalisten B.I.B.F. een extra doch eenmalig fiscaal geschenk aan te bieden.

----------------------------


1. "Het belastingskrediet anno 1996", J. Haustraete, A.F.T. 4-5 - april-mei 1996, p. 135-143
2. Werkdocument i.v.m. belastingskrediet in bijlage
3."Bedrijfsleiders en de één-miljoenregel: tweemaal pech!", J. Haustraete, Pacioli nr.23, 31 januari 1998, p.8


Laatst gewijzigd op 31/10/2011 14:30:00