Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 76 - 15.05.00 - Onderhoud met de Minister van FinanciŽn

Editie nr 76 van 15 mei 2000

Onderhoud met de Minister van FinanciŽn

De heer Didier Reynders, huidig Minister van FinanciŽn heeft ons de eer gegund om de leden van het Bureau van het Instituut : de heer Paul Ledent, Voorzitter, mevrouw FranÁoise Philippe, Ondervoorzitster, mevrouw Vťronique Goddeeris, Penningmeester en de heer Geert Lenaerts, Directeur-Generaal te ontvangen. De heer Reynders lichtte, voor de leden van het Instituut, een aantal actuele thema’s toe.

BIBF: Vooreerst willen wij u danken voor de ontvangst hier op uw kabinet.

Graag zouden wij het met u hebben over verscheidene kwesties die van belang kunnen zijn voor onze leden, zelfstandige boekhouders-fiscalisten.

Kan u ons de doelstellingen uiteenzetten van de Regering inzake fiscaal beleid?

De heer Reynders: Inzake het algemene fiscale luik en zonder in de details te treden van de fiscale problematiek, is het de voornaamste doelstelling van de Regering om de fiscale en parafiscale druk te verlagen en dit vooral op de arbeid. Enerzijds houdt dit een vermindering in van de arbeidskosten voor de ondernemingen (dit is het luik "verlaging van de sociale lasten van de werkgever") en anderzijds een verhoging van het nettoloon van de werknemers. Het betreft hier het verminderen van de persoonlijke bijdrage. Inzake de laagste lonen werden reeds maatregelen genomen om de fiscale druk te verminderen.

BIBF: En inzake de sociale lasten?

De heer Reynders: Voor de zelfstandigen en de heel kleine ondernemingen waren reeds bijzondere bepalingen van toepassing. Nu hebben wij een algemene maatregel uitgewerkt die sedert 1 april van kracht is op elk type van onderneming waar personeel in dienst is. In feite betreft het een lastenverlaging van 32.000 BEF per tewerkgestelde persoon.

Dit sociale luik zal opnieuw geŽvalueerd worden in de loop van deze legislatuur, dat wil zeggen eind 2001. Naargelang de weerslag op de werkgelegenheid zullen wij dan zien of er een tweede grote inspanning vereist is of niet.

BIBF: Op welk type van werknemers zullen deze maatregelen op sociaal vlak betrekking hebben?

De heer Reynders: Wij wensen dat het fiscaal beleid een impact zou hebben op alle werknemers, loontrekkenden en zelfstandigen. De actie beoogt dus vooral de belasting van de natuurlijke personen.

Ik zal u de hervorming samenvatten zonder in al haar finesses te treden. Ze zal geleidelijk aan, in fasen, gebeuren.

De eerste maatregel, en misschien wel de belangrijkste, die door de Regering getroffen werd en aan het Parlement voorgesteld werd, houdt in dat er geen nieuwe belastingen, noch verhogingen van bestaande belastingen komen. Dit is reeds een breuk met de vroegere situatie. In de belastingswet die in het Belgisch Staatsblad van 31 december jongstleden gepubliceerd is, vindt u geen enkele tekst waarin voorzien wordt in een belastingverhoging of een nieuwe belasting.

Tweede element, voor de eerste maal sedert 1992 indexeren of herindexeren wij vrijwel alle belastingbarema’s. Dit betekent het einde van de opschorting van de indexering van de belastingbarema’s waartoe elk jaar beslist werd. Deze bepaling zal uiteraard vertaald worden in een vermindering van de fiscale ontvangsten inzake bedrijfsvoorheffing. Er zal in 2000 zelfs een begrotingsinspanning gedaan moeten worden

Een derde maatregel is de geleidelijke afschaffing van de aanvullende crisisbijdrage. Het is tevens een ietwat uitzonderlijke maatregel, omdat men in BelgiŽ gewoontegetrouw aanneemt dat een voorlopige overgangsbepaling uiteindelijk definitief wordt. Onze intentie wordt nu bevestigd door een beslissing van de Regering. De bijdrage zal stap voor stap afgeschaft worden, wat concreet betekent dat:

  • voor de inkomens van 1999 een vermindering van 1% zal worden toegepast op de inkomens lager dan 850.000 BEF;

  • voor de inkomens van 2000, een tweede verlaging toegepast zal worden voor deze zelfde categorie en dat voor de inkomens tussen 850.000 BEF en 1.250.000 BEF een eerste verlaging van 1% zal worden toegepast;

  • vervolgens zal er een totale afschaffing komen voor het eerste gedeelte, een vermindering van 2% voor het gedeelte tussen 850.000 BEF tot 1.250.000 BEF en van 1% voor de inkomens boven 1.250.000 BEF. De geleidelijke afschaffing zal over deze legislatuur gespreid worden.

