Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 106 - 15.10.01 - Werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen
Werknemersparticipatie

Editie n° 106 van 15 oktober 2001

Het nieuwe stelsel inzake werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen

    Auteur:
    Christophe LEMAIRE
    advocaat - BOURS & Vennoten

1. Inleiding

De wet van 22 mei 2001 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 juni 2001) voert in het Belgisch recht een bezoldigingssysteem van de werknemers in, in de vorm van rechtstreekse participaties in de winst of het kapitaal van de vennootschappen, bij welke zij hun beroepswerkzaamheid uitoefenen.

Deze nieuwe wetgeving geeft een concrete vorm aan de wil van de regering een wettelijk kader te creëren dat de Belgische werknemers, naar het voorbeeld van sommigen van hun Europese collega’s, de mogelijkheid biedt een stelsel te genieten krachtens hetwelk zij kunnen participeren in de winst van de ondernemingen.

Via dit stelsel wil de wetgever tegelijk de motivatie van de werknemers verhogen, ze rechtstreeks betrekken bij het beheer van de vennootschappen die hen tewerkstellen en de productiviteit en de concurrentiekracht van de nationale ondernemingen verhogen1 .

2. Participatieplan

De modaliteiten van deze nieuwe bezoldigingsvorm moeten worden opgenomen in een "participatieplan", dat wordt opgesteld door de werkgever die een dergelijk stelsel wil invoeren.

De invoering van een participatieplan is in principe het voorwerp van een specifieke collectieve arbeidsovereenkomst, of eventueel, met name wanneer er binnen de betrokken vennootschap geen vakbondsafvaardiging is, van een toetredingsakte die door het personeel is goedgekeurd volgens specifieke modaliteiten die door de wet zelf worden vastgelegd.

De modaliteiten van het plan, die niet bij wet zijn voorgeschreven, moeten worden overeengekomen volgens een specifieke procedure, waarbij de ondernemingsraad of het comité voor preventie en bescherming op het werk of de vakbondsafvaardiging van de onderneming worden betrokken.

Het plan kan worden ingevoerd binnen een vennootschap of binnen een groep van vennootschappen. In het tweede geval moet de naleving van de hierna beschreven voorwaarden worden beoordeeld op een geconsolideerde basis, die door de uitvoeringsbesluiten van de wet zullen bepaald worden..

3. Toepassingsgebied

Het genot van dit nieuwe participatiestelsel is uitsluitend voorbehouden aan de werknemers die zijn tewerkgesteld bij wat de wet van 22 mei 2001 verstaat onder het begrip "vennootschap", dat wil zeggen elke vennootschap, elke vereniging of elke instelling die onderworpen is aan de vennootschapsbelasting of die krachtens artikel 227, 2° van het W.I.B./92 onderworpen is aan de belasting van niet-inwoners, met uitzondering van de vennootschappen onderworpen aan het bijzondere stelsel van de coördinatiecentra (art. 2, 1° van de wet).

Men kan daaruit dadelijk concluderen dat de V.Z.W.’s en andere intercommunales, die zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting, hun personeel niet van dit nieuwe stelsel kunnen laten genieten, zelfs niet via een deelname in de winst. Het begrip "werknemer" in de zin van de wet van 22 mei 2001 van zijn kant veronderstelt het bestaan van een band van ondergeschiktheid tussen de begunstigde en de vennootschap bij welke hij is tewerkgesteld. Deze bepaling sluit dus de bestuurders of zelfstandige zaakvoerders uit (art. 2, 2° van de wet)2 .

4. Voorwaarden - verplichte vermeldingen

Alle werknemers die in de onderneming actief zijn, moeten de mogelijkheid hebben aan het participatieplan deel te nemen (art. 5 van de wet). Het is bijgevolg niet toegestaan bepaalde categorieën van werknemers van het plan te laten genieten en tegelijk andere categorieën daarvan uit te sluiten (plan dat bijvoorbeeld voorbehouden is aan het kaderpersoneel of aan de arbeiders).

De collectieve arbeidsovereenkomst die specifiek het participatieplan regelt of de toetredingsakte kunnen voorzien in een anciënniteit van maximaal één jaar. Als een werknemer in dienst genomen werd op basis van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten, wordt de vereiste anciënniteit berekend rekening houdend met de samenvoeging van de opeenvolgende arbeidsovereenkomsten.

Het participatieplan kan alleen worden ingevoerd indien de werkgever gebonden is door een collectieve arbeidsovereenkomst met betrekking tot het loon voor dezelfde referteperiode.

De werkgever is er trouwens toe gehouden de ondernemingsraad of het comité voor preventie en bescherming op het werk of de vakbondsafvaardiging in te lichten omtrent de relatie tussen het participatieplan, de tewerkstellingsevolutie en -politiek van de vennootschap ter zake. Deze mededeling hoeft echter niet noodzakelijk schriftelijk te gebeuren.

