Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 73 - 31.03.00 - het fiscaal statuut van de helper

Editie nr 73 van 31 maart 2000

Fiscaal statuut van de helper

    Auteur:
    José HAUSTRAETE,
    Lid Nationale Raad

De "helper" en de inkomstenbelasting

1.1. Wettelijke bepalingen

1.1.1. Bepalingen i.v.m. aftrekbaarheid lonen (artikel 52 4° WIB 92)

Art. 52. Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 53 tot 66 worden inzonderheid als beroepskosten aangemerkt:


    1°. tot 3°. …;
    4°. de bezoldigingen van de gezinsleden van de belastingplichtige die met hem samenwerken, buiten zijn echtgenoot;
    5°. …

1.1.2. Bepalingen i.v.m. niet-aftrekbaarheid bezoldiging echtgenoot/ote (artikel 53 12° WIB 92)

Art. 53. Als beroepskosten worden niet aangemerkt:


    1°. tot 11°. …;
    12°. bezoldigingen die de belastingplichtige toekent aan zijn echtgenoot die met hem samenwerkt;
    13°. bezoldigingen van de andere gezinsleden van de belastingplichtige in zover zij meer bijdragen dan een normale wedde of een normaal loon, gelet op de aard en de duur van de werkelijke prestaties van de verkrijgers;
    14°. …

1.1.3. Bepalingen i.v.m. meewerkinkomen (artikel 86-89 WIB 92)

1.1.4. Bepalingen i.v.m. het begrip "alleenstaande" (artikel 128 WIB 92)

1.1.5. Het ten laste zijn (artikel 145 WIB 92)

1.2. Helpende gezinsleden van zelfstandigen

In de eerste plaats is er vereist dat de gezinsleden die met de belastingplichtige samenwerken, daadwerkelijk voor hem en onder zijn leiding in een feitelijke toestand van ondergeschiktheid werken, m.a.w. dat zij als helper prestaties leveren die bij ontstentenis van die hulp normaal door andere bezoldigde arbeidskrachten zouden worden verstrekt.1

De administratieve commentaar heeft steeds melding gemaakt van volgend citaat : "bezoldigingen van gezinsleden".2

Dit had voor gevolg dat de inkomsten van een kind-helper sociaal als inkomsten van een zelfstandige werden aanzien en fiscaal als inkomen van een bezoldigde.

Via de toelichting bij de aangifte werd deze commentaar als volgt gewijzigd: "de helpende gezinsleden van zelfstandigen".

De toelichting bij en de aangifte zelf in de personenbelasting evolueerden in hun titulatuur en inhoud als volgt :

t.e.m. aanslagjaar 1992:

  • titel: "Helpers van zelfstandigen"
  • toelichting: "Deze rubriek is bestemd voor de helpers of helpsters van zelfstandigen, die inkomsten ..."
  • aangifte: in vak II. "Wedden, lonen, werkloosheidsuitkeringen, wettelijke uitkeringen bij ziekte of invaliditeit, vervangingsinkomsten en brugpensioenen" was een rubriek "Helpers van zelfstandigen" voorzien. Enkel de rubriek waaronder de zelfstandige zijn inkomsten heeft aangegeven dient te worden vermeld.

aanslagjaar 1993 en 1994:

  • titel: "Helpers van zelfstandigen"
  • toelichting: "Deze rubriek is bestemd voor gezinsleden die als helper van een zelfstandige inkomsten hebben aangegeven ..."
  • vanaf aanslagjaar 1994 is er de volgende aanvulling : "Op de laatste regel moet de juiste aard van het beroep van de zelfstandige worden vermeld (b.v. bakker, landbouwer, boomkweker, visventer, kleinhandelaar in zuivelproducten, aannemer van bouwwerken, hotelier, enz.)."
  • aangifte : tot en met aj. 1994, maakt de fiscale aangifte in vak II. "Wedden, lonen, werkloosheidsuitkeringen, wettelijke uitkeringen bij ziekte of invaliditeit, vervangingsinkomsten en brugpensioenen" melding van: "Helpers van zelfstandigen".

