Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 72 - 15.03.00 - Verlaging BTW-tarief naar 6 % .....

Editie nr 72 van 15 maart 2000

BTW tarief van 6 % van toepassing voor sommige handelingen vanaf 1 januari 2000

1. Inleiding

Zoals aangekondigd door de heer Didier REYNDERS, Minister van Financiën, wou België gebruik maken van de mogelijkheden die werden aangereikt door de Europese instanties om bij wijze van experiment een verlaagd BTW-tarief toe te passen op arbeidsintensieve diensten (richtlijn nr. 1999/85/EG van de Raad van 22 oktober 1999 - PBEG nr. L 277 van 28 oktober 1999).

Het Koninklijk Besluit van 18 januari 2000 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 januari 2000, zet die toepassing van een verlaagd BTW-tarief om vanaf 1 januari 2000.

2. Draagwijdte van het verlaagd tarief

2.1. Tijdelijke bepaling

De nieuwe bepalingen inzake het verlaagd tarief zijn van toepassing vanaf 1 januari 2000 tot 31 december 2002. Deze tijdelijke maatregel zou evenwel verlengd kunnen worden en zelfs definitieve wending nemen.

Vóór 1 oktober 2002 dienen de Lidstaten die dit verlaagd tarief hebben toegepast immers een uitvoerig verslag op te stellen met een algehele evaluatie van de doeltreffendheid van de maatregel op het vlak van de schepping van werkgelegenheid en efficiëntie.

De Commissie zal een algemeen evaluatieverslag voorleggen, zonodig voorzien van een voorstel van passende maatregelen om definitief te kunnen beslissen over het BTW-tarief van toepassing op de zeer arbeidsintensieve diensten

2.2. Betrokken diensten

2.2.1. Vijf voorwaarden voor de "onroerende " handelingen

De onroerende handelingen die in aanmerking komen voor een verlaagd BTW-tarief van 6 % zijn de renovatie en herstelling van privé-woningen, met uitsluiting van materialen die een beduidend deel vertegenwoordigen van de waarde van de verstrekte diensten (zie 2.2.4.). Via het tarief van 6 % wilt de regering immers de schepping van werkgelegenheid bevorderen.

Het tarief van 6 % is van toepassing op de onroerende handelingen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

  1. de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben (zie 2.2.2.);

    li>de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt;

  2. de handelingen moeten verricht worden aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming ten minste vijf jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van verschuldigdheid van de BTW (einde van de werkzaamheden, facturering, contractuele betalingstermijn, effectieve betaling - zie 3.2.);

  3. de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker door een persoon die, op het tijdstip van het sluiten van het aannemingscontract, geregistreerd is als zelfstandig aannemer overeenkomstig de artikelen 400 en 401 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;

  4. de door de dienstverlener uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverlener van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.

Samengevat kan gesteld worden dat die nieuwe maatregelen op het vlak van „onroerende” handelingen:

- vanaf 1 januari 2000 de ingebruiknemingtermijn tot vijf jaar beperken (voorheen bedroeg die termijn vijftien jaar);

- de materialen uitsluiten die een beduidend deel van de verstrekte dienst vertegenwoordigen (zie 2.2.4.).

2.2.2. Beoogde "onroerende" handelingen

1. het verbouwen, het afwerken, het inrichten en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed (woning);

2. prestaties die erin bestaan een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt;

3. iedere handeling, ook indien niet beoogd in 2° hierboven, die het voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw:

    a) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel of aan de radiatoren;

    b) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van al de vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool;

    c) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van de toestellen voor de verlichting en van lampen;

    d) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon;

    e) van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of een badkamer is uitgerust (de huishoudtoestellen blijven onderworpen aan het tarief van 21%);

    f) van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst;

4. iedere handeling, ook indien niet beoogd in 2° hierboven, die tot voorwerp heeft, zowel de levering van wandbekleding of vloerbekleding of -bedekking als de plaatsing ervan in een gebouw ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte;

5. het aanhechten, het plaatsen, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, van goederen bedoeld in 3° en 4° hierboven;

6. de terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van de hierboven bedoelde handelingen.

2.2.3. Uitgesloten "onroerende" handelingen

Het verlaagd tarief is in geen geval van toepassing op:

1. werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen, die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden (in het Frans= travaux de culture = groenteteelt), tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;

2. werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen, die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna’s, minigolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;

3. het gedeelte van de prijs met betrekking tot de levering van verwarmingsketels in appartementsgebouwen alsook op de levering van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van liftinstallaties (zie 2.2.4.).

