Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 71 - 29.02.00 - Het sociaal statuut van de helpers

Editie nr 71 van 29 februari 2000

Het sociaal statuut van helpers en helpsters

    Auteur:
    José HAUSTRAETE,
    Lid Nationale Raad

Het statuut van de helper wordt in de praktijk dagdagelijks toegepast. In dit artikel, dat een eerste deel is, bespreken we het sociaal statuut van de helper. Een tweede deel (zie Pacioli 73 van 31 maart 2000) behandelt het fiscaal statuut van de helper. In een derde en laatste deel (zie Pacioli 75 van 30 april 2000) gaan we dieper in op het meewerkinkomen voor de helpende echtgeno(o)t(e).

Inleiding

Er zijn tal van misverstanden doordat de behandeling in het sociaal en fiscaal wetboek niet volledig parallel lopen: de fiscale wet is strenger dan de sociale wet.

  • De meehelpende echtgenoot/ote heeft een specifiek sociaal en fiscaal statuut. In de fiscale wet worden die belastingplichtigen ook geconfronteerd met onlogica: positie van de werkende vennoten, huwelijk, overlijden.

  • Voor kinderen is het helperstatuut frequent een realistische en vlotte overgang tot het leven als "zelfstandige" of als start van een vennootschap samen met de ouders.

  • Voor ouders is het even praktisch om langzaam uit het beroepsleven te treden en het roer aan de kinderen over te laten.

  • Voor vreemden is het een minder frequent gebruikt regime omwille van de problematiek van het toepasselijk sociaal statuut: werknemer of zelfstandige. Het is immers een feitenkwestie in hoeverre iemand ressorteert onder het sociaal zekerheidsstelsel voor werknemers dan wel voor de zelfstandigen.

Door de wijziging van het administratief standpunt vanaf 1992 inzake de fiscale kwalificatie van de inkomsten van "help(st)ers" is, voor niet-inwonende gezinsleden, het interessante regime van werknemers komen te vervallen.

Vanaf 1997 heeft de Regering bovendien het regime van de meehelpende echtgenote binnen vennootschappen plots afgeschaft wat tegen elke bedrijfseconomische realiteit indruist.

In het licht van alle maatregelen, die zowel door de Regering als door de fiscale administratie genomen worden, is de conclusie reeds op voorhand gekend: het is er inderdaad niet beter en eenvoudiger op geworden.

Om pragmatische redenen gebruiken wij in het vervolg van de tekst de termen "helper" en "echtgenoot/ote" voor beide kunnen.

In het "leven" van een onderneming kunnen wij volgende gradaties (stadia) onderscheiden, die in de praktijk nooit integraal aanwezig zijn:

    a. De start door de ouders;
    b. De hulp van kinderen als vakantiejob;
    c. De bijstand van kinderen onder het werknemersstatuut (arbeider of bediende);
    d. De hulp van kinderen onder het helperregime
    e. De feitelijke vereniging
    f. Het helperstatuut bij de zaakvoerder/bestuurder (enkel vennootschappen)
    g. De kinderen nemen het bedrijf/praktijk van de ouders over
    h. De ouders worden helper bij de kinderen
    i. De vennootschap samen met de kinderen, die "werkend vennoot" worden. (enkel vennootschappen)
    j. De kinderen worden zaakvoerder/bestuurder(enkel vennootschappen).
    k. De kinderen worden statutair zaakvoerder (enkel vennootschappen).

Sinds 1997 is het begrip "werkend vennoot" – stadium i – in het Fiscaal Wetboek geschrapt. Dit in de rechtspraak en rechtsleer goed en veelvuldig omschreven begrip werd plots geschrapt en vervangen door een zeer rechtsonzekere figuur: de bedrijfsleider, tweede categorie (artikel 32, 2° WIB 92). Dit neemt niet weg dat er in de praktijk nog steeds "werkende vennoten" bestaan. Het is te betreuren dat – om wel rechtszekerheid te hebben – het "i-stadium" best onmiddellijk vervangen wordt door het "j-stadium", hetgeen veelal niet het opzet was binnen de groei van de onderneming: de "pater familias" wordt reeds in een (te) vroeg stadium gedwongen om de (te) verregaande leiding over te dragen of af te staan aan de kinderen, indien hij rechtszekerheid nastreeft.