Noot: vanaf aj. 1993 wordt het helperstatuut fiscaal beperkt tot "gezinsleden".

aanslagjaar 1995 tot en met 1999 :

  • titel: "Helpende gezinsleden van zelfstandigen"
  • toelichting: "Deze rubriek is bestemd voor helpende gezinsleden van een zelfstandige, die inkomsten hebben aangegeven ..."
  • de lijst van de vermelde beroepen wordt aangevuld met: bloementeler.
  • aangifte : vanaf aj. 1995 wordt in vak II. melding gemaakt van : "Helpende gezinsleden van zelfstandigen".

Conclusie: de fiscale administratie vernauwt het fiscaal helperstatuut vanaf aj. 1993 tot inwonende gezinsleden.

De principiële wijziging i.v.m. de kwalificatie van de inkomsten – m.a.w. geen "bezoldiging van werknemer" meer – voor de helper wordt niet als wijziging in de toelichting aangeduid.

Uit de evolutie van de administratieve rechtsleer moge geconcludeerd worden dat het statuut van de inkomsten van een bezoldigde interessanter is dan het fiscaal statuut van de inkomsten als zelfstandige. De rechtspraak bevestigt deze bewering.

Conclusie: voor de helpende en inwonende gezinsleden van zelfstandigen blijft de gunstige fiscale kwalificatie: een inkomen als bezoldigde werknemer i.p.v. een inkomen als zelfstandige.

Gevolgen:

  1. Conform de sociale wetgeving is betrokkene een "helper" en onderworpen aan het sociaal statuut van de zelfstandigen. Sociale bijdragen zijn verschuldigd in het kader van het sociaal statuut van de zelfstandigen. De fiscale aangifte aj. 1996 maakt van deze bijdragen trouwens melding via code 257 of 307, opgenomen onder rubriek II.A.10 "Niet ingehouden persoonlijke sociale bijdragen"

  2. Volgens de fiscale interpretatie heeft enkel het helpend inwonend gezinslid nog het statuut van bezoldigde. Dit heeft concreet als gevolgen :
    • opname van de inkomsten in vak II van de aangifte in de personenbelasting;
    • de mogelijkheid tot de aftrek van forfaitaire kosten;
    • geen verhoging wegens onvoldoende voorafbetaling;
    • de verplichte inhouding en storting van bedrijfsvoorheffing;
    • de administratieve formaliteiten : opgave bedrijfsvoorheffing, opgave 325.10 en fiche 281.10;
    • de mogelijkheid tot aftrek Monory II.

In een familiaal verband mag men er in het algemeen van uitgaan dat er een band van ondergeschiktheid bestaat tussen de helpende gezinsleden en de zelfstandige, derwijze dat de vergoedingen (zowel de werkelijke als de fictieve) die de zelfstandige aan de helpende gezinsleden toekent als in artikel 30, 1°, en 31 WIB 92 bedoelde bezoldigingen kunnen worden aangemerkt. Het spreekt vanzelf dat indien uit de feiten blijkt dat het inwonend gezinslid niet in een band van ondergeschiktheid werkt, doch als evenwaardig partner de zaak samen met de zelfstandige runt (b.v. in de vorm van een feitelijke vereniging), de door dat gezinslid uit de zaak verkregen beroepsinkomsten niet als bezoldigingen, maar wel als in artikel 23, § 1, 1° of 2° WIB 92, bedoelde winst of baten moeten worden aangemerkt.

Onder "gezinsleden" moet worden verstaan de kinderen (of ander verwanten) van de belastingplichtige die deel uitmaken van zijn gezin, d.w.z. die werkelijk met hem samenwonen.3

1.3. Helpers, niet-gezinsleden

Via een parlementaire vraag4 werd de administratieve visie i.v.m. de problematiek van de niet-familieleden, die b.v. samenwonen, herhaald of bevestigd: hun inkomsten zijn geen "bezoldiging" (deel 1 van de aangifte) maar een inkomen van een zelfstandige (deel 2 van de aangifte – cf. infra).