2.2.4. Uitsluiting van de materialen die een beduidend deel vertegenwoordigen van de verstrekte "onroerende " dienst

Die uitsluiting is uitdrukkelijk voorzien door de nieuwe bepalingen. Voor de toepassing van het verlaagd tarief, dienen alleen de volgende materialen als uitgesloten beschouwd te worden:

  • collectieve verwarmingsketels in appartementsgebouwen;

  • de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van liftinstallaties, zonder onderscheid te maken tussen liftinstallaties geïnstalleerd in een appartementsgebouw, in een “eengezinswoning”, in een rusthuis of in een andere residentiële structuur beoogd onder 2.2.5.
    Alleen de liften en “goederenliften”worden beoogd door de uitsluiting. Bijgevolg dient een “traplift”, mono-lift of andere niet beschouwd te worden als een liftinstallatie in de zin van de voornoemde uitsluiting.

Bijgevolg kan het prijsgedeelte dat betrekking heeft op de levering van andere materialen dan die welke hierboven opgesomd, genieten van het verlaagde tarief van 6 pct. en dient dat bijgevolg niet afzonderlijk belast te worden.

2.2.5. Het begrip eindverbruiker voor de "onroerende " diensten

Naast de natuurlijke of rechtspersonen die een zakelijk recht (eigendom, vruchtgebruik, etc.) of een genotrecht (huurder, etc.) hebben op een woning, worden eveneens aangemerkt als eindverbruikers voor de toepassing van de onderhavige bepalingen, de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke personen die beheerder zijn van:

1. verblijfsinrichtingen voor bejaarden welke door de bevoegde overheid zijn erkend in het kader van de wetgeving inzake bejaardenzorg;

2. internaten die zijn toegevoegd aan scholen of universiteiten of die ervan afhangen;

3. jeugdbeschermingtehuizen en residentiële voorzieningen die op duurzame wijze, in dag- en nachtverblijf, minderjarigen huisvesten en die erkend zijn door de bevoegde overheid in het kader van de wetgeving op de jeugdbescherming of de bijzondere jeugdbijstand;

4. opvangtehuizen die in dag- en nachtverblijf thuislozen en personen in moeilijkheden huisvesten en die erkend zijn door de bevoegde overheid.

2.2.6. Uitbreiding met "roerende " diensten

Voor dezelfde periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2002 breiden de nieuwe bepalingen de toepassing van het verlaagd tarief van 6% uit tot het verlenen van de volgende roerende diensten:

1. de herstelling van fietsen;
2. de herstelling van schoeisel en lederwaren;
3. de herstelling en het vermaken van kleding en huishoudlinnen.

3. Terugwerkende kracht van de bepalingen

3.1. Draagwijdte

De onderhavige bepalingen werden pas in het Belgisch Staatsblad van 29 januari 2000 gepubliceerd. Dat neemt niet weg dat ze van toepassing zijn op de handelingen die uitgevoerd werden vanaf 1 januari 2000.

Voor de bepaling van die scharnierdatum dient de datum te worden nagegaan van het met BTW belastbare feit, en van de bijkomende oorzaken van verschuldigdheid op voorwaarde dat die aan het belastbare feit voorafgaan.

3.2. Belastbaar feit en bijkomende oorzaken van verschuldigdheid

Voor het verlenen van diensten stemt het belastbare feit overeen met het ogenblik waarop de handelingen voltooid zijn (verlenen van volledig afgewerkte diensten).

Dat geldt ook voor de onroerende handelingen, het herstellen van fietsen, schoeisel, lederwaren en kleding en huishoudlinnen, onderworpen aan het BTW-tarief van 6 % sinds 1 januari 2000 (zie evenwel 3.3.).

Wanneer de datum waarop de handelingen werden voltooid vóór 1 januari 2000 plaatsvond, is het bijgevolg de oude wetgeving die daarop van toepassing is, desgevallend 21% BTW.

Echter, vóór de voltooiing van de handelingen kunnen bijkomende oorzaken optreden en de BTW verschuldigd maken op het ogenblik waarop die oorzaken optreden.

Die bijkomende oorzaken zijn drievoudig:

  • facturering;
  • contractuele betalingstermijn;
  • effectieve betaling.

Laten we veronderstellen dat een facturering, geheel of gedeeltelijk, geschiedt voordat de handelingen voltooid zijn: de BTW is verschuldigd ten belope van het gefactureerde bedrag.

