Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 109 - 30.11.01 - Wet houdende hervorming van de personenbelasting (1)
109 gefaseerde

Editie nr 109 van 30 november 2001

De gefaseerde uitvoering van de wet houdende hervorming van de personenbelasting

    Roland ROSOUX
    Expert bij het kabinet van de Regeringscommissaris, toegevoegd aan de Minister van Financiën
    Directeur bij de centrale diensten van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit

A. Een korte algemene voorstelling

De Wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting (B.S., 20 september 2001), hierna de hervormingswet genoemd, dient gesitueerd te worden in het algemene kader ter vermindering van de fiscale en parafiscale druk op arbeid door met name enerzijds de sociale lasten voor de ondernemingen en anderzijds de personenbelasting voor de particulieren te verminderen. Het is dus de duidelijke wil en bedoeling van de regering om in ons land te komen tot een geleidelijke, maar duurzame vermindering van de fiscale en parafiscale druk.

De fiscale hervorming die hierna in het kort toegelicht en besproken wordt, is slechts één etappe in de strategie, die met die doelstelling voor ogen, geïmplementeerd wordt. Ook in onze buurlanden werden reeds stappen ondernomen en inspanningen geleverd om die (para)fiscale druk te verminderen. De uiteindelijke doelstelling van onze regering, namelijk het bereiken van het Europese gemiddelde, zal daarom nog enige tijd de politieke agenda blijven beheersen en de voortzetting vereisen van de reeds geleverde inspanningen.

De eigenlijke fiscale hervorming, waarmee een bedrag gemoeid is van maar liefst 134,5 miljard BEF (of 3,33 miljard EUR), steunt op vier hoofdassen :
1. de vermindering van de fiscale druk op de inkomsten uit arbeid;
2. de neutraliteit ten opzichte van de samenlevingsvorm;
3. een gunstiger stelsel voor kinderen ten laste;
4. een meer ecologische of "groenere" fiscaliteit.

De eerste hervormingsas voorziet in een aantal maatregelen, waaronder de invoering van een belastingkrediet, de verbetering van het forfaitair stelsel voor de beroepskosten, de vermindering van de fiscale druk op de middeninkomens door een wijziging van de belastingschaal, de opheffing van de hoogste belastingtarieven, een wijziging van het stelsel betreffende de aanmerking van de verplaatsingskosten in het kader van het woon-werkverkeer en de terugbetaling van de kosten voor openbaar vervoer.

De tweede hervormingsas is vooral geschraagd op de vier volgende maatregelen : de gelijkstelling van het fiscaal vrijgestelde deel voor gehuwden en alleenstaanden, de toekenning van een dubbele belastingvermindering voor de pensioenen, brugpensioenen en wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen waardoor een einde wordt gemaakt aan een sterke discriminatie, de decumul van de niet-beroepsinkomsten en de toekenning van het huwelijksquotiënt aan de personen die een officiële verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand.

De derde hervormingsas beoogt het sterker rekening houden met het aantal kinderen ten laste. De maatregelen die in het kader van deze as worden genomen, zijn de terugbetaalbare vermindering voor kinderen ten laste, de toekenning van een bijkomende mindering voor alle een-oudergezinnen en de verhoging van de middelen voor de kinderen ten laste van alleenstaanden.

De vierde hervormingsas ten slotte beoogt een meer ecologische fiscaliteit, met als blikvanger een belastingvermindering voor de belastingplichtige die in zijn woning energiebesparende investeringen verricht.

De aldus op basis van deze vier hoofdassen gestructureerde hervormingswet laat duidelijk zien wat de inzet is en draagt in aanzienlijke mate bij tot de leesbaarheid ervan. Door de verplichting rekening te moeten houden met de beschikbare budgettaire marges waardoor de inwerkingtreding van bepaalde maatregelen verschoven of uitgesteld diende te worden, werd de concrete aanpak van deze hervorming enigszins bemoeilijkt. Zoals iedereen waarschijnlijk reeds weet, zullen al deze maatregelen geleidelijk in werking treden. De eerste maatregelen zullen reeds hun uitwerking hebben op de inkomsten van het jaar 2001, terwijl de hervorming in haar geheel van toepassing zal zijn op de inkomsten van het jaar 2004. De geleidelijke inwerkingtreding van de Wet houdende hervorming van de personenbelasting betekent dan ook een bijzonder belangrijk gegeven dat een permanente aandacht vereist.