Het sociaal statuut van de "helper"

1. Wettelijke bepalingen

Het Koninklijk Besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen staat hier centraal. Wij citeren :

Artikel 6: Dit besluit verstaat onder helper ieder persoon die in België een zelfstandige in de uitoefening van zijn beroep bijstaat of vervangt, zonder tegenover hem door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden.

Artikel 7: Zijn als helpers niet aan dit besluit onderworpen:
1° de echtgenoot of echtgenote van de onderworpene, zelfs indien een deel van de beroepsinkomsten hun wordt toegekend overeenkomstig de wetgeving op de inkomstenbelastingen. Genoemde echtgenoot of echtgenote van de onderworpene kunnen zich nochtans, overeenkomstig de nadere regelen en onder de voorwaarden door de Koning vastgesteld, vrijwillig onderwerpen aan de toepassing van dit besluit. Deze onderwerping kan enkel de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector der uitkeringen, betreffen;
2° de helpers en de helpsters vóór de 1ste januari van het jaar en in de loop waarvan zij de leeftijd van 20 jaar bereiken, tenzij zij gehuwd zijn vóór deze datum. In dit laatste geval zijn de betrokkenen onderworpen vanaf het kalenderkwartaal tijdens hetwelk het huwelijk werd gesloten;
3° …
4° de personen die slechts toevallig een bedrijvigheid uitoefenen als helper. De Koning bepaalt wat dient verstaan onder een toevallige bedrijvigheid.

2. De meewerkende echtgenoot/ote

Het sociaal statuut van de zelfstandigen is voor de meewerkende echtgenoten – man en vrouw – uitermate streng: zij worden a priori uitgesloten uit het stelsel van de sociale zekerheid, behalve voor één sector nl. de arbeidsongeschiktheid. Deze mogelijkheid geldt sinds 19901. Dit laatste is een mogelijkheid op voorwaarde dat de betrokken echtgenoot/ote een afzonderlijke en extra bijdrage betaalt2

Vanaf 1 april 1999 is het voor de meewerkende echtgenote3 mogelijk om in een zeer beperkte mate te storten voor een eigen pensioen, op voorwaarde dat hij/zij zich vrijwillig heeft onderworpen aan de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsuitkering.

In het licht van de strijd tegen de sociale rechtsonzekerheid zou het wellicht logischer en evidenter zijn dat hoger geciteerd artikel 7 van het K.B. 38 omgebogen wordt tot een "mogelijkheid" i.p.v. de heden nog steeds bestaande uitsluiting. Er mag immers niet vergeten worden dat de sociale bijdragen bij zelfstandigen berekend worden op het fiscaal inkomen, gerealiseerd door de activiteit van beide echtgenoten. Door het bestaan van artikel 7 van het K.B. 38 geniet nochtans slechts één van de beide echtgenoten een volwaardig sociaal statuut. Opdat beide echtgenoten een eigen pensioen zouden kunnen genieten moet er dus driemaal betaald worden om slechts tweemaal te genieten: de pensioenbijdrage, betaald door de man, maar berekend op het inkomen van beide echtgenoten en de pensioenbijdrage van de echtgenote!

Er zijn wel oplossingen voor deze anomalie in het wetboek. In de praktijk is het echter niet steeds realiseerbaar om artikel 7, 1°, m.a.w. het gebrekkig sociaal statuut van de meewerkende echtgenote, te ontlopen.

A. Een afzonderlijke activiteit van beide echtgenoten

Op die manier betalen beiden in eigen naam sociale bijdragen en hebben zij ook recht op sociale uitkeringen: zij bouwen beiden een volwaardig sociaal statuut op en realiseren meestal een hoger netto-inkomen gezien de invloed van de fiscaliteit.

Wij stellen ons hierbij de vraag in hoeverre beide echtgenoten zich niet kunnen gedragen als exploitanten onder de vorm van een feitelijke vereniging. In de praktijk is deze figuur evenwel niet bekend. Ten onrechte ?

