Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 76 - 15.05.00 - De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen

Editie nr 76 van 15 mei 2000

De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen

    Auteur:
    Xavier Thiebaut,
    Advocaat

De wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen betekende een heuse ommekeer in het Belgisch recht.

Vóór het bestaan van deze wet werd de kwestie van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen opgelost met het adagium societas delinquere potest, sed non puniri: een bedrijf kon wel een misdrijf plegen maar kon er niet voor bestraft worden. Grondslag van dit adagium was het feit dat een bedrijf onmogelijk in de gevangenis kan worden opgesloten. Het misdrijf diende daarom aan een natuurlijke persoon te worden toegerekend.

Die houding bleek uiteindelijk niet langer bevredigend: de rechtspraak trad soms buitengewoon streng op, vooral tegenover de leidinggevende personen van grote bedrijven; die werden immers geacht alles te moeten weten over de activiteiten van hun vennootschap. Aan de andere kant werden veel straffen kwijtgescholden wanneer niet precies kon bepaald worden welke natuurlijke persoon werkelijk aansprakelijk was.

1. Toepassingsgebied

Het nieuwe artikel 5, al. 1 en 3 van het Strafwetboek bepaalt het toepassingsgebied van de nieuwe strafrechtelijke verantwoordelijkheid.

1.1. Elke rechtspersoon

Het nieuwe regime is in principe van toepassing op alle rechtspersonen en dus in het bijzonder op de vennootschappen die over een eigen rechtspersoonlijkheid beschikken. Feitelijke verenigingen (bijvoorbeeld vakbonden en politieke partijen) worden niet bedoeld.

Op dit principe bestaan twee reeksen uitzonderingen:

1.1.1.Uitbreidingen

Het nieuwe regime wordt uitgebreid tot entiteiten die juridisch geen, of nog geen, rechtspersoonlijkheid bezitten:

  • tijdelijke verenigingen en verenigingen bij wijze van deelneming;
  • vennootschappen die hun akten niet hebben neergelegd op de griffie van de rechtbank van koophandel, handelsvennootschappen in oprichting;
  • burgerlijke vennootschappen die niet de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen

1.1.2. Beperkingen

Worden daarentegen niet als rechtspersonen beschouwd voor de toepassing van het nieuwe strafrechtelijke regime, hoewel zij een eigen rechtspersoonlijkheid bezitten:

  • de federale staat;
  • de Gewesten en de Gemeenschappen;
  • de Franse, Vlaamse en gemeenschappelijke gemeenschapscommissies;
  • de provincies, de gemeenten, de Brusselse agglomeratie, de binnengemeentelijke territoriale organen (waarvan de grondwet de mogelijke oprichting voorziet maar die tot op heden onbestaande zijn);
  • de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

1.2. De betreffende misdrijven

rechtspersonen beperkt tot enkele misdrijven. Dat is niet het geval voor de Belgische wetgever. Het nieuwe regime van strafrechtelijke verantwoordelijkheid is van toepassing op de misdrijven die worden voorzien door het Strafwetboek en door de bijzondere wetten (bijvoorbeeld inzake sociale, economische, financiële, fiscale aangelegenheden,...).

2. Voorwaarden van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid

Teneinde een rechtspersoon strafrechtelijk te kunnen aanspreken moeten in zijnen hoofde eerst een aantal voorwaarden verenigd zijn. Deze worden in het strafrecht traditioneel ingedeeld in materiële elementen (die te maken hebben met de materialiteit van de feiten) en morele elementen (betreffende de bedoeling van de dader van de feiten).

2.1. Materiële elementen

Behalve uiteraard de materiële elementen van het toegeschreven misdrijf1, kan de rechtspersoon slechts strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld als:

  • het misdrijf een intrinsiek verband heeft met de verwezenlijking van het doel van de rechtspersoon. Dit doel kan blijken uit de statuten van de rechtspersoon (hierbij moet worden opgemerkt dat de statuten slechts zeer zelden een onwettelijk maatschappelijk doel voorzien) of uit de activiteit van de onderneming, wat veel vaker voorkomt;
  • de inbreuk een intrinsiek verband heeft met de waarneming van de belangen van de rechtspersoon. Denken we bijvoorbeeld aan het opstellen van een valse balans om te ontsnappen aan de depistagediensten van de rechtbank van koophandel;
  • uit de concrete omstandigheden blijkt dat het misdrijf voor rekening van de rechtspersoon werd gepleegd. Voorbeeld: de omkoping van een ambtenaar met het oog op het binnenrijven van een overheidsopdracht.