B. Op het aanslagjaar 2002 toepasselijke maatregel

Wanneer een werkgever of een groep van werkgevers het gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling heeft ingericht, zijn de desbetreffende kosten ten belope van 100 % aftrekbaar.

Deze aftrek is enkel van toepassing indien de echtheid en het bedrag van de kosten overeenkomstig artikel 49 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (W.I.B.) 1992 worden verantwoord en dit in de mate dat de kosten rechtstreeks betrekking hebben op minibussen, autobussen en autocars, zoals deze voertuigen zijn omschreven in de reglementering van de inschrijving van motorvoertuigen, of dat ze betrekking hebben op het bezoldigde vervoer van personen met dergelijke voertuigen.

C. Vanaf het aanslagjaar 2002 toepasselijke maatregelen

1. Terugbetaling van de kosten voor gemeenschappelijk vervoer

De hervormingswet bekrachtigt de in artikel 38, eerste lid, 9°, bedoelde vrijstelling met betrekking tot de voordelen van alle aard op grond van de terugbetaling aan de werknemers, door de werkgever, van de reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling. In de nieuwe reglementering wordt de vrijstelling enkel nog toegekend aan de werknemers waarvan de beroepskosten overeenkomstig artikel 51 forfaitair worden bepaald.

Bovendien wordt een onderscheid gemaakt naargelang de werknemer voor zijn woon-werkverplaatsing gebruik maakt van :

- openbaar gemeenschappelijk vervoer : in dit geval is de betaling of de volledige terugbetaling door de werkgever van de kosten van het openbaar vervoer van de werknemer volledig vrijgesteld;

- gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden dat door de werkgever of door een groep van werkgevers wordt georganiseerd : in dit geval wordt de vergoeding vrijgesteld ten belope van een bedrag dat maximaal gelijk is aan de prijs van een treinabonnement eerste klasse voor die afstand;

- een ander vervoermiddel: in dit geval geldt een vrijstelling van maximum 125 EUR per jaar.

Uit de memorie van toelichting blijkt dat een aanzienlijke wijziging werd aangebracht met betrekking tot het thans nog geldende verbod om de vrijstellingen te cumuleren (onder voorbehoud van het stelsel dat van toepassing is op de fietsvergoedingen). Op dit ogenblik heeft de belastingplichtige slechts recht op één vrijstelling, namelijk een vrijstelling van 6 000 BEF. Die vrijstelling kan echter onder bepaalde voorwaarden gebracht worden op het totale bedrag van de bijdrage van de werkgever in een regelmatig abonnement op het openbaar vervoer. Vanaf het aanslagjaar 2002 wordt deze vrijstelling bepaald "in functie van het vervoermiddel" en kunnen de diverse vrijstellingen gecumuleerd worden.

In de memorie van toelichting wordt het voorbeeld gegeven van een werknemer die voor zijn woon-werkverkeer drie vervoermiddelen combineert. Hij vertrekt thuis met de eigen wagen naar het station, daar neemt hij de trein naar een ander station en vanaf dat tweede station maakt hij gebruik van het door zijn werkgever georganiseerd gemeenschappelijk vervoer voor het traject tot het bedrijf waar hij werkt. De vergoeding van het eerste stuk is dus tot maximum 125 EUR vrijgesteld, de terugbetaling van het treinabonnement is volledig vrijgesteld en de eventuele vergoeding voor het gemeenschappelijk vervoer is vrijgesteld tot maximum de kostprijs van een treinabonnement eerste klasse voor die afgelegde afstand.