Deze drie luiken kunnen als volgt worden samengevat:
1. een fiscale stop
2. volledige herindexering van de belastingsschalen
3. afschaffing van de aanvullende crisisbijdrage.

BIBF: Kan u de gevolgen van deze hervormingen in begrotingstermen uitdrukken?

De heer Reynders: De volledige herindexering van de fiscale belastingschalen met als basis het huidige inflatiecijfer en de afschaffing van de aanvullende crisisbijdrage, zullen op het einde van deze legislatuur (op jaarbasis 80 miljard) belastingverlaging betekenen ten opzichte van hoe de toestand geweest zou zijn indien deze maatregelen niet waren toegepast.

Aangezien de belasting van de natuurlijke personen op dit ogenblik iets meer dan 1000 miljard vertegenwoordigt, betekent dat een vermindering van 8%.

BIBF: Welke andere maatregelen stelt u in het vooruitzicht in de loop van deze legislatuur? Wat zal hun weerslag zijn voor de zelfstandigen en de KMO-leiders?

De heer Reynders: De eerste bepalingen die opgenomen zijn in de wet die op 31 december 1999 gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad kondigen inderdaad een fiscale hervorming aan die in oktober 2000 van toepassing zal zijn.

Het betreft gewoon het optrekken van het belastbaar minimum om er aldus voor te zorgen dat steeds minder mensen met lage inkomens nog belastingen betalen. Deze maatregel zou betrekking kunnen hebben op een groot aantal zelfstandigen.

Ik ga hier uit van het principe dat het echt geen zin heeft tegelijk belastingen te betalen en een sociale uitkeringen te ontvangen.

Wat de tweede hoofdlijn van de hervorming betreft, de herziening van de barema’s, wensen wij een kleiner aantal belastingbarema’s voor te stellen en misschien tegelijkertijd het debat te openen over de hoogste barema’s.

Het is inderdaad niet normaal dat personen met een inkomen dat van hun arbeid afkomstig is, meer dan 50% belasting betalen. Hier zijn het de laatste twee barema’s die beoogd worden. Ik denk dat bepaalde belastingbarema’s afgeschaft kunnen worden, zoals bijvoorbeeld die onder aan de ladder. Men zou het tarief van 52,5% kunnen afschaffen in plaats van het tarief van 55% af te schaffen, maar dit laatste zou men dan sterk kunnen indexeren. In dit verband vrees ik eerder het ideologische debat dan het budgettaire. Dit luik vertegenwoordigt slechts vier of vijf miljard ten opzichte van de tientallen miljarden die de totale hervorming omvat. Ik ben er mij echter van bewust dat men steeds het voorbeeld zal vermelden van de persoon met een zeer hoog beroepsinkomen die een aanzienlijk fiscaal cadeau ontvangt.

Deze maatregel treft tevens de KMO’s. Inzake de belasting van de natuurlijke personen kan het optrekken van het belastbaar minimum betrekking hebben op een groot aantal zelfstandigen met lage inkomens, zoals ook de vrije beroepen waar men veel jonge beroepsbeoefenaars aantreft.

De wijziging van de barema’s zal ook betrekking hebben op een aantal loontrekkenden en zelfstandigen die een gemiddeld of hoog inkomen hebben en die op het ogenblik zwaar belast worden door de federale regering alsook door andere overheidsniveaus, met name door de gemeenten. In hun geval denk ik dat een grens van 50% logisch zou zijn, ook al kan men dan discussiŽren over het optrekken van de hoogste belastingschaal.

De laatste hoofdlijn ter zake is die van de fiscale neutraliteit. Deze maatregel betreft iedereen, zelfstandigen en loontrekkenden. Ik wens dat de levenskeuze geen invloed heeft op fiscaal vlak. Of men nu alleenstaande is, gehuwd of samenwonend, dit zou geen fiscale gevolgen mogen hebben. Tevens moet men rekening houden met het gezinsbeleid, met de aanwezigheid of afwezigheid van kinderen.

