Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 111 - 31.12.01 - Hervorming van de personenbelasting (2)
personenbelasting

Editie nr 111 van 31 december 2001

De gefaseerde uitvoering van de wet houdende hervorming van de personenbelasting (2)

    Auteur:
    Roland ROSOUX
    Expert bij het kabinet van de Regeringscommissaris, toegevoegd aan de Minister van Financin,
    Directeur bij de centrale diensten van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit

Na de bespreking van de wijzigingen in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2002 in Pacioli 109 (30 november 2001), gaan we in dit nummer dieper in op de vanaf de aanslagjaren 2003 en 2004 toepasselijke maatregelen. De vanaf het aanslagjaar 2005 toepasselijke maatregelen bespreken we in een volgende Pacioli.

A. Vanaf het aanslagjaar 2003 toepasselijke maatregelen

1. Eerste verbetering van het beroepskostenforfait

Tot op heden hebben de werknemers en de titularissen van vrije beroepen recht op een kostenforfait, gelijk aan 20 % op de eerste schijf van 150.000 BEF (vr indexering), aan 10 % op de schijf van 150.000 tot 300.000 BEF (vr indexering), aan 5 % op de schijf van 300.000 tot 500.000 BEF (vr indexering) en aan 3 % op de schijf van meer dan 500.000 BEF (vr indexering). Het aftrekbare bedrag mag evenwel niet hoger liggen dan 100.000 BEF (vr indexering).

Overeenkomstig het budgettaire schema wordt het percentage dat van toepassing is op de eerste schijf van 150.000 BEF of 3.750 euro (vr indexering), in een eerste fase (aanslagjaar 2003) op 23 % gebracht. Het maximumbedrag van 100.000 BEF of 2.500 euro (vr indexering) blijft evenwel behouden (zie ook verder).

2. Eerste wijziging van het aanslagbarema

In artikel 130 W.I.B. 1992 wordt door de hervormingswet een nieuw aanslagbarema ingevoerd. In verhouding tot het bestaande barema is het de bedoeling de twee hoogste tarieven (52,5 % en 55 %) op te heffen en tot een aanzienlijke uitbreiding te komen van de inkomensschijven waarop het tarief van 30 % en vooral het tarief van 40 % van toepassing zijn zodanig dat belastingplichtigen die over geringe of middelmatige inkomens beschikken, meer in aanmerking kunnen komen voor de laagste schijven. Overeenkomstig het budgettair schema wordt de aanpassing van het barema in drie etappes uitgevoerd.

Voor het aanslagjaar 2003 wordt de belasting bepaald op :

  • 25 % voor de inkomensschijf van 0,01 EUR tot 5.705,00 EUR;
  • 30 % voor de inkomensschijf van 5.705,00 EUR tot 7.565,00 EUR;
  • 40 % voor de inkomensschijf van 7.565,00 EUR tot 10.785,00 EUR;
  • 45 % voor de inkomensschijf van 10.785,00 EUR tot 24.800,00 EUR;
  • 50 % voor de inkomensschijf van 24.800,00 EUR tot 37.185,00 EUR;
  • 52 % voor de inkomensschijf boven 37.185,00 EUR.

Het tarief van 55 % wordt dus afgeschaft, terwijl het tarief van 52,5 % met een half punt wordt verminderd.

3. Eerste verhoging van de belastingvrije som

Artikel 133, 1, W.I.B. 1992 bepaalt momenteel dat de belastingvrije som in een aantal situaties verhoogd wordt met een toeslag van 870 euro. Dit is het geval voor een niet-hertrouwde weduwenaar of weduwe, alsook voor een ongehuwde vader of moeder die n of meer kinderen ten laste heeft.

De hervormingswet vervangt dit systeem en kent een toeslag toe van 870 euro voor een afzonderlijk belaste alleenstaande met n of meer kinderen ten laste.

Dit betekent dus dat de discussie rond de definitie van een ongehuwde vader of moeder tot het verleden behoort. Zoals u wellicht weet, heeft deze categorie van belastingplichtigen nogal wat interpretatieproblemen veroorzaakt. De moeilijkheden hadden vooral betrekking op de vraag of een gescheiden en niet-hertrouwde vader of moeder met n of meer kinderen ten laste recht heeft op de vermeerdering. De administratie beantwoordt deze vraag bevestigend en gaat daarbij uit van de antwoorden die werden verstrekt op parlementaire vragen. Voorwaarde is evenwel dat het kind "verwekt" moet zijn na de scheiding, hoewel het Hof van Cassatie van oordeel is dat een gescheiden ouder, zelfs indien niet hertrouwd, in de zin van de wet nooit een vrijgezel zou kunnen zijn.