2. Verplaatsingen woonplaats - plaats van tewerkstelling

Overeenkomstig artikel 66 W.I.B. 1992 mag de belastingplichtige voor zijn verplaatsingen tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling die hij met zijn eigen auto aflegt, een forfaitair bedrag aftrekken van 6 BEF/km als werkelijke beroepskosten. Dit stelsel wordt behouden, ook wat betreft de afwezigheid van een kilometerbeperking voor elke verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling. Ook het fiscale stelsel met betrekking tot de bedrijfswagens blijft ongewijzigd. In dezelfde zin blijven de verplaatsingen met een motorfiets genieten van een volledige aftrekbaarheid, zonder kilometerbeperking. Wel wordt deze materie aangevuld met een nieuw stelsel voor de "andere" verplaatsingen dan die met een voertuig die in aanmerking worden genomen voor de forfaitaire aftrek.

In die zin wordt in het W.I.B. een nieuw artikel 66bis ingevoerd dat het gebruik van de milieuvriendelijkere gemeenschappelijke en individuele vervoerwijzen wil stimuleren door de belastingplichtige ertoe aan te moedigen de verplaatsingen tussen zijn woonplaats en plaats vantewerkstelling anders te doen dan met behulp van een eigen auto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus.

Concreet luidt het eerste lid van het nieuwe artikel 66bis W.I.B. 1992 als volgt : ’De beroepskosten met betrekking tot de verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling die anders dan met een in artikel 66, § 5, vermeld voertuig wordt gedaan, worden, bij gebrek aan bewijzen, forfaitair bepaald op € 0,15 EUR per afgelegde kilometer zonder dat de in aanmerking genomen afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling hoger dan 25 kilometer mag zijn’.

Volgens de memorie van toelichting maakt wat met die "andere" wijze om de woon-werkverplaatsingen te doen bedoeld wordt, daarbij niet uit. Die verplaatsingen kunnen dus worden gedaan met het openbaar vervoer, met de fiets, te voet, enz. Ook carpoolers kunnen gebruik maken van die nieuwe maatregel. "Carpoolen" (samen rijden) betekent dat in één en dezelfde auto een aantal personen worden ’verzameld’ die gezamenlijk het traject naar en van de plaats van het werk afleggen en de kosten voor deelname aan dit vervoersysteem onderling delen. Elke carpooler kan dus gebruik maken van deze nieuwe reglementering.

Ter illustratie geven we het voorbeeld van werknemer A die met zijn eigen auto naar het werk rijdt (45 kilometer enkele reis) en die drie collega’s (B, C en D) als carpoolers meeneemt. Werknemer A kan dan 6 BEF per kilometer (zonder kilometerbeperking) aftrekken als werkelijke beroepskosten (vermits hij die verplaatsing met zijn eigen auto doet en hij dus onder het huidige stelsel valt waarin wordt voorzien voor het gebruik van een auto), terwijl zijn collega’s (werknemers B, C en D) in toepassing van het nieuwe stelsel per traject maximaal 6 BEF x 25 kilometer als werkelijke beroepskosten kunnen aftrekken.

Legt werknemer A dit traject af met een auto die niet kan genieten van het stelsel van 6 BEF per kilometer omdat die auto bijvoorbeeld toebehoort aan iemand waarmee hij samenwoont zonder ermee getrouwd te zijn (artikel 66, § 5 W.I.B. 1992), dan zal hij ook 6 BEF per kilometer kunnen aftrekken, maar dan enkel ten belope van 25 kilometer per enkel traject, tenzij hij kan aantonen dat de werkelijke kosten hoger liggen dan het forfait.

3. Toekenning van het huwelijksquotiënt

In artikel 87 W.I.B. 1992 wordt gestipuleerd dat, wanneer de aanslag op naam van beide echtgenoten wordt gevestigd en slechts één van de echtgenoten beroepsinkomsten heeft verkregen, een deel daarvan wordt toegerekend aan de andere echtgenoot. Dit deel is gelijk aan 30 % van die inkomsten, maar mag niet hoger liggen dan 6.700 EUR. In artikel 88 W.I.B. 1992 wordt dan weer gestipuleerd dat, wanneer de aanslag op naam van de beide echtgenoten wordt gevestigd en de beroepsinkomsten van één echtgenoot minder bedragen dan 30 % van het totale bedrag van de beroepsinkomsten van beide echtgenoten, hem van de beroepsinkomsten van de andere echtgenoot een zodanig deel toegerekend wordt dat de som van zijn eigen beroepsinkomsten en het toegerekende deel 30 % van dat totale bedrag bereikt, doch niet hoger is dan 6.700 EUR.

