Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 75 - 30.04.00 - De helper sociaal bekeken
75N helper

Edition n° 75 du 30 avril 2000

De helper sociaal bekeken

    Auteur:
    José Haustraete
    Lid van de Nationale Raad

In Pacioli 71 en 73 zijn we dieper ingegaan op het fiscaal en sociaal statuut van de helper. In een derde (en laatste) deel bespreken we de vraag welk sociaal regime van toepassing is binnen de KMO-sfeer

RSZ of sociaal statuut der zelfstandigen

Cruciaal in deze problematiek is het al dan niet bestaan van een arbeidsovereenkomst (zie artikel 6 K.B. 38 - cf. 1.1. "wettelijke bepalingen"), m.a.w. een gezagsverhouding of een ondergeschikt verband.

Bij teveel zelfstandigen en adviseurs bestaat de mening dat men kan kiezen: ofwel RSZ ofwel een zelfstandigenstatuut. Niets is minder waar.(1)

De zelfstandige wordt als volgt gedefinieerd:

Artikel 3: § 1.

Dit besluit verstaat onder zelfstandige ieder natuurlijk persoon, die in België een beroepsbezigheid uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is.

Wordt geacht, tot bewijs van het tegendeel, zich in de in het vorig lid bedoelde voorwaarden tot onderwerping te bevinden, ieder persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent, die inkomsten kan opleveren bedoeld in artikel 23, § 1, 1° of 2°, of in artikel 30, 2° of 3° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een beroepsbezigheid geacht uitgeoefend te zijn krachtens een arbeidsovereenkomst, wanneer de belanghebbende, voor de toepassing van een der stelsels inzake de maatschappelijke zekerheid der loontrekkenden, vermoed wordt uit dien hoofde door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden.

Onverminderd de bepalingen van artikel 13, § 3, worden personen benoemd tot mandataris in een aan de Belgische vennootschapsbelasting of belasting der niet-inwoners onderworpen vennootschap of vereniging, op onweerlegbare wijze, vermoed in België een zelfstandige beroepsbezigheid uit te oefenen.

Het zelfstandigenstatuut is m.a.w. een restgroep.

De gevolgen van een foutieve kwalificatie zijn verregaand: de ondernemer is aansprakelijk voor de keuze m.a.w. de RSZ-bijdragen blijven toebedeeld aan de RSZ terwijl ook moet betaald worden in het kader van het sociaal statuut van de zelfstandige … en met terugwerkende kracht.

Ook de uitkeringen (b.v. pensioen, arbeidsongeschiktheid) geschieden in het juiste stelsel: ofwel RSZ (arbeidsovereenkomst) ofwel sociaal statuut zelfstandigen (geen arbeidsovereenkomst).

De optie voor het RSZ-stelsel voor de medewerkende echtgenote of voor de werkende vennoot blijkt ons terzake problematisch en gevaarlijk.

Alleen de feitelijke omstandigheden kunnen dit eventueel tegenspreken. Wij verwijzen terzake naar de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten:

Artikel 2:

"De arbeidsovereenkomst voor werklieden is de overeenkomst waarbij een werknemer, de werkman, zich verbindt, tegen loon, onder gezag van een werkgever in hoofdzaak handarbeid te verrichten."

en,

Artikel 3:

"De arbeidsovereenkomst voor bedienden is de overeenkomst waarbij een werknemer, de bediende, zich verbindt, tegen loon, onder gezag van een werkgever in hoofdzaak hoofdarbeid te verrichten."

De Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt in het toepassingsgebied:

Artikel 1, § 1:

"Deze wet vindt toepassing op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden.

Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld:

1. met werknemers:

a) de leerjongens;

b) de personen tot wie de Koning deze toepassing in uitvoering van artikel 2, § 1, 1° uitbreidt;

2. met werkgevers:

a) de personen die leerjongens tewerkstellen;

b) de personen die door de Koning zijn aangewezen bij toepassing van artikel 2, § 1, 1°."

Het geeft ons de indruk dat in de overgrote meerderheid van de gevallen de medewerkende echtgenote - hetzij als helpster, hetzij als vennote - niet kan ressorteren onder het RSZ-stelsel.