Onder gezinsleden dienen te worden verstaan de familieleden die met de belastingplichtige samenwonen m.a.w. deel uitmaken van zijn gezin. Alleen de bezoldigingen van dergelijke familieleden die in een feitelijke toestand van ondergeschiktheid werken voor en onder de leiding van de belastingplichtige, mogen worden gerangschikt onder de bezoldigingen van werknemers.5

De niet-verzekeringsplicht van de helpende echtgenoot, geldt niet voor de ongehuwde, samenwonende partners. Volgens het Arbitragehof vormt deze verschillende regeling inzake verzekeringsplicht (wat de repercussie op pensioenvlak betreft) geen inbreuk op het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.6

1.4. Helper t.o.v. stagiair

Leerlingen worden met werknemers gelijkgesteld voor de toepassing van de sociale zekerheid van werknemers. De hoedanigheid van leerling is m.a.w. niet verzoenbaar met dit van een helper, zodat er voor "leerlingen" geen verzekeringsplicht in het sociaal statuut der zelfstandigen geldt.7

Andere specifieke situaties – helper en vrij beroep, helper en stagiair, interimarissen – worden in de commentaar bij het sociaal statuut van de zelfstandige behandeld. 8

1.5. De aftrekbaarheid als beroepsuitgave

Terwijl de bezoldigingen van de gezinsleden (artikel 52 4° WIB 92) als beroepsuitgave aftrekbaar zijn, is dit niet het geval voor de bezoldiging van de meewerkende echtgenote (artikel 52 4° en 53 11° WIB 92). Voor deze laatste is wel het regime van het meewerkinkomen (artikel 86-89 WIB 92) uitgewerkt. Aangezien in het jaar van huwelijk en ontbinding van het huwelijk beide echtgenoten als alleenstaanden worden aanzien (artikel 128 WIB 92) is de problematiek er, ons inziens9, anders en is de aftrek wel mogelijk.

Ter info: het is evident dat de aftrek slechts kan geschieden als de noodzakelijke opgaven (325.10/325.50) en corresponderende fiches (281.10/281.50) tijdig worden ingediend (artikel 30 tot 33 en artikel 92 en 93 KB/WIB 92):

  • periodiek : betaling bedrijfsvoorheffing voor de inwonende familieleden;10
  • vóór 1 maart Y+1 : fiche 281.10 en opgave 325.10 voor de inwonende familieleden;
  • vóór 30 juni Y+1 : fiche 281.50 en opgave 325.50 voor de andere dan de inwonende familieleden.

Ter info: De fiscale commentaar heeft het over de aftrekbaarheid van werkelijke en fictieve lonen van helpers en helpsters.11

1.6. Fiscale verplichtingen van de helper

De helper die fiscaal als "zelfstandige" wordt aanzien:

  • moet volgens de fiscale administratie vak XIV (winst) of vak XV (baten) van de aangifte in de personenbelasting invullen. Wij menen evenwel dat – behoudens als uit de feiten blijkt dat de "helper" optreedt als "uitbater-zelfstandige" – het inkomen enkel als "baat" (vak XV) aan te geven is.
    In de betrokken omstandigheden is de helper inderdaad geen nijverheids-, handels- of landbouwonderneming (artikel 24 WIB 92) maar wel genieter van "alle niet als winst of als bezoldigingen aan te merken inkomsten uit een winstgevende bezigheid" (artikel 27 WIB 92). De inkomsten van de helper behoren ons inziens tot de restgroep van de beroepsinkomsten en zijn m.a.w. als "baat" te belasten.
    Een fiche 281.50 is m.a.w. steeds tijdig in te dienen (artikel 30 e.v. en artikel 92 en 93 K.B. WIB 92).

  • betaalt best vooraf: diegene die het fiscaal helperstatuut als bezoldigde verlaat (b.v. van inwonend naar niet-inwonend familielid) m.a.w. een "eerste vestiging als zelfstandige", voor wie de eerste drie jaar geen verhoging wegens onvoldoende voorafbetaling geldt.

1.7. Kind ten laste

Van zodra één frank bezoldiging voor een persoon, die deel uitmaakt van het gezin, als beroepskost in mindering wordt gebracht, is deze persoon niet meer ten laste (artikel 145 WIB 92).

Van zodra er drie of meer kinderen ten laste zijn, zou deze regel wel eens tot een belastingverhoging kunnen leiden, die niet opweegt tegen de belastingvermindering, veroorzaakt door de verhoging van de beroepskosten via de vergoeding als helper. Geschiedt de betaling ten gunste van het kind door en ten laste van een vennootschap, dan speelt deze fiscale regel niet meer en gelden de gewone regels … (b.v. toegelaten bestaansmiddelen: inkomsten 1999 : 76.000 BEF – 113.000 BEF en 151.000 BEF).