Indien het huwelijksquotiënt opgevat wordt als een fiscaal voordeel voor de gezinnen met slechts één beroepsinkomen of waarin één van de echtgenoten slechts bescheiden inkomsten heeft, dan mag dit fiscale voordeel niet leiden tot een zwaardere belasting dan de belasting die door het gezin verschuldigd zou zijn indien er geen huwelijksquotiënt was. Welnu, zelfs in geval van individualisering van de inkomsten van de andere echtgenoot kan dit het geval blijken te zijn. Vanaf het aanslagjaar 2002 wordt het huwelijksquotiënt niet meer toegepast indien de toekenning ervan nadelig is voor de belastingplichtige, d.w.z. indien de gevestigde aanslag erdoor verhoogd wordt.

4. Belasting van de echtgenoten

Het thans van kracht zijnde artikel 126 W.I.B. 1992 luidt als volgt: "Ongeacht het huwelijksvermogensstelsel, worden de andere inkomsten dan beroepsinkomsten van echtgenoten samengevoegd met de beroepsinkomsten van de echtgenoot die het meest zulke inkomsten heeft. … De aanslag wordt op naam van beide echtgenoten gevestigd."

Met ingang van het aanslagjaar 2002 wordt dit artikel gewijzigd om een onbillijkheid uit de weg te ruimen. Voor het jaar van de ontbinding van het huwelijk door overlijden konden in principe steeds twee individuele aanslagen worden gevestigd : de ene uit hoofde van de overlevende echtgenoot en de andere uit hoofde van de overleden echtgenoot, vertegenwoordigd door de nalatenschap. Deze regel m.b.t. de afzonderlijke aanslag leidde tot het verlies van het aan het huwelijksquotiënt gekoppelde voordeel en in heel wat gevallen resulteerde dit in een zwaardere aanslag.

De wetgever heeft reeds heel wat pogingen ondernomen om deze onrechtvaardigheid weg te werken. De laatste wijziging (Wet van 4 mei 1999) leidde tot de invoering van een specifieke verhoging van de belastingvrije som, gelijk aan het verschil tussen enerzijds 235.000 BEF (5.830 EUR) en anderzijds het belastbare nettoberoepsinkomen van de andere echtgenoot. Tal van specialisten hebben de toenmalige minister er tevergeefs op gewezen dat die regel bijzonder ingewikkeld bleek te zijn en onmogelijk in de computerprogramma’s van de belastingadministratie kon worden verwerkt. Bovendien kan deze regel nadelig zijn voor bepaalde belastingplichtigen.

Daarom voert de wet nu een keuzemogelijkheid in voor het jaar van het overlijden. De basisregel is de individuele aanslag, maar er kan ook worden geopteerd voor de gemeenschappelijke aanslag (zie verder). Deze keuze ligt (verplicht) bij de langstlevende echtgenoot. Indien beide echtgenoten of wettelijk samenwonenden tijdens hetzelfde jaar overlijden, berust de keuze bij de erfgenamen, de algemene legatarissen of de begiftigden van de laatst overledene (d.w.z. bij de personen die wettelijk verplicht zijn om de aangifte van de overledene in te dienen).

5. Middelen van de kinderen ten laste

Om als een persoon ten laste beschouwd te worden, mag het eigen netto-inkomen van deze persoon niet meer bedragen dan 60.000 BEF of 1.500 EUR (bedrag vóór indexering). Dit bedrag wordt nu gebracht op 90.000 BEF of 2.250 EUR (bedrag vóór indexering) voor de kinderen ten laste van een persoon die fiscaal als een alleenstaande wordt beschouwd, en op 120.000 BEF of 3.000 EUR (bedrag vóór indexering) voor een gehandicapt kind van een persoon die fiscaal als een alleenstaande wordt beschouwd.

Door die grenzen zijn steeds meer kinderen niet fiscaal ten laste wanneer zij een onderhoudsuitkering krijgen. Om daaraan te verhelpen voorziet de hervormingswet in twee zaken.