Door de hervormingswet is dit probleem definitief van de baan : een gescheiden ouder met n of meer kinderen ten laste zal dus vanaf het aanslagjaar 2003 onbetwistbaar recht hebben op de vermeerdering, zelfs indien het betreffende kind na de scheiding werd verwekt.

4. Terugbetaalbare vermindering voor kind ten laste

Vanaf het aanslagjaar 2005 (zie een volgende Pacioli) zal de integrale decumul voor elke echtgenoot een belastbaar inkomen bepalen dat hem of haar eigen is. De toeslagen voor kinderen en andere gezinslasten worden dan logischerwijze verrekend bij de echtgenoot of de wettelijk samenwonende die het hoogste belastbaar inkomen heeft (tot op heden gebeurde de toerekening bij diegene die het hoogste beroepsinkomen had).

Er wordt echter niet verwacht dat de belastingvrije som vastgelegd wordt per belastingplichtige (vanaf het aanslagjaar 2005) opdat beter rekening zou worden gehouden met de kinderen ten laste.

Heel wat grote gezinnen kunnen niet volledig genieten van de belastingvrijstelling voor kinderen ten laste. De geleidelijke vrijstelling leidt er immers toe dat, voor de lage inkomens, de belastingvrije som hoger kan liggen dan het belastbaar inkomen. Om deze situatie te verhelpen wordt het niet gebruikte deel van de belastingvrije som voor de kinderen ten laste omgezet in een terugbetaalbaar belastingkrediet, met een maximum van 250 EUR per kind ten laste.

Bestaat de belastingvrije som uit verschillende elementen, dan wordt de regel van het belastingkrediet toegepast in het voordeel van de belastingplichtige. Dit betekent dat het niet gebruikte deel van de belastingvrije som verondersteld wordt in de eerste plaats afkomstig te zijn van de fiscaal vrijgestelde toeslag voor kinderen ten laste.

Het aldus berekende belastingkrediet zal pas effectief aan de belastingplichtige worden uitbetaald indien dit minstens 2,50 EUR bedraagt. Immers, overeenkomstig artikel 304, 1, derde lid, W.I.B. 1992, wordt het bedrag van de ten kohiere gebrachte belastingen niet ingevorderd of terugbetaald wanneer dit minder bedraagt dan 2,50 EUR.

5. Voorwaarden betreffende de bedinging van voordelen voor de levensverzekeringscontracten

Zoals reeds eerder in dit artikel vermeld, voert de hervormingswet een wijziging in in artikel 145/4, 1, b W.I.B. 1992 met betrekking tot de leeftijdsgrens voor het aangaan van een levensverzekeringscontract.

Daarnaast schrapt de hervormingswet in artikel 145/4, 2, a W.I.B. 1992 de vereiste dat de voordelen van het contract bedongen zijn bij leven, ten gunste van de belastingplichtige vanaf de leeftijd van 65 of 60 jaar, naargelang het een man of een vrouw betreft, en voert een artikel 525 in dat luidt als volgt: "Artikel 145/4, 2, a, zoals het bestond voor het door artikel 31 van de Wet van 10 augustus 2001 werd gewijzigd, blijft van toepassing op de contracten die zijn afgesloten vr 1 januari 2002".

6. Belastingkrediet voor de lage inkomens

De hervormingswet voegt in het W.I.B. 1992 een nieuw artikel 289ter in en introduceert daarbij een nieuw belastingkrediet voor de lage inkomens uit arbeid. Bedoeling is om via de fiscaliteit te komen tot een substantile opwaardering van het inkomen van de werknemers waarvan de activiteitsinkomsten dicht bij het minimumloon of bij het loon van deeltijds werkenden liggen. Met andere woorden : de filosofie achter het belastingkrediet is het creren van een overtuigend verschil tussen de vervangingsinkomens en de inkomsten uit arbeid.

Daarom is het de bedoeling het belastingkrediet toe te kennen aan de (lage) regelmatige inkomsten uit arbeid, ongeacht of het om werknemers in loondienst of om zelfstandigen gaat. Deze inkomsten worden aangeduid onder de nieuwe benaming "activiteitsinkomsten". De activiteitsinkomsten zijn de netto-beroepsinkomsten, met uitsluiting van:

  • pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen;
  • vergoedingen, verkregen als volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van inkomsten (werkloosheidsuitkeringen, brugpensioenen, ziekte- en invaliditeitsuitkeringen, enz.);
  • afzonderlijk belaste beroepsinkomsten.

