Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 107 - 31.10.01 - Roerende voorheffing van 15 % voor KMO ...
roerende voorheffing

Editie nr 107 van 31 oktober 2001

15 % i.p.v. 25 % roerende voorheffing voor K.M.O.’s alsmede bij fusie, splitsing en omzetting!

    Auteur:
    José Haustraete
    Lid van de Nationale Raad

Sinds de programmawet van 24 december 1993 is de Belgische fiscaliteit een nieuwe afkorting rijker nl. V.V.P.R.-aandelen: "verlaagde voorheffing - précompte réduit" … De AFV-afkorting - avantages fiscaux, fiscale voordelen - kaderde reeds eerder in de sfeer van de verlaagde roerende voorheffing van 20 % i.p.v. 25 % via de zogenaamde Cooreman-De Clercq wet of het K.B. 15-150.

Opeenvolgende wetswijzigingen verhoogden het sinds 1 oktober 1990 geldende tarief van 10 % naar 13,39 % en 15 % en wijzigden de voorwaarden, waarvan de inhoud verschilt naargelang het gaat om aandelen die uitgegeven zijn door het openbaar aantrekken van spaargelden dan wel in het kader van een besloten uitgifte.

Gezien binnen de K.M.O.-sfeer hoofdzakelijk de "besloten uitgiften van aandelen" bestaan, kunnen de dividenden van aandelen, die vanaf 1 januari 1994 zijn uitgegeven, zonder het voorwerp uit te maken van een openbaar aanbod, eveneens genieten van de verlaagde roerende voorheffing op voorwaarde dat ze worden toegekend:
- hetzij aan aandelen op naam;
- hetzij aan aandelen aan toonder die bij een financiële instelling in open bewaargeving werden gegeven.

Voor aandelen op naam worden de aandelen beoogd die sinds hun uitgifte het voorwerp hebben uitgemaakt van een inschrijving op naam. De eigendom van een aandeel op naam wordt bewezen door de inschrijving in het register van de aandelen op naam. Aan de voorwaarde van inschrijving moet voldaan zijn vanaf de uitgifte van de effecten d.w.z., in de praktijk, vanaf de oprichting van de vennootschap of vanaf de kapitaalverhoging. Zij moet bovendien een permanent karakter vertonen(1) . Daaruit volgt dat het recht op verlaagde roerende voorheffing definitief verloren gaat vanaf het ogenblik dat de aandelen op naam omgezet worden in aandelen aan toonder. Indien die aandelen aanvankelijk aan toonder waren en nadien worden omgezet in effecten op naam, kan op grond van die omzetting het recht op verlaagde roerende voorheffing niet worden ingeroepen(2) .

Enkel de dividenden toegekend aan aandelen die werden uitgegeven ter vertegenwoordiging van maatschappelijk kapitaal en die overeenstemmen met inbrengen in geld, komen in aanmerking om de verlaagde roerende voorheffing te genieten. Winstbewijzen, genotsaandelen, oprichtersbewijzen, enz. zijn bijgevolg uitgesloten(3) .

Ook de incorporatie in kapitaal van reserves, uitgiftepremies of voorheen bestaande meerwaarden kan niet worden aangemerkt als een inbreng in geld(4) .

Daarentegen kan wel worden aanvaard dat aandelen die voortkomen uit de omzetting van een schuldvordering (ongeacht de vorm ervan) worden aangemerkt als aandelen ter vertegenwoordiging van een inbreng in geld, behalve indien deze schuldvordering haar oorsprong vindt in een inbreng in natura.

Concreet betekent dit dat de NV en de Comm.VA de mogelijkheid hebben om aandelen uit te geven die op naam zijn terwijl de andere vennootschappen waarvan het kapitaal door aandelen op naam wordt vertegenwoordigd (nl. Comm. V, BVBA en CVBA/CVOA) steeds aan de voorwaarde "aandelen op naam" voldoen. Op te merken valt dat een V.O.F. in principe geen "kapitaal" heeft alhoewel het in de praktijk praktisch is toch een "kapitaal" uit te drukken! Een storting in speciën - desnoods gevolgd door een quasi-inbreng - is bij een oprichting van een vennootschap veelal te verkiezen boven een inbreng in natura sinds het realiteitsvreemde en niet-werkbare artikel 2 § 4 opgenomen werd in het Wetboek van Vennootschappen(5) . Gezien de vennootschap geacht wordt pas te bestaan vanaf de neerlegging van de oprichtingsakte, stellen er zich onoplosbare timing- en boekhoudproblemen bij een inbreng in natura, die steeds noodzakerlijkerwijze post factum moet gebeuren. De oprichtingsakte dateert m.a.w. dan ook steeds geruime tijd na de werkelijke start en de datum van neerlegging, (die het juridische begin van de vennootschap betekent sinds 1 juli 1996), volgt uiteraard als laatste in de rij.

In de praktijk zien wij te frequent dat nog 25 % roerende voorheffing wordt toegepast voor personenvennootschappen (Comm. V, BVBA en CVBA/CVOA) die na 1 januari 1994 in speciën werden opgericht.

Ook 15 % bij fusie, splitsing of omzetting voor dividenden vanaf 1 januari 2001

Voorheen gold er geen fiscale neutraliteit bij fusie of splitsing of het aannemen van een andere rechtsvorm, gezien de wet niet bepaalde dat het verlaagd tarief bleef wanneer nieuwe aandelen werden gecreëerd of de oude aandelen werden omgeruild bij een belastingneutrale fusie, splitsing of omzetting. De programmawet van 19 juli 2001 (art. 24 en 25 B.S., 28 juli 2001 p. 25679) breidt artikel 269 W.I.B. 1992 uit in deze zin zodat deze regeling nu ook geldt voor dividenden van aandelen die vanaf 1 januari 2001 zijn toegekend of betaalbaar gesteld wanneer aandelen worden omgeruild tegen aandelen uitgegeven vanaf 1 januari 1994 naar aanleiding van een fusie, een splitsing of het aannemen van een andere rechtsvorm. Dateert de fusie b.v. van 1996 en werd in mei 2001 een dividend betaalbaar gesteld, dat aan de voorwaarden voldoet, dan is slechts 15 % verschuldigd. Gezien de wet pas op 28 juli 2001 werd gepubliceerd, is het verschil van 10 % roerende voorheffing te recupereren via een bezwaarschrift aan de Gewestelijke Directie.

__________________

1. Amendementen, Kamer, 1993-1994, parl. St. 1290-3, blz. 9
2. Zie o.a. Bulletin der Belastingen nr. 736/3.94 p. 456-457 en 770/4.97 p. 735-754
3. zie Verslag Comm. Fin., Kamer, 1993-1994, parl. St. 1290-6, blz. 63
4. zie Verslag Comm. Fin., Kamer, 1993-1994, parl. St. 1290-6 blz. 38
5. Art. 2, §2 Venn. W., ingevoerd bij Wet van 13 april 1995, B.S., 17 juni 1995, inwerking getreden op 1 juli 1996

 


Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00