Deze hoofdlijnen zullen voorgelegd worden in het hervormingsplan dat ik in oktober van dit jaar zal indienen en waarvan ik hoop dat het op 1 januari 2002 van kracht zal worden.

BIBF: En op het vlak van de aftrekposten?

De heer Reynders: In de eerste plaats is er geen sprake van datgene wat men in de drie andere luiken zou geven, te compenseren door een vermindering van de aftrekposten. De ondernomen hervorming beoogt uiteindelijk een vermindering van de fiscale druk.

Het is de bedoeling de mechanismen van de aftrekbaarheden doorzichtiger te maken, te tonen dat ze een doel hebben: de pensioenen, de vastgoedinvestering, de werkgelegenheid zoals bijvoorbeeld de indienstneming van huispersoneel voor de particulieren. Deze vermindering zou waarschijnlijk forfaitair zijn.

Ik wens trouwens een aantal debatten te lanceren omtrent de mogelijkheid om aftrekposten te koppelen aan de beroepskosten of aan andere factoren.

Ik zal twee voorbeelden nemen die volgens mij rechtstreeks de sector van de zelfstandigen betreffen.

Het eerste was het debat dat ik inzette over de restaurantkosten. Het is trouwens op dit ogenblik aan de gang in het Parlement. Het gaat om het herstellen van het idee dat de beroepskosten afgetrokken moeten kunnen worden. Het beroepsmatig karakter van een restaurantuitgave kan betwist worden, maar als men uitgaat van het principe dat de uitgave beroepsmatig is, is er geen enkele reden de totale aftrek ervan te weigeren. Dit debat is tevens gekoppeld aan de deloyale concurrentie in de sector. Inderdaad, wanneer men de regel in de laatste belastinghervorming ingevoerd heeft, zag men dat de ondernemingen hun eigen systemen van interne restaurants gingen organiseren, om daarin ook klanten te ontvangen, leveranciers, concurrenten, politici of perslui. Dit betekent dat men, in plaats van op restaurant te gaan, waar personeel tewerkgesteld wordt en waar men 21% BTW en de andere lasten betaalt, die men slechts ten belope van 50% kan aftrekken, men zijn eigen restauratie organiseert zodat er een aftrekbaarheid is van 100%. Bovendien bedraagt de BTW dan nog slechts 6%.

Er werd reeds een beslissing genomen die rechtstreeks betrekking heeft op bepaalde sectoren. Het betreft de BTW-verlaging vanaf 1 januari 2000 tot 31 december 2002. In Europees verband organiseren wij een BTW-verlaging van 21 tot 6% op de renovatie van gebouwen ouder dan 5 jaar (in plaats van 15 jaar). Dat betekent dat de loodgieters, behangers, alle leveranciers van renovatiemateriaal, de aannemers die renovaties uitvoeren, rechtstreeks betrokken zijn. De eindgebruiker geniet nu een verlaging van 15%. Deze maatregel is toch niet te onderschatten. Hij zou de activiteit moeten stimuleren en een deel van het zwartwerk terug in het officieel circuit moeten brengen.

Hetzelfde besluit verlaagt ook de BTW van 21 naar 6% op wat men de kleine herstellingen noemt. Hier wordt bijvoorbeeld bedoeld, de sector van de schoenmakerij, de herstellers en verkopers van fietsen en kleding. Ik moet tevens een aantal situaties herzien, met name in de sector van de haarkappers, waarop de Europese maatregelen betrekking zouden kunnen hebben. Tevens heb ik aan het Planbureau en aan de studiedienst van het departement een studie gevraagd over een eventuele inspanning die wij kunnen doen in de nieuwbouwsector. Het debat daarover is in het Parlement begonnen.

Ik wens na te gaan of een lastenverlaging werkelijk een invloed heeft op de activiteit. Indien men de daling van de fiscale inkomsten kan compenseren door de verhoging van de activiteiten, zou dat voor ons uiteraard interessant zijn.

Dit nogal uitgebreide overzicht moet aantonen dat er naast het hoofddoel van de vermindering van de fiscale lasten op de arbeid, nog heel wat bijkomende doelen nagestreefd worden.

BIBF: Uit het jongste verslag van de federale ombudsman blijkt dat de meeste vragen betrekking hebben op de relatie tussen de belastingplichtige en het Ministerie van FinanciŽn. Aan welke concrete maatregelen denkt u om hiervoor een oplossing te vinden?