Enerzijds wordt het tussenplafond (voor de niet-gehandicapte kinderen van een alleenstaande) vanaf het aanslagjaar 2002 verhoogd van 2.250 EUR tot 2.600 EUR (circa 104.800 BEF). Die bedragen dienen geïndexeerd te worden.

Anderzijds beoogt de wet het probleem op te lossen van de fiscale discriminatie ten aanzien van studenten die werken (b.v. om hun studies te betalen) en waarvan de ouders gescheiden zijn. Die jongeren worden geconfronteerd met het probleem dat zij vanaf 2.250 EUR (niet geïndexeerd) niet langer ten laste zijn van die gescheiden ouder vermits de onderhoudsuitkering meegeteld wordt voor de berekening van het nettobedrag van de middelen. Deze situatie kan hen trouwens ook verleiden tot fiscale fraude.

De wet bepaalt voortaan dat de regelmatig aan de kinderen van gescheiden ouders toegekende onderhoudsuitkeringen ten belope van 1.800 EUR per jaar (circa 72.600 BEF) niet meegerekend zal worden voor de bepaling van de middelen die het mogelijk moeten maken te weten te komen of het betreffende kind al dan niet ten laste is van de ouder bij wie het ingeschreven is.

6. Leeftijdsvoorwaarden voor de levensverzekeringscontracten

De hervormingswet wil nog een andere discriminatie tussen mannen en vrouwen wegwerken. Het is namelijk zo dat artikel 145/4 inzake de leeftijdsvoorwaarden voor levensverzekeringscontracten een onderscheid maakt tussen de leeftijd tot dewelke zij een contract kunnen afsluiten en tussen de leeftijd vanaf dewelke ze voordelen kunnen bedingen. Die leeftijd ligt bij mannen op 65 jaar en bij vrouwen op 60 jaar.

Dit onderscheid is enerzijds nadeliger voor de vrouw (eenmaal de leeftijd van 60 jaar bereikt, kunnen vrouwen dergelijke contracten niet langer afsluiten), maar anderzijds ook voordeliger (zij kunnen de voordelen bedingen vanaf 60 jaar. Dit houdt in dat bij vrouwen de uitgekeerde kapitalen vanaf de leeftijd van 60 jaar of tijdens de 5 daaraan voorafgaande jaren afzonderlijk aan 16,5 % en/of 10 % worden belast. Voor mannen is dit maar mogelijk voor de kapitalen die vanaf 65 jaar of tijdens de 5 daaraan voorafgaande jaren worden uitgekeerd).

Bovendien is op sociaal vlak inmiddels een wettelijke regeling getroffen die er voor moet zorgen dat de pensioenleeftijd van vrouwen stelselmatig wordt opgetrokken tot 65 jaar. Het is om die reden dat de wetgever ervoor geopteerd heeft in het W.I.B. 1992 de leeftijd voor mannen en vrouwen gelijk te stellen.

7. Inkohiering van de onroerende voorheffing

De hervormingswet maakt een einde aan het anachronisme van artikel 252 W.I.B. 1992 dat stipuleerde dat, in afwijking van artikel 251, de onroerende voorheffing op de inkomsten van de vrouw ten name van de man mag worden gevestigd.

8. Invordering van de fiscale schulden ten laste van de feitelijk gescheidenen

In geval van feitelijke scheiding mag de belasting of het gedeelte van de belasting in verband met de inkomsten van één van de echtgenoten verhaald worden (i) op zijn eigen goederen, (ii) op de gemeenschappelijke goederen van de beide echtgenoten en (iii) op de eigen goederen van de andere echtgenoot. Deze derde mogelijkheid is evenwel niet van toepassing wanneer de andere echtgenoot aantoont dat hij de goederen bezat vóór het huwelijk, dat hij ze heeft verkregen uit een erfenis of door middel van fondsen die voortkomen van de realisatie van dergelijke goederen of dat hij ze heeft verkregen met inkomsten die hem eigen zijn op grond van zijn huwelijksvermogensstelsel.