Bovendien worden de inkomsten die niet als hoofdactiviteit van de belastingplichtige kunnen worden aangezien, uitgesloten. Derhalve dient bovenstaand lijstje verder aangevuld te worden met :

  • de bezoldigingen van deeltijdse arbeid die minder dan n derde van de normale arbeidsduur bedraagt;
  • de inkomsten uit een zelfstandige nevenactiviteit voor de toepassing van de wetgeving betreffende het sociaal statuut van de zelfstandigen.

Deze maatregel is dus zowel op werknemers als op zelfstandigen van toepassing. Ze wordt echter niet op zelfstandigen toegepast indien zij zelf kiezen voor de toepassing van de forfaitaire belastingsgrondslagen in plaats van belast te worden op hun werkelijke inkomsten.

Aangezien deze maatregel bedoeld is om de armoede te bestrijden, worden de belastingplichtigen met een gering activiteitsinkomen die echter over andere hoge inkomsten beschikken, ervan uitgesloten. Om die reden worden met betrekking tot de toepassing van het belastingkrediet de twee volgende grenzen ingevoerd:

  • het totale netto-inkomen van de belastingplichtige mag niet hoger liggen dan 14.140 euro;
  • de activiteitsinkomsten moeten minimum 3.260 euro bedragen, maar mogen niet hoger liggen dan 14.140 euro (die bedragen moeten gendexeerd worden).

Om een al te bruusk effect van de overschrijding van de grens van het totale netto-inkomen (14.140 euro vr indexering) te vermijden wordt bovendien een regel van trapsgewijze opheffing (tussenfaseregel) toegepast in functie van datzelfde totale netto-inkomen. Die regel kan het best in de vorm van volgend schema worden gellustreerd.

Grondslag in euro Belastingkrediet
0 tot 3. 260 0
3.260 tot 4.350 proportionele verhoging tot 440 euro
4.350 tot 10.880 440 euro
10.880 tot 14.140 proportionele vermindering tot 0
14.140 en meer 0

Wanneer de beroepsinkomsten slechts gedeeltelijk uit activiteitsinkomsten bestaan, wordt het belastingkrediet verminderd in verhouding tot het gedeelte dat de activiteitsinkomsten vertegenwoordigen ten opzichte van het nettobedrag van de beroepsinkomsten.

In het budgettair schema, belast met de uitvoering van dit onderdeel van de hervorming, wordt evenwel gepreciseerd dat het belastingkrediet voor de activiteitsinkomsten in drie etappes gerealiseerd wordt. In een eerste fase (aanslagjaar 2003) bedraagt het basisbedrag van het belastingkrediet 78 euro. Vervolgens zal dit bedrag worden opgetrokken tot 220 euro (aanslagjaar 2004). In een derde fase ten slotte (aanslagjaar 2005) zal het basisbedrag worden opgetrokken tot 440 euro.

Voor het aanslagjaar 2003 ziet de berekening van het belastingkrediet, met toepassing van de tussenfaseregel, er als volgt uit:

  • de belastingplichtige met meer dan 3.260 euro (maar minder dan 4.350 euro) activiteitsinkomsten geniet een progressief belastingkrediet dat berekend wordt aan de hand van de volgende formule: 78,00 EUR * [(activiteitsinkomsten -3.260,00 EUR)/(4.350,00 EUR - 3.260,00 EUR)];
  • ligt het bedrag van de activiteitsinkomsten hoger dan 10.880 euro, zonder evenwel meer te bedragen dan 14.140 euro, dan wordt een degressief belastingkrediet toegekend dat aan hand van de volgende formule wordt berekend: 78,00 EUR * [(14.140,00 EUR - activiteitsinkomsten)/(14.140,00 EUR - 10.880,00 EUR)].

We herinneren er nog even aan dat dit nieuwe belastingkrediet terugbetaalbaar is. Het kan dus de vorm aannemen van een terugbetaling van belasting wanneer de belastingvrije som of de aftrekken ertoe leiden dat geen enkele belasting verschuldigd is.

7. Kosten voor gemeenschappelijk vervoer

De hervormingswet voorziet in een bijzonder regime in het geval een werkgever - of een groep van werkgevers - het gemeenschappelijk vervoer van zijn werknemers tussen hun woonplaats en de plaats van tewerkstelling organiseert. Het is de bedoeling dat die werkgever de kosten met betrekking tot sommige investeringen en kosten gedaan met het oog op de inrichting van gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden aan 120 % in rekening mag brengen.

Die investeringen of kosten kan de werkgever zelf hebben gedaan of samen met andere werkgevers, met dien verstande dat de echtheid en het bedrag ervan verantwoord moeten worden overeenkomstig artikel 49 W.I.B. 1992.