1.8. Cumul of decumul van inkomsten

1.8.1. In het jaar van het huwelijk

In het jaar van het huwelijk is het volgens de fiscale administratie niet mogelijk een aandeel aan de meewerkende echtgenoot/ote toe te kennen gezien beide echtgenoten op belastinggebied als "alleenstaanden" beschouwd worden voor het jaar van huwelijk (artikel 128 1° WIB 92).

Ook het in mindering brengen van een loon is - volgens de fiscale administratie - niet toegelaten gezien het fiscaal wetboek voorziet dat bezoldigingen aan de echtgenoot/ote geen beroepskost zijn (artikel 53 11° WIB 92).

De Minister van Financiën blijft hardnekkig dit standpunt verdedigen. Ons inziens weegt de administratie hier met twee maten: in het kader van de toekenning zijn de belastingplichtigen "alleenstaanden" en voor de beroepskosten zijn het "echtgenoten".

Dit impliceert dat – volgens de administratieve interpretatie – pas gehuwden, bijgestaan door hun echtgenoot/ote, niet kunnen genieten van een zeer interessant decumulstelsel. Dit laatste geldt daarentegen steeds voor werknemers, indien beide echtgenoten actief waren in het jaar van huwelijk.

De gediscrimineerden behoren evenwel tot een kleine minderheidsgroep zodat men een aanpassing van de wet blijkbaar tot vandaag niet nodig achtte.

Gelukkig zijn daar echter nog de Hoven van Beroep .

In een arrest van 13 maart 1985 heeft het Hof van Luik gevonnist dat de zienswijze van de administratie niet strookt met de tekst van de wet en dat de toekenning aan de meehelpende echtgenoot/ote ook mag gebeuren voor de jaren waarin de echtgenoten afzonderlijk worden belast.

Vragen en Antwoorden, Senaat, 29 april 1986, p. 884: de Minister van Financiën zal de desbetreffende wetgeving wijzigen, en ondertussen verzet hij zich niet tegen de toepassing van bedoeld arrest. De fiscale wet werd tot vandaag nog steeds niet aangepast.

Voor de behandelde problematiek verwijzen wij ook naar het artikel: "Het fiscaal statuut van de meewerkende echtgenoot".12

1.8.2. Jaren volgend op het jaar van het huwelijk

De toekenning van een gedeelte van de winsten of baten aan de meewerkende echtgenoot/ote gebeurt evenwel slechts onder bepaalde voorwaarden :

  1. De belastingplichtige kan slechts een gedeelte van zijn (haar) winsten of baten toekennen aan zijn (haar) meewerkende echtgenoot/ote.

  2. De echtgenoot/ote moet werkelijk prestaties leveren.
    De meewerking van de echtgenoot/ote moet effectief zijn. De beroepswerkzaamheid moet dus worden uitgeoefend met de onbetwistbare meewerking van de echtgenoot/ote. De werkelijkheid van de meewerking moet worden aangetoond door de belastingplichtige en het bewijs kan, onder de controle van de administratie, door alle rechtsmiddelen, uitgezonderd de eed, worden geleverd.
    Het feit dat in gelijkaardige beroepswerkzaamheden of ondernemingen of in vrije beroepen, ambten of posten of winstgevende bezigheden van dezelfde aard, de beroepswerkzaamheden gewoonlijk met meewerking van de echtgenoot/ote wordt uitgeoefend, is evenwel geen bewijsmiddel.

  3. De meewerkende echtgenoot/ote mag gedurende het belastbaar tijdperk een andere beroepswerkzaamheid uitoefenen dan diegene waarin hij/zij meehelpt, maar hiermee mag hij/zij echter maximaal 385.000 BEF (voor inkomsten 1998) en 389.000 BEF of 9.643,06 EUR. (voor inkomsten 1999) netto-inkomsten – d.w.z. bruto-inkomen verminderd met de kosten – verdienen.

  4. De toekenning is beperkt tot 30 % van het netto-inkomen van de beoefenaar van het beroep, tenzij wordt aangetoond dat er feitelijke omstandigheden bestaan die een hogere toekenning rechtvaardigen.