De heer Reynders: Men moet er rekening mee houden dat elke Belg onderworpen is aan belasting. Het is dus logisch dat er talrijke vragen zijn aan het adres van het Ministerie van FinanciŽn. Ik denk dat wij samen met het departement Justitie de meeste vragen ontvangen. Zoals niet altijd elke persoon, die aan de rechtsmacht onderworpen is, tevreden is met zijn lot, zo is dat ook met de belastingplichtige.

Het aantal contacten tussen de BTW-Administratie en de belastingplichtige is enorm. Het is hetzelfde probleem als in het Parlement, waar mij een gelijkaardige vraag gesteld werd. Ik krijg een onwaarschijnlijk groter aantal Parlementaire vragen in vergelijking met mijn collega’s. Men verwijt mij dat ik op dat vlak vertraging heb, maar ik geef drie maal zoveel antwoorden dan de minister die na mij de meeste antwoorden geeft. Inzake de verhouding tussen de belastingplichtige en de administratie, vestig ik er uw aandacht op dat alle Belgen belastingplichtig zijn en men hen vraagt iets te betalen, wat ze meestal met tegenzin doen. Het is dus logisch dat ze in grotere aantallen reageren dan bij de andere diensten. De ambtenaren die in het departement van FinanciŽn werken, vertegenwoordigen de helft van de federale ambtenaren.

Ik maak mij evenwel niet al te ongerust over de reacties op het niveau van het Parlement of van de ombudsman. Maar in de betrekkingen met de belastingplichtige of de gespecialiseerde beroepen zijn er twee of drie punten die verbeterd kunnen worden.

Het eerste betreft de administratie zelf. Indien men de situaties vergelijkt op internationaal vlak, ziet men dat wij een sterke bezetting hebben. Om de prestaties op te voeren, kunnen evenwel nog enkele aspecten verbeteren: modernisering van de uitrusting, aanpassing aan de nieuw communicatietechnieken met name betreffende de aangiften, en het verhogen van het opleidingsniveau van het personeel. Dit eerste luik betreft vooral de interne organisatie.

Het tweede luik betreft de houding ten opzichte van de belastingplichtige. Binnen het departement pleit ik ervoor dat deze houding meer gericht wordt op advies en uitwisseling dan stelselmatig op controle. Nemen wij het voorbeeld van de invorderingskantoren. Voor mij is dit een uitstekende administratie in twee opzichten omdat zij de belasting moet doen binnenkomen die geÔnd moet worden, maar ze zou ook moeten kunnen onderhandelen met de belastingplichtige over betalingsplannen en bijzondere voorwaarden. Daar de administratie vandaag onvoldoende potentieel heeft inzake mensen en materieel richt ze zich op haar eerste taak, die van het innen van de belastingen. Jammer genoeg staat de dialoog met de belastingplichtige of zijn vertegenwoordiger daardoor op een laag pitje.

Het moet duidelijk zijn dat, hoe meer wij ons richten op deze adviesfunctie, hoe meer gekwalificeerd personeel wij zullen nodig hebben Dat mondt uit in het derde luik in de betrekkingen met de belastingplichtige: het onderscheid maken tussen de rol van de belastingadministratie en de rol van het gerecht. Het is de bedoeling de belastingadministratie zo weinig mogelijk om te vormen tot gerechtelijk onderzoeker. Men mag niet op drift geraken en aan de belastingadministratie vragen elke fraudeur op staande voet op te sporen, want ze is volgens mij in de eerste plaats een administratie die wil instaan voor een correcte toepassing van de wet.

Indien er evenwel aanwijzingen van fraude bestaan, sta ik achter het opstarten van een gerechtelijk onderzoek met alle middelen die daarmee verbonden zijn. Het is van belang dat het verschil gemaakt wordt tussen de belastingplichtige met wie men een zeer correcte relatie nastreeft en de belastingplichtige die over de schreef gaat.

In deze optiek denk ik dat het beroep van uw leden steeds meer in de lijn ligt van een logica van ruling, van gesprekken met de administratie. Het zou kunnen onderhandelen over een aanzuiveringplan in het kader van de inning. De administratie zou zelfs verder kunnen gaan: de belastingplichtige adviseren of hem de fiscale gevolgen aantonen van de operaties die hij wenst te ondernemen.