De in aanmerking komende investeringen en kosten zijn :

1) de investeringen in minibussen, autobussen en autocars, die worden aangewend voor het gemeenschappelijk vervoer van werknemers van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling;

2) de kosten die rechtstreeks betrekking hebben op die voertuigen, zoals onderhoud en herstelling, verkeersbelasting, verzekeringen, brandstoffen, enz., maar met uitsluiting van de kosten die betrekking hebben op de chauffeur van die vervoermiddelen;

3) de uitgaven die worden betaald aan ondernemingen die in de plaats van de werkgever of van de groep van werkgevers instaan voor het gemeenschappelijk vervoer van werknemers van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling.

Bovendien wordt in de hervormingswet nog uitdrukkelijk het volgende gestipuleerd:

  • bestaan de kosten uit afschrijvingen van de hierboven bedoelde voertuigen, dan wordt het aftrekbaar bedrag per belastbaar tijdperk, verkregen door het normale bedrag van de afschrijvingen van dat tijdperk, met 20 % verhoogd;
  • de beperking tot 75 % van de kosten met betrekking tot de minibussen (artikel 66, 1, W.I.B. 1992) is in dit geval niet van toepassing;
  • er moet geen rekening worden gehouden met de met 20 % verhoogde afschrijving voor de berekening van de latere meer- of minderwaarden;
  • de in artikel 190 W.I.B. 1992 ingeschreven onaantastbaarheidsvoorwaarde is van toepassing op het deel van de 20 % van de verhoogde kosten en afschrijvingen.

B. Vanaf het aanslagjaar 2004 toepasselijke maatregelen

1. Tweede verbetering van het beroepskostenforfait

Voor het aanslagjaar 2003 hebben de werknemers en de beoefenaars van vrije beroepen recht op een kostenforfait, gelijk aan 23 % van de eerste schijf van 150.000 BEF (vr indexering), aan 10 % op de schijf van 150.000 tot 300.000 BEF (vr indexering), aan 5 % op de schijf van 300.000 tot 500.000 BEF (vr indexering) en aan 3 % op de schijf van meer dan 500.000 BEF (vr indexering).Het aftrekbare bedrag mag evenwel niet hoger liggen dan 100.000 BEF (vr indexering).

Het percentage dat van toepassing is op de eerste schijf van 150.000 BEF of 3.750 EUR (vr indexering) wordt vanaf het aanslagjaar 2004 op 25 % gebracht. Het maximumbedrag van 100.000 BEF of 2.500 EUR (vr indexering) blijft evenwel behouden.

2. Tweede wijziging van het aanslagbarema

Zoals reeds eerder vermeld, wordt door de hervormingswet in artikel 130 W.I.B. 1992 een nieuw aanslagbarema ingevoerd en wordt, overeenkomstig het budgettaire schema, de aanpassing van het barema in drie fases uitgevoerd. Voor het aanslagjaar 2004 (tweede fase) wordt de belasting bepaald op:

  • 25 % voor de inkomensschijf van 0,01 EUR tot 5.705,00 EUR;
  • 30 % voor de inkomensschijf van 5.705,00 EUR tot 8.120,00 EUR;
  • 40 % voor de inkomensschijf van 8.120 EUR tot 12.120,00 EUR;
  • 45 % voor de inkomensschijf van 12.120,00 EUR tot 24.800,00 EUR;
  • 50 % voor de inkomensschijf boven 24.800,00 EUR.

Het tarief van 52 %, dat nog werd toegepast op het aanslagjaar 2003, wordt dus afgeschaft.

3. Gelijkschakeling van de belastingvrije som - eerste fase

Momenteel wordt voor de berekening van de belasting een belastingvrije som verleend die als volgt wordt bepaald : voor een alleenstaande belastingplichtige een basisbedrag van 4.095 euro en voor elke echtgenoot een basisbedrag van 3.250 euro.

Door de fiscale hervorming wordt deze voor gehuwde koppels bijzonder nadelige maatregel opgeheven (en tegelijkertijd stelt zij samenwonenden die een officile verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd (in de zin van artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek) in de mogelijkheid te genieten van de voordelen die aan het huwelijk gekoppeld zijn).

Concreet wordt door de hervormingswet artikel 131, 2 W.I.B. 1992 gewijzigd door het hierboven genoemde bedrag van 3.250 euro te verhogen tot 3.390 euro. De lang verwachte gelijkschakeling van de belastingvrije som gebeurt dus in twee fases zodat de volledige gelijkschakeling pas vanaf het aanslagjaar 2005 volledig doorgevoerd zal zijn (zie in een volgende Pacioli).