Dat geldt ook indien een eenvoudige betalingsdatum tussen de partijen werd voorzien; het feit dat de klant de betaling zou verzekerd hebben op een latere datum is in dat opzicht van geen belang. Diezelfde redenering dient toegepast te worden op een effectieve betaling die zou optreden voordat de dienstverlening voltooid is.

Onder voorbehoud van de inningregel uiteengezet onder 3.3., en wanneer geen enkele factuur wordt afgeleverd, in de strikte naleving van de wetgeving inzake de facturering, zijn het belastbaar feit en de bijkomende oorzaken daarvan van toepassing op alle dienstverleningen (onroerende handelingen, herstellen van fietsen, schoeisel en lederwaren, herstellen en vermaken van kleding, huishoudlinnen, etc.).

Noteer dat steeds een factuur dient te worden opgemaakt voor onroerende dienstverleningen, zelfs indien de klant een natuurlijke persoon is die uitsluitend voor zijn privé-behoeften handelt. Met andere woorden, de inningregel uiteengezet onder 3.3. is nooit van toepassing op "onroerende" handelingen.

Voorbeeld

In het kader van een onroerende handeling in de vorm van de renovatie van een woning; dienen de volgende verrichtingen geregistreerd te worden:

  • 30 % betaalbaar bij de ondertekening van het contract op 01.11.1999.
    facturering van die schijf op 05.12.1999.
    effectieve betaling van dat bedrag op 04.01.2000.

  • 30 % betaalbaar bij de aanvang van de werkzaamheden op 15.12.1999.
    facturering van die schijf op 09.01.2000.
    effectieve betaling op 18.01.2000.

  • 30 % betaalbaar naargelang van de vorderingsstaat op 14.01.2000.
    facturering van die schijf op 01.02.2000.
    effectieve betaling op 01.03.2000.

  • 10 % betaalbaar bij de voltooiing van de werkzaamheden op 18.02.2000.
    facturering van die schijf op 25.02.2000.
    effectieve betaling op 10.03.2000.

De eerste twee schijven vallen onder de oude wetgeving aangezien een bijkomende oorzaak van verschuldigdheid in 1999 is opgetreden (contractuele betalingstermijn in november en december 1999). Alleen de twee laatste schijven genieten de sinds 1 januari 2000 toepasbare wetgeving.

3.3. Inningregel

De belastingplichtige is vrijgesteld van het afleveren van een factuur wanneer hij goederen en diensten levert aan natuurlijke personen die deze voor privé-gebruik bestemmen.

In de regel is die vrijstelling van toepassing op dienstverleningen in de vorm van herstellingen van fietsen, schoeisel, lederwaren, herstellen en vermaken van kleding en huishoudlinnen, wanneer het gaat om kleinhandel.

De onroerende handelingen, daarentegen, dienen steeds het voorwerp uit te maken van de aflevering van een factuur, ongeacht de aard van de cliënteel (particulieren, natuurlijke of beroepspersonen).

Wat de leveringen betreft van roerende goederen en de dienstverleningen uitgevoerd door een belastingplichtige die, gewoonlijk, goederen levert of diensten verleent aan particulieren, en waarvoor hij gebruik heeft gemaakt van de vrijstelling om een factuur af te leveren, is de BTW verschuldigd naar gelang van de inning van de prijs.

De ontvangsten worden geboekt in het ontvangstenboek dat door de BTW-wetgeving specifiek voorzien is voor die inningen. Dat ontvangstenboek vindt uiteraard geen toepassing voor de kleinhandelaars die onderworpen zijn aan het forfaitaire BTW-stelsel op voorwaarde dat die inningen gedekt zijn door de forfaitaire structuur.

Voorbeeld

Een kleinhandelaar, hersteller van schoeisel, onderworpen aan het normale BTW-stelsel, voert zo’n handeling uit in december 1999 voor een particulier. Voor die handeling wordt geen enkele factuur opgemaakt. De particulier komt zijn schoenen ophalen eind 1999. Hij krijgt "krediet" en betaalt slechts effectief in de loop van het jaar 2000.

Aangezien de effectieve betalingsdatum doorslaggevend is in de inningregel, is de BTW in haar totaliteit verschuldigd in 2000 en bijgevolg onderworpen aan de nieuwe wetgeving (6 % BTW-aanslag in plaats van 21 % voor de inningen geregistreerd in 1999).

In de veronderstelling dat de klant een deel in 1999 heeft betaald en het saldo in 2000, dan zou het in 1999 betaalde deel tegen 21 % belastbaar zijn geweest, terwijl de inning gerealiseerd in 2000 aan 6 % onderworpen zou zijn geweest.

***

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
Navigatie
  • TERUG