Ik ben getroffen door het feit dat men met wilskracht alles kan bereiken. Bijvoorbeeld voeren wij onthaalsystemen in voor buitenlandse investeerders met een rechtszekerheid over tien jaar. Indien deze mogelijkheid bestaat voor een zeker aantal dossiers, moet zij ook mogelijk zijn op andere domeinen.

Ik meen evenwel dat er twee moeilijkheden zijn. Vooreerst moet men de mentaliteit binnen de administratie enigszins wijzigen, en ook een vertrouwensklimaat met de belastingplichtige creŽren. Ik ken nog veel belastingplichtigen die geen enkel contact willen met de administratie. Daar kan een beroep als het uwe uiteraard een aanzienlijke rol spelen om geleidelijk aan dat vertrouwensklimaat te creŽren.

Het doel dat ik wil bereiken is tegelijk een betere perceptie van de belastingen (betere aanvaardbaarheid) alsook een betere inning door de administratie (innen van de belastingen).

Daartoe moet de belasting ervaren worden als draaglijk en nuttig voor de werking van de Staat.

Men weet zeer goed dat deze vertrouwensrelatie in BelgiŽ niet bestaat.

BIBF: Wat denkt u van een multidisciplinaire vennootschap die de boekhoudkundige en fiscale beroepen groepeert?

De heer Reynders: Het is een feit dat vele vrije beroepen steeds meer moeten samenwerken. Ik moet bekennen dat ik op dit ogenblik geen duidelijk omlijnde mening omtrent deze kwestie heb. Ik stem er volledig mee in dat daarover gedebatteerd wordt en er een hervorming onderzocht wordt. Ik sta er volledig achter dat verschillende beroepen samen kunnen werken. Elk beroep evolueert; een dokter, een architect of een advocaat hebben evoluerende rollen en kunnen in zeer verschillende, en vooral zeer complexe, situaties terechtkomen waardoor ze verplicht zijn een multidisciplinair antwoord te zoeken.

Gaat dit multidisciplinair antwoord via samenwerkingsverbanden, via echte vennootschappen of via een eerder losse samenwerking, dat is moeilijk te zeggen. Ik zou graag hebben dat men a priori ging naar het begrip van multidisciplinaire structuren.

Indien men binnen een multidisciplinaire vennootschap mensen heeft met zeer verschillende opleiding en horizon, dient men volgens mij het individueel statuut van elkeen te definiŽren. Zijn die mensen dan onderling incompatibel, dan wordt het moeilijk om in een zelfde vennootschap samen te leven, zeker als die beroepsbeoefenaars bij verschillende beroepsordes of beroepsinstituten horen.

Mijn eerste zorg is dat de professionals van verschillende horizonten kunnen samenwerken. Inzake de juridische structuur heb ik geen voorkeur. Ik ben bereid te gaan tot de vennootschapsvorm. In dat geval moet men zich evenwel afvragen wat het lot van elk individu is. Kan bijvoorbeeld iemand met de opleiding van architect deel uitmaken van een gespecialiseerde advocatenvennootschap in het domein van de stedenbouw?

BIBF: Uw administratie werkt nu aan de elektronische BTW-aangifte. Hoe ver staat dit ontwerp?

De heer Reynders: Ik zou evolutie willen zien in de betrekkingen tussen de ondernemingen en de belastingadministratie. Dat gaat waarschijnlijk via een evolutie van de boekhoudkundige gegevens en de overdracht van boekhoudkundige gegevens naar de belastingadministratie. Op dit vlak wil ik eerst de invoering van een Intranet realiseren. Vooreerst zou men een doelgroep nemen, bijvoorbeeld de financiŽle wereld in zijn geheel, waarmee men, op virtuele wijze en parallel met het bestaande systeem en daarna in een reŽle test, een Intranet zou invoeren voor de gegevensoverdracht van de belastingplichtige naar de administratie. Aldus kunnen een hele reeks tussenfasen vermeden worden. Alle papierfasen en andere mechanismen, zelfs de specifieke projecten inzake BTW, zullen dan niet veel zin meer hebben. Dat zou rechtstreeks gebeuren door de overdracht van alle boekhoudkundige gegevens.