Binnen vrije beroepen, alwaar elke beoefenaar de titel voert en zijn persoonlijke beroepsaansprakelijkheid heeft, is het statuut van meewerkende echtgenote (b.v. beide echtgenoten zijn advocaat, medicus, boekhouder, veearts, …) – gelukkig – niet mogelijk.

Er is een fiscaal vermoeden gecreëerd dat man en vrouw afzonderlijke beroepsactiviteiten uitoefenen wanneer ze via de belastingen afzonderlijke beroepsinkomsten aangeven. Wanneer echtgenoten bijgevolg afzonderlijke beroepsinkomsten als zelfstandige aangeven, worden ze geacht – tot het tegendeel is bewezen – dat ze elk een aparte zelfstandige beroepsactiviteit uitoefenen. In zulk geval wordt er m.a.w. van uitgegaan dat er tussen de echtgenoten geen helperrelatie bestaat.4

Wij vernemen dat omwille van het onbestaande sociaal statuut als meewerkende echtgenote tal van leden van VEMEA (Vereniging van meewerkende echtgenoten van artsen) opteerden voor een eigen afzonderlijke activiteit i.p.v. de activiteit als meewerkende echtgenote!

B. De vennootschap, waarbij beide echtgenoten als actieve vennoot optreden

Vroeger kon de feitelijke vereniging, omschreven als de "onregelmatig opgerichte V.O.F.", vlot worden geregulariseerd naar een volwaardige vennootschap. Van zodra beide echtgenoten als vennoot optraden én er een werkelijke activiteit was van deze beide echtgenoten, was er sprake van "werkende vennoten", die als dusdanig elk ressorteerden onder het sociaal statuut van de zelfstandigen.

Sedert 1 juli 1996 is de nieuwe vennootschappenwet van kracht en daaruit volgt dat een vennootschap, waarvan de publicatieformaliteiten uit de vennootschappenwet niet zijn voldaan, steeds een maatschap is. Afhankelijk van haar doel zal dit een burgerlijke dan wel commerciële maatschap zijn. De maatschap bezit geen rechtspersoonlijkheid. De vennoten van deze maatschap zijn zelfstandigen. De baten of winsten van de maatschap zijn rechtstreeks baten of winsten voor de vennoten in kwestie. In hoeverre de relatie uitbater – meewerkende echtgenote als een feitelijke vereniging te aanzien is hangt, ons inziens, af van de mate waarin beide personen elk als individuele uitbater kunnen of moeten aanzien worden.

Raad : creatie van een regelmatig opgerichte vennootschap. In veel gevallen is de V.O.F. hiervoor een aangewezen vorm, tenzij de deontologische regels deze vorm van samenwerken tussen echtgenoten verhinderen (b.v. medici).

In de praktijk tracht men – ons inziens veelal ten onrechte – de onderwerpingsplicht aan het sociaal statuut van de zelfstandigen van de partner te vermijden, gezien op die manier inderdaad slechts door één partner sociale bijdragen moeten betaald worden. Dit is evenwel een misverstand gezien in realiteit – nl. zonder vennootschap – éénmaal bijdragen worden betaald doch deze bijdragen worden berekend op het inkomen gerealiseerd door beide echtgenoten. Indirect betalen beide echtgenoten dus wel degelijk sociale bijdragen. Wij stellen evenwel in de praktijk vast dat tweemaal betalen – d.i. door beide echtgenote elk – al te veel wordt gelijkgesteld met "meer" betalen. Dit laatste is alleen het geval indien het inkomen van de partner hetzij zo laag is dat de minimumbijdrage zelfs niet zou verschuldigd zijn hetzij zo hoog is dat de bestaande grens – 2.763.437 voor inkomsten 1999 – overschreden wordt. In dit laatste geval wordt de kostprijs evenwel sterk gedrukt via de fiscaliteit en weegt – ons inziens – het nadeel van de extra bijdrage veelal op tegen het voordeel van het tweede sociaal statuut.

Reeds eerder toonden wij aan5 dat tweemaal betalen veelal zelfs aanleiding geeft tot een hoger netto-inkomen. Twee sociale statuten zijn, vooral inzake pensioenrechten, belangrijk. Dit heeft voor gevolg dat het aannemen van het sociaal statuut als zelfstandige minder aantrekkelijker wordt naarmate de pensioenleeftijd nadert.