    De bezoldiging en de daarmee verbonden sociale lasten, die een feitelijke vereniging (zonder rechtspersoonlijkheid) toekent aan de echtgenoot van een van de natuurlijke personen, lid van de vereniging, zijn daarentegen wel – doch onder beperkte en logische voorwaarden – als beroepskost aftrekbaar.13

1.8.3. Het jaar van ontbinding van het huwelijk

De term ontbinding van het huwelijk kan zowel slaan op een ontbinding "in der minne" (feitelijke scheiding), gerechtelijke ontbinding (scheiding) of van rechtswege (overlijden van één der echtgenoten).

Artikel 128, 3° WIB 92 bepaalt dat de echtgenoten als alleenstaanden worden beschouwd vanaf het jaar van ontbinding of scheiding van tafel en bed.

In geval van een feitelijke scheiding geldt de behandeling als alleenstaande in fiscale zaken slechts vanaf het jaar volgend op dat van de feitelijke scheiding (artikel 128 2° WIB 92).

Uit artikel 308, § 1-2 valt af te leiden dat in het jaar van overlijden van een der beide echtgenoten, zij beide als alleenstaanden zullen beschouwd worden. Voor beide echtgenoten dient, gelet op de afzonderlijke aangiftetermijnen, een aparte aangifte te worden ingediend. Voor werknemers en ambtenaren betekent dit dat er, in het jaar van overlijden, een perfecte decumul plaatsvindt.

Bij overlijden van een van beide echtgenoten is het volgens de fiscale administratie evenwel onmogelijk een meewerkinkomen toe te kennen aan de overleden echtgenoot/ote. Dit heeft meestal een substantiële verhoging van de belasting tot gevolg, gezien er geen decumul van inkomsten plaatsheeft. Ons inziens moet in dit jaar in de kosten een bezoldiging als helpster – fiche 281.10 – worden opgenomen. Tegen het strak standpunt van de fiscale administratie – met taxatie op basis van cumul als gevolg – bestaan vandaag diverse juridische procedures. Wij hopen dat de rechter zich terzake laat leiden door de logica en de regels van gelijkheid. In diezelfde omstandigheden worden werknemers immers in het jaar van overlijden elk afzonderlijk belast, m.a.w. een perfecte decumul.

1.8.4. Algemene regel

Normalerwijze is een zo hoog mogelijke toekenning aan de meewerkende echtgenoot/ote te verkiezen. De wetgever beperkt dit evenwel: 30 % behoudens ... indien de prestaties kennelijk recht geven op een groter gedeelte.

Fiscale argumenten :

  • aftrek levensverzekering, aflossing lening in functie van de grootte van het beroepsinkomen;

  • decumul en progressieve tarieven;

  • Hof van Beroep Luik, 4 januari 1984:
    Overeenkomstig artikel 63 WIB (artikel 86 2° WIB 92) mag de meehelpende echtgenoot van een geneesheer zich een gedeelte van de beroepsinkomsten toekennen voor het werk bestaande uit de opname van telefoon gedurende de voormiddag, het klasseren van stukken, het onderhoud van het instrumentarium en van het linnen en dit niettegenstaande het feit dat, enerzijds een werkvrouw ten belope van 55 % en 45 % respectievelijk, gedurende de twee betwiste jaren diensten presteerde voor professionele doeleinden en anderzijds de fiscale formaliteiten door een zakenkantoor (op basis van de boekhouding gehouden door de verzoeker) vervuld werden.
    Voor de raming van dit aandeel moet men nochtans rekening houden met de vermoede afwezigheid van de huisvrouw, gezien haar verplichtingen, en de aanwezigheid van een werkvrouw.
    In geval van onenigheid over een verwijzing van de belasting, hoort het de administratie in geval van betwisting de gegrondheid van de aanslag te bewijzen.
    Feiten: in verband met de jaren 1977, 1978 en 1979 raamde de belastingplichtige het aandeel van de echtgenoot/ote op 70.000 BEF, terwijl de fiscus dit tot 30.000 BEF herleidde.
    Door de rechtbank aanvaard bedrag: 5 dagen * 4 uren = 20 – 3 = 17 uren * 45 weken = 765 uren * 80 BEF = 61.200 BEF.