De haalbaarheid van het ontwerp moet nog besproken worden. De kwestie van de veiligheid is reeds vaak ter sprake gekomen. Men moet natuurlijk weten dat de bedrijven reeds op die manier met de banken werken. Als bijgevolg iedereen het erover eens is om overschrijvingen te doen, met inbegrip van internationale overschrijvingen via Internet, dan denk ik dat het mogelijk is de oplossing te vinden in een Intranet tussen de administratie en de belastingplichtige.

Daartoe is uiteraard een zeer hoge vertrouwensrelatie tussen beide partijen vereist. Dit betekent niet alleen een vereenvoudiging voor het bedrijf en voor de administratie, maar het veronderstelt ook een betere kennis vanwege de administratie van de reŽle situatie van het bedrijf, alsook vaak van de situatie in reŽle tijd.

U moet er zich rekenschap van geven dat men niet mag klagen over een moeilijk contact met de administratie, van onophoudelijke verzoeken van haar kant en tezelfdertijd weigeren om haar informatie mede te delen. Men moet een juist evenwicht vinden.

Een ander voordeel van dit systeem is dat alle administraties over dezelfde informatie zouden beschikken. Dit zou ook voorkomen dat de administraties de ene na de andere hetzelfde bedrijf bezoeken.

BIBF: Uit de praktijk blijkt dat veel professionals van de boekhouding graag automatisch een verlenging zouden verkrijgen van de termijn voor het indienen van de belastingaangifte, zonder daartoe een aanvraag bij de administratie in te dienen. Denkt u dat een dergelijke maatregel haalbaar is?

De heer Reynders: Ik ben natuurlijk bereid de problematiek van de termijnen te bespreken. De vraag is of men de termijnen moet herzien of automatisch een verlenging moet toekennen. Hier betreft het vooral het redelijke karakter van de termijn.

In de eerste plaats wil ik zeggen dat mijn eerste zorg, vůůr het vereenvoudigen van de aangiften, erin bestaat ervoor te zorgen dat ze op tijd aan de belastingplichtigen worden toegestuurd. In dit verband heb ik reeds maatregelen genomen. Ik heb al het nodige gedaan opdat de timing gerespecteerd zou worden.

BIBF: En op het vlak van de administratieve vereenvoudiging, heeft u daaromtrent concrete voorstellen?

De heer Reynders: Op dat vlak is de eerste stap het vooraf invullen van de aangifte op basis van de gegevens waarover de administratie beschikt. De belastingplichtige controleert ze, vult ze aan of corrigeert ze indien nodig en stuurt ze terug naar de administratie. Bij akkoord van de belastingplichtige over zijn aangifte, werden de gegevens al geÔnformatiseerd. Dan moet dus alleen nog de berekening van de belastingen gebeuren.

Men moet goed weten dat er slechts een vereenvoudiging op fiscaal vlak mogelijk is wanneer de fiscale hervorming aanvaard wordt. De aangiften en documenten zijn zeer ingewikkeld omdat de wetteksten ingewikkeld zijn. De ambtenaren kunnen alleen maar de wetgeving toepassen. De grootste inspanning is het vereenvoudigen van de wettekst zelf.

BIBF: Men moet tevens aan het probleem van de euro incalculeren.

De heer Reynders: Inderdaad, wij zullen tot aan de aangifte van 2002 (inkomsten 2001) aangiften in euro en/of in Belgische franken moeten verwerken. De aangifte 2003 zou uitsluitend in euro moeten gebeuren.

De problematiek van de euro is zeer complex. De mensen moeten dus vermelden of ze hun aangifte in euro dan wel in Belgische franken invullen. Het risico op fouten is hier denkbeeldig. Dat is dan ook het risico voor de fiscale administratie bij de overgang naar de euro.

BIBF: Alleen de zelfstandigen worden geviseerd met de belastingen volgens tekenen en indiciŽn. Zijn ze niet benadeeld ten opzichte van de andere categorieŽn van belastingplichtigen, die sommige werkzaamheden uitvoeren zonder dat de sociale lasten en de BTW betaald worden?

De heer Reynders: Dat maakt deel uit van een veel ruimer debat over de bestrijding van het zwartwerk. Het is waar dat de belasting op tekenen en indiciŽn een manier kunnen zijn om op fiscaal vlak te corrigeren; en dat ze achteraf de interventie mogelijk maakt van de sociale administraties. Ik zal lukraak twee voorbeelden nemen. Inzake de belastingadministratie werden in de jongste jaren een groot aantal fiscale en zelfs gerechtelijke enquÍtes ingezet op aangeven van de controleurs zelf ten aanzien van de ambtenaren van het departement van financiŽn. Er hebben zich tevens disciplinaire situaties voorgedaan. Er dienden enkele bijzonder omvangrijke correcties te worden toegepast.