Als geen van deze drie omstandigheden zich heeft voorgedaan, kan de rechtspersoon niet strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld. Bij de voorbereiding van de wet werd benadrukt dat de nieuwe wet geen objectief aansprakelijkheidsregime invoerde: "het lijkt... niet geschikt om de rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk te stellen voor feiten gepleegd door natuurlijke personen die er een band mee hebben (bediende, bestuurder,...), als deze slechts van het juridische of materiële kader van de rechtspersoon gebruik hebben gemaakt om misdrijven te plegen in hun eigen belang of voor eigen rekening. Het is niet de bedoeling om de rechtspersoon objectief aansprakelijk te stellen voor alle feiten die erin zouden worden gepleegd" (Parl. St, Senaat, 1998

  • 1999, nr. 1-1217/1, 4°, ibidem, nr. 1
  • 1217/6, 8°).

    Als bijvoorbeeld een vrachtwagenchauffeur van zijn trajecten misbruik maakt om verdovende middelen te vervoeren in de wielen van zijn vrachtwagen, kan zijn werkgever (gelukkig) niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld.

    2.2. Moreel element

    Elk misdrijf veronderstelt het bestaan van een moreel element.

    In beginsel moet er sprake zijn van een algemeen opzet, dwz dat het misdrijf slechts aan de dader kan worden toegeschreven als die wetens en willens, dwz met volledige kennis van de elementen van de gepleegde daad en met de wil om hun verwezenlijking te bekomen of minstens de bereidheid om die te aanvaarden.

    De wet kan op twee manieren van dit algemeen opzet afwijken. Soms vereist ze, behalve de kennis en de wil, een bijzondere perverse intentie zoals het oogmerk om te schaden, een onwettig voordeel te bekomen (bijzonder opzet) of door streng op te treden, zelfs tegen feiten te wijten aan de afwezigheid van een voldoende grote energie in het goed, zoals onoplettendheid of onvoorzichtigheid (fout).

    Zelfs de zogenaamde materiële misdrijven vereisen een moreel element, nl. een lichte fout. Vaak kan het bewijs van dit morele element vermoed worden door de vaststelling van materiële elementen, maar dan gaat het slechts om een vermoeden dat kan weerlegd worden (voorbeeld: een autobestuurder rijdt door het rode licht maar kan achteraf aantonen dat hij het niet kunnen zien heeft omdat het verborgen was door wegwerkzaamheden).

    Bij de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 4 mei 1999 werd de nadruk gelegd op het feit dat het morele element moet worden bekeken uit hoofde van de rechtspersoon en niet uit dat van de natuurlijke personen: "…Aangetoond zal moeten worden hetzij dat het misdrijf voorkomt uit een opzettelijke beslissing genomen bij de rechtspersoon, hetzij dat er nalatigheid is op het niveau van de rechtspersoon die in causaal verband staat met het misdrijf. Men beoogt bijvoorbeeld de hypothese waarin een gebrekkige interne organisatie van de rechtspersoon, onvoldoende veiligheidsmaatregelen of onredelijke budgettaire beper-kingen de voorwaarden hebben gecreëerd die het misdrijf mogelijk hebben gemaakt."2.

    3. Samenloop van verantwoordelijkheden?

    Kan de rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld in samenloop met de natuurlijke perso(o)n(en) aan wie, vóór de hervorming, de strafrechtelijke verantwoordelijkheid werd toegerekend?

    Het nieuwe artikel 5, alinea 2 van het Strafwetboek tracht deze vraag te beantwoorden met een bijzonder dubbelzinnige tekst:

    "Wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, kan enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan worden veroordeeld. Indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd, kan hij samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld."

    3.1. Het principe - Decumul

    Het erkende principe (men zal zien dat er een grote uitzondering op bestaat) is dat van de uitsluiting van de samenloop van verantwoordelijkheden. In de voorbereidende werkzaamheden kan men lezen dat deze wet zo, " wil terugkomen op bepaalde rechtspraak die zeer ver ging in de toerekening van misdrijven aan leidendinggevende personen binnen de rechtspersonen door het misdrijf bewezen te achten op basis van tekortkomingen van deze personen, daar waar het misdrijf duidelijk opzet vereist of zelfs louter op basis van de positie van de betrokkene binnen de rechtspersoon te komen tot een quasi objectieve strafrechtelijke aansprakelijkheid"3.

    Dit principe van decumul wordt uiteengezet in de eerste zin van het nieuwe artikel 5 van het Strafwetboek:

    "Wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, kan enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan worden veroordeeld".

    De wetgever geeft geen enkele aanwijzing over de manier waarop moet worden uitgemaakt wie de zwaarste fout heeft begaan. Deze kwestie wordt dus overgelaten aan de beoordeling van de rechter en zal wellicht aanleiding geven tot gedreven juridische debatten.

    3.2. Uitzondering - Samenloop

    Wanneer de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout "wetens en willens" heeft gepleegd, kan hij samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld (het nieuwe artikel 5, alinea 2, in fine van het Strafwetboek). In dat geval kan er sprake zijn van een samenloop van verantwoordelijkheid.