  • Hof van Beroep Antwerpen, 14 december 1999:
    Een toekenning van meer dan 30 % is mogelijk als de belastingplichtige aantoont dat de prestaties van de meewerkende echtgenote recht geven op een groter deel. Hierbij is rekening te houden met de duur, de belangrijkheid en de aard van de activiteit.
    Een architect kende voor inkomsten 1990 en 1991 aan zijn echtgenote, houdster van een diploma "secretariaat moderne talen", 500.000 BEF vergoeding toe, hetgeen de 30 %-grens overschreed. Het Hof te Antwerpen meent dat de normale bezoldiging voor gelijkaardige prestaties niet doorslaggevend is.14

  • Hof van Beroep Antwerpen, 7 december 1999:
    Wegens het gebrek aan een opleiding als kapper baseerde het Hof zich op de bezoldiging van een eerstejaars leermeisje voor de echtgenote.15

2. De "helper" en de BTW

2.1. Wettelijke bepalingen

2.1.1 Begrip belastingplichtige : Artikel 4, § 1 van het BTW-wetboek
"Belastingplichtige is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend."

2.1.2. Begrip dienst : Artikel 18 § 1 van het BTW-wetboek
"Als een dienst wordt beschouwd, elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van dit Wetboek."

2.1.3. Mogelijke vrijstellingen : Artikel 44 § 1 van het BTW-wetboek
"Van de belasting zijn vrijgesteld de diensten door de nagenoemde personen verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid:


    1° notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders;
    2° artsen, tandartsen, kinesitherapeuten, vroedvrouwen, verplegers en verpleegsters, verzorgers en verzorgsters, ziekenoppassers en ziekenoppasters, masseurs en masseuses, van wie de diensten van persoonsverzorging zijn opgenomen in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;

..."

2.2. Commentaar

Ook hier mag men zich opnieuw niet laten leiden door het begrip helper in het sociaalzekerheidsrecht.

In de BTW-handeling lezen wij:
"Omdat omwille van de bijzondere omstandigheden een band van ondergeschiktheid wordt aangenomen, werd beslist dat de hoedanigheid van belastingplichtige niet moet worden toegekend:


    1° aan familiale helpers, in al de gevallen waarin uit een geheel van feitelijke gegevens blijkt dat zij bestendig onder leiding van verwanten werken in het kader van een familiebedrijf;
    2°. …"16

Hier wordt het onderscheid inwonend/niet-inwonend niet gemaakt. Wij vrezen dat de andere helpers – zie 2.3. hiervoor – wel voldoen aan de voorwaarden van artikel 4 en artikel 18 zodat de BTW-plicht wel geldt. Als de voorwaarden vervuld zijn, kan desnoods beroep gedaan worden op het regime van de "kleine onderneming".

----------

1. Com.IB 57/38.
2. Com.IB 57/34-52.
3. Circ. 12 december 1996, Bull.Bel. 768/2.97, p. 163 e.v.
4. V & A, Kamer, GZ 1993-1994, p. 9658-9659 - Vraag nr. 875, dhr. Dupré, 18 januari 1994.
5. Com.IB 20/21.1 oud.
6. Com. Sociaal Statuut, bijw. 1/1998, CS.40/1.
7. Com. Sociaal Statuut 38/6.2
8. Com. Sociaal Statuut, bijw. 1/1998, CS.38 en Com.IB 57/47.
9. Pacioli 61, 30 september 1999, p. 3-7.
10. Zie onderrichtingen op de keerzijde van de aangifte 274 E: "aangifte in de bedrijfsvoorheffing".
11. Com.IB 57/34
12. Pacioli 61, 30 september 1999, p. 3-7.
13. P.V. nr. 434, 22 mei 1996, Volksvertegenwoordiger Gehlen Albert, Kamer nr. 41, 8 juli 1996, Bull.Bel. 764/10.96, p. 2053-2054 en 57/53 Com.IB oud.
14. Fiscale Actualiteit, 11 januari 2000, p. 2/4-2/5.
15. Fiscale Actualiteit, 11 januari 2000, p. 2/5.
16. Handleiding BTW p. 143 en P.V. nr. 55, 19 november 1984, Senator Dalem, BTW-Revue,

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00