Een tweede voorbeeld is het gebruik van voertuigen binnen de ministeriŽle kabinetten. Men heeft vastgesteld dat sommigen over een voertuig beschikten en het niet als voordeel in natura aangaven. Het betreft hier uiterlijke tekenen: een wagen wordt ter beschikking gesteld en hij wordt niet aangegeven. Men voert dan een correctie uit.

Voor andere categorieŽn van beroepen waarvoor de informatiebron niet dezelfde is, komt men meer bij de aanvullende activiteiten en de bestrijding van het zwartwerk. De zelfstandigen zijn hierbij meer betrokken dan de anderen. Toch moet men weten dat veel andere categorieŽn met gelijkaardige problemen geconfronteerd worden, zoals in de voorbeelden die ik vernoemd heb.

BIBF: Sommige werklozen geven er de voorkeur aan werkzoekend te blijven, liever dan een zelfstandig beroep te beginnen. Ze verdienen op die manier blijkbaar meer dan wanneer ze zich zelfstandig vestigen.

De heer Reynders: Dat is de problematiek van het zwartwerk; ik zal er hier niet dieper op ingaan. De bestrijding van deze praktijken door de inkomens te verhogen van hen die echt werken door middel van een verlichting van de sociale lasten en belasting vormt een ander debat. Deze maatregelen zouden hen die in het zwart werken ertoe moeten aanzetten in het officiŽle arbeidscircuit te komen.

Het debat gaat eveneens over het verschil tussen de prestaties van sociale zekerheid en de inkomsten op arbeid. Dit is een van de voornaamste punten van het regeringsakkoord. Wij gaan daar iets aan doen door de belasting op arbeid te verlagen, zowel de fiscale als de sociale. Dit werk vergt tijd. De toestand kan niet in ťťn nacht omgekeerd worden.

Om terug te komen op het voorbeeld van het belastbaar minimumloon, men dient uiteraard een aantal regels te respecteren. Ik ontvang vragen van zelfstandige belastingplichtigen die mij vertellen dat ze door de administratie achterna gezeten worden. Als ik dan het dossier bekijk, stel ik vast dat het gaat om belastingplichtigen die in 4 of 5 jaar geen aangifte meer hebben ingediend. Men komt terug op dezelfde logica, een vermindering van de fiscale en parafiscale druk en een vereenvoudiging van de betrekkingen tussen de administratie en de belastingplichtige, dat is waarschijnlijk de beste manier om deze toestand in het reine te brengen.

Ik maak me evenwel geen illusies, ik weet dat u ervan overtuigd bent dat de Belg niet weigert zijn belasting te betalen.

BIBF: Tot op zekere hoogte.

De heer Reynders: Het probleem is dat de limiet zeer veranderlijk is. Het is zoals met de grote fortuinen. Als u de mensen in de straat zou vragen wat voor hen een fortuin is, zou u verrast zijn welke verschillende bedragen u hoort.

Iedereen zal u zeggen dat hij bereid is belasting te betalen, maar welk bedrag, dat is iets anders. De beoordelingen zijn zeer uiteenlopend.

BIBF: Met uw goedkeuring, zouden wij graag nog eens terugkomen op het verschil inzake loon tussen de loontrekkenden en de zelfstandigen. Voor de zelfstandigen gebeuren de controles stelselmatig op het vlak van rechtstreekse belastingen en de BTW. De administratie wil weten hoe de zelfstandige zijn voertuig betaald heeft, de bouw van zijn huis, de werkzaamheden die hij eraan uitgevoerd heeft, enz... Voor de loontrekkende daarentegen, heeft u zijn fiche, de administratie controleert de informatie ten opzichte van wat hij aangeeft. Maar men houdt er zich niet mee bezig om te zien of hij verbouwingen in zijn huis gedaan heeft, of hij een wagen heeft, welke wagen, hoe hij hem betaald heeft...

De heer Reynders: Hier kan men twee opmerkingen maken. Indien de loontrekkende zijn ware kosten aangeeft, en er zijn er velen, dan gebeurt de controle op dezelfde manier als voor de zelfstandige. Als ik de belastingadministratie beschouw als een handelsonderneming, is het duidelijk dat het belangrijker is te bepalen wat het inkomen in zijn geheel is, veeleer dan na te gaan of er een probleem is.