Dit is uiteraard een subtiele feitenkwestie, waarbij de wijze van verlofaanvragen, de melding van ziekte, prestaties buiten de normale uren, uurregeling, controle door de werkgever, de wijze van betaling van "het loon", … belangrijke feitelijke indicatoren zijn van al dan niet ondergeschikt verband.

Ons inziens falen zij meestal in de relatie echtgenote t.o.v. echtgenoot en in de vennootschap met beide echtgenoten. In de wetenschap dat vandaag de meeste zelfstandigen zich sociaal even veilig kunnen stellen - behoudens de medewerkende echtgenoten - en dat de kostprijs van beide statuten - zelfstandige t.o.v. werknemer - vergelijkbaar is, is het zinloos risico’s te lopen en te opteren voor een foutief sociaal statuut.

De sociale inspectie spoort inderdaad zowel "schijnzelfstandigen" als "schijnbezoldigden" op.

Specifiek binnen vennootschappen zijn de RSZ-onderrichtingen verregaande, waarbij de laatste versie strenger is dan de vorige.

Wij citeren:

"Voor de personen, belast met een mandaat, kan men gewoonlijk stellen dat er met de vennootschap geen gezagsverhouding bestaat.

Indien de vennootschap van oordeel is dat zij, hetzij voor de prestaties die zij leveren in uitvoering van het mandaat, hetzij voor prestaties die zij buiten hun mandaat verrichten, gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst, zal de RSZ hun onderwerping aanvaarden indien de band van ondergeschiktheid duidelijk is.

Opmerking: de onderwerping aan het stelsel der loontrekkenden betekent niet noodzakelijk dat er geen verplichtingen zijn ten opzichte van het sociaal statuut der zelfstandigen.

Voor personen die een gedeelte van het maatschappelijk kapitaal bezitten, verschilt de toestand naar gelang zij een groot gedeelte van het kapitaal bezitten, dan wel een miniem gedeelte.

De eerste categorie zal normaliter niet gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst, omdat hun zeggingskracht binnen de onderneming zo groot is dat zij een gezagsverhouding uitsluit.

Voor de tweede categorie zal de RSZ op basis van de feitelijke toestand vaststellen of er een band van ondergeschiktheid bestaat en indien nodig de onderwerping eisen. Het bezit van een beperkt gedeelte van het kapitaal is op zich immers niet onverenigbaar met het bestaan van een arbeidsovereenkomst.

Deze redenering geldt slechts voor de prestaties waarvan de onderwerping afhangt van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Indien het gaat om personen die werken in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst, belet noch de uitoefening van het mandaat, noch het bezit van maatschappelijk kapitaal, de verplichte onderwerping als loontrekkende".(2)

De helper en het H.R., vestigingsattest

De helper heeft geen inschrijving in het handelsregister of ambachtsregister en de verplichtingen inzake vestigings- of distributieattest gelden niet.(3)

Wij vrezen dat dit niet zo evident is voor de niet-familiale helpers.

Conclusie:

Elke boekhouder wordt geconfronteerd met de problematiek van het statuut van de helpers, dat - samen met het sinds 1 januari 1997 afgeschafte regime van de "werkende vennoten" - vlot oplossingen brengt in de ontplooiing van de K.M.O.-onderneming.

Voor de medewerkende echtgenote bestaat er maar één conclusie: een onverantwoorde sociale discriminatie. Het behoort tot de taak van de boekhouders om de beste oplossing te zoeken.

De beleidsverantwoordelijken moeten zich realiseren dat dit stelsel reeds gisteren moest gewijzigd worden in de zin van een optiemogelijkheid: de medewerkende echtgenote zou artikel 7, K.B. 38 moeten kunnen negeren en kiezen voor een volwaardig sociaal statuut.

______________________

1 Artikel 3, § 1, K.B. 38 van 27 juli 1967.

2 Algemene onderrichtingen ten behoeve van de werkgever, 07/1996, nr. 1.1.608, p. 11

3 Sociaal Statuut, uitgave B.I.B., p. 24.

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
Navigatie
  • TERUG