    Deze zin, en in het bijzonder de woorden "wetens en willens" die essentieel zijn daar zij het geval bepalen waarin er sprake kan zijn van gecumuleerde aansprakelijkheid, kan op twee verschillende manieren geïnterpreteerd worden.

    3.2.1. De abstracte interpretatie

    Voor sommigen verwijzen de woorden "wetens en willens" naar de voornoemde notie van opzet (zie II.B.). Er kan dus enkel voor opzettelijke misdrijven sprake zijn van gecumuleerde aansprakelijkheid. Deze interpretatie is abstract aangezien men enkel de strafrechtelijke bepalingen moet lezen om te weten of het misdrijf een opzet vereist. In dat geval kan er sprake zijn van samenloop.

    Voor de onopzettelijke misdrijven, dwz diegene waarvoor de wet geen opzet voorziet maar een lichter moreel element (fout), is er bijgevolg geen sprake van een samenloop van verantwoordelijkheden. Enkel en alleen de persoon (de natuurlijke persoon of de rechtspersoon) die de zwaarste fout heeft begaan kan veroordeeld worden.

    Volgens anderen maakt de tekst van de wet geen verwijzing naar het onderscheid tussen opzettelijke of onopzettelijke misdrijven en naar het criterium van opzet. Men moet zich enkel afvragen of de natuurlijke persoon in feite, al dan niet wetens en willens heeft gehandeld. Zo vereist bv de inbreuk van het lozen van afvalwater geen algemeen opzet. Indien de werknemer, natuurlijke persoon, het afvalwater bewust geloosd heeft kan deze in samenloop met zijn werkgever, rechtspersoon, veroordeeld worden. In toepassing van de eerste interpretatiewijze had men moeten vaststellen dat het misdrijf een onopzettelijk misdrijf was, in die zin dat er geen opzet vereist is, en dat bijgevolg de regel van de decumul moet worden toegepast en dus enkel de persoon die de zwaarste fout begaan heeft kan veroordeeld worden.

    De juridische zekerheid is er niet groter opgeworden. De eerste taak van de strafrechtbanken zal erin bestaan deze netelige kwestie op te lossen.

    4. De straffen

    Vanzelfsprekend kan een rechtspersoon niet in de gevangenis worden opgesloten. De strafrechtelijke sancties die tegen een rechtspersoon kunnen worden uitgesproken dienden bijgevolg worden aangepast.

    4.1. Geldboetes

    Heel wat strafrechtelijke bepalingen voorzien in vrijheidsstraffen (opsluiting, hechtenis, gevangenisstraf).

    Het principe dat de wetgever aanneemt is gebaseerd op de omzetting, voor de rechtspersonen, van deze vrijheidsstraffen in geldboetes.

    Onderstaande tabel vat de omzettingsmethode samen.

    Geldboetes en/of gevangenisstraf
      Straffen toepasselijk op
      Natuurlijke personen Rechtspersonen
    (Omzetting in geldboetes)
    Overtredingen 5.000 tot 50.000 BEF
    Wanbedrijven en misdaden Geldboetes Zelfde min. en max. als voor natuurlijke personen
      Geldboetes en/of vrijheidsberoving Min. 100.000 BEF * minimum aantal maanden
    gevangenistraf, zonder lager te kunnen zijn dan
    een minimumboete voor de natuurlijke personen
        Max. 400.000 BEF * max. aantal maanden gevangenisstraf
    zonder minder te zijn dan 2 *
    de max. geldboete voor natuurlijke personen
      levenslange vrijheidsberoving 48.000.000 tot 144.000.000 BEF

    De voornoemde bedragen zijn uitgedrukt in werkelijke bedragen, na toepassing van de opdeciemen (bedrag van boete x 2000 opdeciemen) die van toepassing zijn op de strafrechtelijke geldboetes.

    Ter verduidelijking geven we volgend voorbeeld :

    Fiscale valsheid in geschrifte wordt volgens artikel 450 van het Wetboek Inkomstenbelasting bestraft met een gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar en een geldboete (vóór de toepassing van de 2000 opdeciemen) van 10.000 tot 500.000 BEF, hetzij 2.000.000 tot 100.000.000 BEF (werkelijk).

    Voor de rechtspersonen wordt deze sanctie als volgt omgezet:

      De minimumboete is gelijk aan 100.000 BEF * 1 (gezien de gevangenisstraf minstens één maand bedraagt) = 100.000 BEF, evenwel zonder dat deze minimumboete minder mag bedragen dan deze voor de natuurlijke personen, d.i. 10.000 BEF * 2000 (de opdeciemen) zijnde 2.000.000 BEF (werkelijk).