Er gaan reeds vele jaren stemmen op om vooral de juridische situatie te verbeteren van de echtgenoot die wordt aangesproken om de belastingschulden van de andere echtgenoot te voldoen. Het is in die optiek (i) dat het bezwaarrecht is ingevoerd, (ii) dat er een voorafgaande ingebrekestelling van de belastingschuldige echtgenoot noodzakelijk is en (iii) dat er een procedure is ontworpen waarbij de echtgenoot eveneens kennis krijgt van de aanslag die ten laste van de eerste is gevestigd.

Deze maatregelen blijken echter nog onvoldoende te zijn omdat ze niet verhinderen dat de ene echtgenoot soms jaren na de feitelijke scheiding wordt geconfronteerd met een loonbeslag om de belastingschulden te voldoen van de echtgenoot waarvan hij/zij feitelijk gescheiden leeft. Deze toestand wordt zonder meer als onrechtvaardig beschouwd en vormt een belangrijke discriminatie ten nadele van gehuwden die feitelijk gescheiden leven.

Om die situatie enigszins recht te trekken voorziet de wet voortaan in een bescherming van de feitelijk gescheiden echtgenoot door in artikel 394 W.I.B. 1992 een nieuwe § 2 in te voeren die een uitzondering vormt op het gemeen recht inzake invorderingen bij feitelijk gescheidenen. Concreet en samengevat houdt deze bescherming in dat, indien een feitelijke scheiding plaatsvindt in de loop van het jaar "n", de fiscus vanaf het aanslagjaar "n+3" geen recht van verhaal meer heeft op de inkomsten van de andere echtgenoot, noch op de door middel van die inkomsten verworven goederen. De invordering blijft echter wel mogelijk op de andere vermogens, onder voorbehoud van de reeds bestaande maatregelen.

Om een en ander te verduidelijken, vetrekken we van het voorbeeld dat gebruikt werd in de memorie van toelichting. Uitgaande van de veronderstelling dat A en B in 2001 "feitelijk" gescheiden zijn, zal de situatie van een gescheiden echtgenoot er als volgt uitzien:

- voor het belastbare tijdperk 2001, dus het jaar waarin ze feitelijk gescheiden zijn, worden de gescheiden echtgenoten nog steeds beschouwd als gehuwde samenwonenden. Dit betekent dat de normale invorderingsregels, zoals toegepast ten aanzien van gehuwden, ook op hen volledig van toepassing blijven. De fiscale schulden van de beide echtgenoten kunnen dus in principe worden verhaald op alle eigen goederen van A en B en op al hun gemeenschappelijke goederen (behoudens de uitzonderingen waarin artikel 394 W.I.B. 1992 voorziet);

- voor het belastbare tijdperk 2002, dus het jaar volgend op de feitelijke scheiding, worden de feitelijk gescheidenen voor de berekening van de inkomstenbelasting als "alleenstaanden" beschouwd. Maar wat de invordering van de fiscale schulden betreft, zullen ze nog steeds als gehuwde samenwonenden worden beschouwd. Daartegenover staat dat de invordering van de belasting, gevestigd op de inkomsten van één van de feitelijke gescheiden echtgenoten, slechts ten laste van de andere echtgenoot vervolgd mag worden indien voldaan wordt aan de voorwaarden waarin artikel 393bis voorziet (namelijk de toezending aan de echtgenoot op wiens inkomen de belasting is gevestigd van een ingebrekestelling tot betaling, alsook de toezending, binnen de daartoe gestelde termijn, van het aanslagbiljet aan de andere echtgenoot die een verhaalrecht zal kunnen uitoefenen);

- voor het belastbare tijdperk 2003, dus het tweede jaar na het jaar van de feitelijke scheiding, en voor de volgende jaren, mag de belasting op het inkomen dat één van de echtgenoten vanaf dat ogenblik verwerft, niet langer worden verhaald op het "inkomen" van de andere echtgenoot, noch op de "goederen die met die inkomsten verworven zijn". De belasting kan echter nog wel verhaald blijven worden op de andere goederen van die andere echtgenoot (onder voorbehoud van de uitzonderingen en van de voorwaarden die ook reeds van toepassing waren op de belastbare tijdperken 2002 en 2003).


De maatregelen die van toepassing zijn vanaf de aanslagjaren 2003, 2004 en 2005 worden in een volgend nummer van Pacioli besproken.
 

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
Navigatie
  • TERUG