Conclusie : door het bestaan van artikel 7 van het K.B. 38 is de positie van tal van meewerkende echtgenoten, die dit regime noch via een eigen activiteit, noch via een vennootschap kunnen ontlopen, alles behalve aantrekkelijk: de echtgenote van de medicus, de advocaat, de notaris, de boekhouder, de accountant, …

Voor hen lijkt mij slechts nog als noodoplossing mogelijk: een eigen zelfstandige activiteit opstarten. Hierdoor ontstaat evenwel 21% BTW, die voor de niet BTW-plichtigen (vb. medici, advocaten, notarissen, …) een extra kostprijselement wordt … die gelukkig een beroepskost is. Bij het hoogste marginaal belastingtarief van 60% wordt de effectieve kost: 21 x 40% = 8%. Ons inziens weegt dit op voor een eigen sociaal statuut, waarin pensioenopbouw via de wettelijke bijdrage en het vrij aanvullend pensioen te verkiezen is boven de nieuwe mogelijkheid vanaf 1 april 1999. In sommige gevallen ontstaat evenwel geen BTW-plicht: vb. de echtgenote treedt op als verpleegster.

3. Andere dan de meewerkende echtgenoten

Uit de definitie, opgenomen in het K.B. nr. 38 van 27 juli 19676, is te concluderen dat in feite om het even wie in aanmerking komt als "helper" zodat een familiale band sensu stricto niet noodzakelijk is. De gestelde voorwaarde – geen arbeidsovereenkomst – is een eis, die in de praktijk niet steeds gemakkelijk en met zekerheid vast te stellen is.

Vele practici zijn nog steeds de mening toegedaan dat het "helperstatuut" enkel geldt in familiale omgeving. Dit was wel zo vóór 1970. Het feit dat niet-familieleden eveneens in aanmerking komen, werd indirect bevestigd door de rechtspraak. Een vroegere arbeider sloot zich op een bepaald ogenblik aan bij het sociaal statuut van de zelfstandigen. Het Arbeidshof te Brussel aanvaardde het statuut van helper. Het Hof van Cassatie daarentegen verbrak het arrest gezien er sprake was van werken "onder gezag" van iemand anders7. De uitsluiting als "helper" gebeurde m.a.w. niet omdat het om een niet-familielid ging. De administratieve commentaar bij het sociaal statuut van de zelfstandigen maakt er bovendien expliciet melding van dat de persoon die helpt, niet verwant hoeft te zijn aan de zelfstandige8. Hierdoor onderscheidt het sociaalrechtelijk begrip helper zich van het fiscaalrechtelijk begrip9.

Het helperstatuut is evenwel enkel mogelijk t.o.v. een zelfstandige10. Men kan dus nooit helper zijn van een vennootschap, zelfs al heeft deze vennootschap geen rechtspersoonlijkheid11! Opgelet dus voor maatschappen en feitelijke verenigingen. Hoogstens kan men helper zijn bij personen, actief binnen een vennootschap of onderneming. In een concreet geval – dochter actief bij een bestuurder - sloot de rechtspraak het helperstatuut uit12. In principe kan een normaal loon of een normale wedde van een helper als beroepskost in mindering worden gebracht, zowel door een mandataris, een handelaar, een vrije beroeper als door een werknemer13.

Belangrijke opmerking: de geholpen zelfstandige is verantwoordelijk voor de betaling van de sociale bijdragen van de helper14. De helpers zijn evenwel slechts sociale bijdragen verschuldigd vanaf 1 januari van het jaar waarin zij twintig jaar worden, behoudens bij huwelijk vóór deze datum (zie artikel 7, 2° supra).

Toevallige en onregelmatige helpers – m.a.w. diegenen die als helper-student minder dan tachtig uren per maand een winstgevende bezigheid uitoefenen en helpers die onregelmatig en minder dan negentig dagen actief zijn – zijn eveneens niet aan het sociaal statuut van de zelfstandige onderworpen.

Studenten, die het recht op kindergeld hebben – m.a.w. minder dan tachtig uren per maand werken – blijven evenwel aanzien worden als "toevallige helpers"15.

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
Navigatie
  • TERUG