Statistisch gezien is het dus logisch dat er veel meer controles gebeuren om een inkomen vast te stellen.

Men kan de omgekeerde redenering toepassen en het standpunt van de loontrekkenden innemen. Nemen wij het voorbeeld van de zelfstandigen die met een forfaitair bedrag werken. Ik ken niet veel loontrekkenden die een dergelijk voordeel genieten: van de administratie een akkoord kunnen verkrijgen over een te heffen bedrag, voor een reeks geraamde activiteiten. Een groot aantal beroepen werken op die manier. Wanneer u een vereniging van loontrekkenden of vertegenwoordigers van loontrekkenden ontmoet, is dat een van de thema’s die men direct op tafel gooit. Voor een loontrekkend kaderlid verifieert de administratie minstens even goed zijn toestand als deze van een zelfstandige. Door de werkgever te controleren, trekt men een hele reeks situaties recht, zoals bijvoorbeeld de voordelen in natura. Ze zeggen ons, en ik beweer niet dat ze meer gelijk hebben dan de zelfstandigen, dat ze helemaal niets kunnen verbergen maar dat de zelfstandigen daarentegen niet anders doen dan verbergen.

Ik beweer niet dat de ene of de andere gelijk heeft, maar men moet zich van die situatie bewust zijn. Precies op dat vlak moet er gewerkt worden. Volgens mij bestaat de beste oplossing in een juistere inschatting van de belastingen, het herstel van het vertrouwen en een gesprek met de belastingadministratie, opdat ze meer zou werken in een logica van advies dan van controle.

BIBF: Dat is waar, de controleur vermoedt dat de zelfstandige belastingplichtige een fraudeur is, dat de belastingplichtigen leugenaars zijn.

Men zou kunnen overwegen dat de boekhouders geÔnformeerd kunnen worden door de ambtenaren van de belastingadministratie, bijvoorbeeld via de Instituten?

De heer Reynders: Zeker, er wordt trouwens een initiatief ontwikkeld via de administrateur-generaal van belastingen om op een meer correcte en moderne wijze documentatie te verspreiden, via CDRoms. In dit dossier werd er trouwens grote vooruitgang geboekt.

In een eerste fase voorziet men te werken aan het codificeren. Een tweede stap zal het opstellen van commentaar zijn. Maar dat werk lijkt zo reusachtig groot. Men stoot weer op de problematiek van de vereenvoudiging. Het betreft de complexiteit van de moderne wereld. De meeste ingewikkelde situaties in de wetgeving zijn te wijten aan een ingewikkelde situatie in de maatschappij, in het bedrijfsleven, en in het leven van de particulieren.

Er zijn evenwel grenzen en ik meen dat wij daar nu aanbeland zijn. Wij gaan dus proberen vereenvoudigingen op dat vlak te ontwikkelen. U zal ons daarbij zeker kunnen helpen.

BIBF: Wij zijn bereid met de administratie samen te werken. Twee punten die ons bijzonder aanbelangen zijn: de hulp die wij u kunnen bieden bij de verspreiding van de informatie en de adviesopdracht van de ambtenaren.

Een laatste vraag. Ietwat vůůr de verkiezingen spraken sommige kandidaat-parlementsleden over de certificering van de belastingaangiften. Persoonlijk staan wij daar niet gunstig tegenover omdat men naar een overheveling van de verantwoordelijkheden gaat. Wat denkt u daarover?

De heer Reynders: Mijn voorgangers hadden uitstekende ideeŽn maar ik laat ze aan hen zelf. Bovendien is het geen vooruitgang. Ik zie niet waarom dat problemen van verantwoordelijkheid zal veroorzaken; het zal niets veranderen. De ambtenaar, om uw standpunt van daarjuist even te hernemen, die oordeelt dat de belastingplichtige in elk geval een potentiŽle fraudeur is en dat men zich daarom moet bekommeren, zal er niet om geven te weten hoeveel personen de aangifte ondertekend hebben.

Nu beweer ik niet dat er geen verantwoordelijkheden opgenomen moeten worden. Ik herhaal dat ik op dat vlak de voorkeur geef aan een autonomie van het beroep en aan het toepassen van de interne deontologie.

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00