      De maximumboete is gelijk aan 400.000 BEF * 60 (de maximale gevangenisstraf bedraagt 5 jaar of 60 maanden) zijnde 24.000.000 BEF, zonder dat deze boete minder mag bedragen dan 1.000.000 BEF (2 * de maximumboete voor de natuurlijke personen) * 2000 (opdeciemen), zijnde 200.000.000 BEF (werkelijk).

    Net als voor de geldboetes kunnen deze astronomische boetes gevoelig worden verminderd indien er verzachtende omstandigheden kunnen worden ingeroepen. Bij de voorbereidende werken werd bepaald dat de voornoemde omzetting moet worden gemaakt voordat men er de verminderingen voor verzachtende omstandigheden op toepast. Dit heeft tot gevolg dat het minimumbedrag van de geldboete, ingeval er verzachtende omstandigheden worden aanvaard, wordt beperkt tot een zeer laag bedrag. Artikel 83 van het Strafwetboek voorziet inderdaad dat de geldboete, zelfs in criminele aangelegenheden, kan worden verminderd echter zonder dat ze minder mag bedragen dan 26 BEF, d.i. 5.200 BEF (werkelijk) na toepassing van de 2000 opdeciemen.

    Een amendement van senator BOUTMANS, die zelfs bij verzachtende omstandigheden een "niet-reduceerbaar" minimum wou voorzien van 100.000 BEF (werkelijk) in criminele en correctionele zaken en van 10.000 BEF (werkelijk) in politiezaken, werd niet weerhouden4.

    Tenslotte kunnen de rechtspersonen opschorting van de uitspraak van de veroordeling of uitstel van de uitvoering van de straf bekomen, met of zonder probatiemaatregel. De wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, werd gewijzigd om deze gunstmaatregelen ook toepasbaar te maken op rechtspersonen. Denken we bijvoorbeeld aan de volgende toepassing van deze wet: in geval van veroordeling voor onvrijwillige doodslag wegens een arbeidsongeval, kan de tenuitvoerlegging van de veroordeling worden uitgesteld als men bereid is tot enkele investeringen in de veiligheid binnen de onderneming.

    4.2. Andere straffen

    Er kunnen ook nog andere straffen worden uitgesproken tegen de rechtspersonen:

    • bijzondere verbeurdverklaring;
    • het tijdelijke of definitieve verbod een werkzaamheid die deel uitmaakt van het maatschappelijk doel van de rechtspersoon te verrichten;
    • de tijdelijke of definitieve sluiting van een of meerdere inrichtingen van de rechtspersoon;
    • de ontbinding van de rechtspersoon wanneer deze opzettelijk is opgericht om de strafbare werkzaamheden te verrichten waarvoor hij wordt veroordeeld of wanneer hij opzettelijk van zijn doel is afgewend om dergelijke werkzaamheden te verrichten;
    • de bekendmaking of verspreiding van de beslissing op kosten van de veroordeelde rechtspersoon.

    Voor sommige van deze sancties moeten de concrete toepassingsgevallen nog bij wet vastgelegd worden.

    4.3. Strafregister van de rechtspersonen

    Een strafregister van de rechtspersonen wordt bijgehouden op de griffie van de rechtbank waar de statuten van die rechtspersoon zijn neergelegd.

    Heeft de rechtspersoon geen statuten neergelegd in België of gaat het om een publiekrechtelijke rechtspersoon, dan wordt het strafregister bijgehouden op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel.

    5. Inwerkingtreding

    De bepalingen die in het principe van de verantwoordelijheid van de rechtspersonen voorzien, zijn toepasselijk sinds de 10de dag na de publicatie in het Belgisch Staatsblad, dwz sinds 2 juli 1999.

    Een rechtspersoon kan dus slechts strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor feiten die werden gepleegd sinds 2 juli 1999.

    Voor de natuurlijke personen ligt de kwestie wat delicater. Volgens artikel 2, alinea 2 van het Strafwetboek, is de minst zware strafwet die op de dag van de veroordeling van toepassing is ook toepasselijk op de feiten die daarvoor werden gepleegd. De bedrijfsleider die na 2 juli 1999 werd vervolgd voor feiten die hij vóór die datum had gepleegd, zou eventueel de toepassing van decumulregels kunnen inroepen, doen erkennen dat zijn fout minder zwaar is dan die van de rechtspersoon en dus worden vrijgesproken... met het gevolg dat niemand zal veroordeeld worden aangezien de rechtspersoon per definitie niet kan worden veroordeeld voor feiten die vóór 2 juli 1999 werden gepleegd.

    --------------------------------------------
    1. Bijvoorbeeld voor valsheid in geschrifte: het verhullen van de realiteit, op een manier die bij wet is bepaald, in een door de wet beschermd geschrift terwijl er een nadeel kan uit voortvloeien.
    2. Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/1, p. 5.
    3. Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr.1-1217/1; ibidem, nr 1-1217/6

    Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00