4. Belastingvermindering voor energiebesparende uitgaven

De hervormingswet voegt in het W.I.B. 1992 een nieuw artikel 145/24 in waarbij een nieuwe belastingvermindering wordt toegekend voor bepaalde energiebesparende uitgaven.

In die zin zal een belastingplichtige die in zijn woning n of meer nauwkeurig omschreven werkzaamheden heeft laten uitvoeren met het oog op een rationeler energiegebruik een belastingvermindering kunnen genieten. Dit recht wordt slechts nmaal per aanslagjaar toegekend voor de woning waarvan de belastingplichtige eigenaar, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is.

Er wordt een belastingvermindering verleend voor de volgende uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald:
1) uitgaven voor de vervanging van oude stookketels;
2) uitgaven voor de installatie van een systeem van waterverwarming door middel van zonne-energie;
3) uitgaven voor de plaatsing van zonnecelpanelen voor het omzetten van zonne-energie in elektrische energie;
4) uitgaven voor de plaatsing van dubbele beglazing;
5) uitgaven voor de isolatie van daken;
6) uitgaven voor de plaatsing van een warmteregeling van een installatie van centrale verwarming door middel van thermostatische kranen of door een kamerthermostaat met tijdsinschakeling;
7) uitgaven voor een energie-audit van de woning.

Om te vermijden dat bepaalde belastingplichtigen dezelfde uitgaven tweemaal zouden gebruiken om een belastingvoordeel te verkrijgen wordt uitdrukkelijk gesteld dat geen belastingvermindering wordt verleend voor de uitgaven die in aanmerking zijn genomen als werkelijke beroepskosten of die recht geven op de in artikel 69 W.I.B. 1992 bedoelde investeringsaftrek. Er zal dus een keuze gemaakt moeten worden aangezien noch de aftrek van de werkelijke kosten, noch de opeising van de toekenning van de vermindering voor investeringen verplichte fiscale formaliteiten vormen.

Wanneer bepaalde uitgaven een gemengd karakter hebben, kan het niet beroepsmatige deel van de uitgaven (te definiren als geen beroepskosten vormend, noch als recht gevend op de investeringsaftrek) in aanmerking komen voor de belastingvermindering. In de memorie van toelichting wordt daarbij het voorbeeld gegeven van een advocaat die 4/7 van zijn woning als kantoor gebruikt en die het dak van zijn woning laat isoleren. In dat geval kan de isolatie van het dak voor 4/7 in de beroepskosten komen, terwijl de andere 3/7 in aanmerking komen voor de belastingvermindering.

De belastingvermindering wordt als volgt berekend:

  • 15 % van de in 1) tot 3) bedoelde energiebesparende uitgaven;
  • 40 % van de in 4) tot 7) bedoelde uitgaven.

Bovendien mag het totale bedrag van de verschillende belastingverminderingen per belastbaar tijdperk niet hoger liggen dan 500 EUR per woning (dit bedrag zal evenwel door de Koning kunnen worden verhoogd tot 1 000 EUR indien na een jaar van toepassing van de maatregel blijkt dat de daartoe voorziene budgettaire marge niet is. opgebruikt)

Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd overeenkomstig artikel 126, 1 en 2, wordt de belastingvermindering evenredig omgedeeld in functie van het deel van elke echtgenoot in het kadastraal inkomen van de woning waarin de werken worden uitgevoerd (de hervormingswet voert eveneens een aanpassing in van de artikelen die noodzakelijk zijn om te refereren aan de gemeenschappelijke aanslag vanaf het aanslagjaar 2005).

De voorwaarden waaraan de werken met betrekking tot de hierboven bedoelde uitgaven moeten voldoen, zullen door de Koning worden vastgelegd. Zo zal de Koning bepalen dat de werken moeten worden uitgevoerd door een geregistreerde aannemer.

5. Belastingkrediet voor lage activiteitsinkomsten

Deze maatregel, waarbij een budgettair schema wordt gevolgd dat trapsgewijs in werking treedt, werd reeds eerder in dit artikel toegelicht. De regels voor de berekening van het belastingkrediet voor lage activiteitsinkomsten blijven voor het aanslagjaar 2004 ongewijzigd, behalve dan dat het in artikel 289ter W.I.B. 1992 genoemde bedrag van 78 euro telkens vervangen wordt door een bedrag van 220 euro. Dit betekent dus dat vanaf het aanslagjaar 2004 in de eerder vermelde berekening 78 euro telkens vervangen moet worden door 220 euro.

****

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00