De specifieke collectieve arbeidsovereenkomst moet eveneens bevestigen dat de invoering van het participatieplan niet gepaard mag gaan met een vermindering van de tewerkstelling, berekend in voltijdse equivalenten.

Het participatieplan mag in geen geval worden ingevoerd ter vervanging of omzetting van loon, premies, voordelen in natura of om het even welk voordeel, of aanvulling van al wat voorafgaat, al dan niet onderworpen aan de sociale zekerheidsbijdragen, voorzien in individuele of collectieve overeenkomsten.

Krachtens artikel 9, § 1 van de wet moet het plan een bepaald aantal verplichte vermeldingen bevatten. Daartoe behoren onder andere, zonder dat deze opsomming beperkend is, de verplichting voor het plan om de keuze te vermelden van de toekenningswijze (hetzij in speciën of in aandelen of deelbewijzen), de blokkeringsperiode van de aandelen of deelbewijzen (zie hierna), de criteria ter bepaling van de individuele uitkering aan elke werknemer, de berekeningswijze en -drempels van de toegekende participaties, de beëindigingswijze van het participatieplan en de al dan niet verplichte toetreding van de werknemers.

5. Limieten

Het totale bedrag van de deelnames in het kapitaal of in de winst die aan de werknemers worden toegekend overeenkomstig de bepalingen van de wet en bij toepassing van het participatieplan mag bij de afsluiting van het desbetreffende boekjaar geen van de volgende limieten overschrijden :

  • 10 % van de totale bruto loonmassa (het betreft het bedrag dat bij de personeelskosten is vermeld onder de rubriek 102 "personeelkosten" van de handelsbalans);

  • 20 % van de winst van het boekjaar na belasting, zoals bedoeld in het uitvoeringsbesluit van het Wetboek van vennootschappen.

6. Onbeschikbaarheid

In geval van deelname in het kapitaal van de tewerkstellende vennootschap (en niet in geval van deelname in de winst), zijn de ontvangen aandelen of deelbewijzen niet beschikbaar gedurende een periode, vastgesteld door de specifieke collectieve arbeidsovereenkomst, zonder dat deze onbeschikbaarheidsperiode minder dan twee jaar en meer dan vijf jaar mag bedragen.

De aandelen aan toonder moeten het voorwerp zijn van een open bewaargeving, naar keuze van de werkgever, bij een kredietinstelling of bij een beursvennootschap. De aandelen of deelbewijzen op naam daarentegen zijn het voorwerp van een speciale vermelding in het aandeelhoudersregister van de uitgevende vennootschap en, in voorkomend geval, op het certificaat ter vertegenwoordiging van de effecten op naam.

De onbeschikbaarheidsperiode van de aandelen van een werknemer neemt een einde in geval van:

    1°. ontslag;
    2°. door de werknemer gegeven ontslag wegens gewichtige redenen;
    3°. pensionering;
    4°. zijn overlijden;
    5°. openbaar bod van aankoop van in het kader van kapitaalparticipaties aangeboden aandelen;
    6°. transacties die een verandering van de controle meebrengen van de vennootschap waarvan de aandelen worden aangeboden in het kader van een deelname in het kapitaal;
    7°. overplaatsing van de werknemers naar een niet verbonden onderneming in het kader van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis (behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever in geval van overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst);
    8°. verandering van bevoegd paritair comité, in hoofde van de werkgever.

De niet-naleving van de onbeschikbaarheidsvoorwaarde brengt een belastingverhoging mee ten laste van de begunstigde van het plan - zie hierna.

7. Belastingstelsel

7.1. Inkomstenbelasting

Het stelsel van werknemersparticipatie in de winst of in het kapitaal van een vennootschap genereert een fiscaal voordeel in hoofde van de werknemer, voor zover het voordeel dat gehaald wordt uit de toekenning van aandelen of deelbewijzen of van een gedeelte van de winst van de vennootschap die hem tewerkstelt, is vrijgesteld van de personenbelasting (nieuw art. 38, 15° van het W.I.B./92).

Voor de vennootschap die ze toekent, vormen deze participaties daarentegen een gedeelte van haar belastbare winst, zodat zij niet worden beschouwd als beroepskosten in hoofde van de vennootschap (nieuw art. 198, 12° van het W.I.B./92). Hetzelfde geldt voor de belasting en de eventuele aanvullende belasting op de participaties die moeten worden ingehouden op de bedragen die aan de begunstigden van het plan worden uitgekeerd - zie hierna (nieuw artikel 198, 2° van het W.I.B./92).

Tot slot dient opgemerkt te worden, dat niet één van de aftrekken, bedoeld in de artikelen 199 tot 206 van het W.I.B./92 (investeringsaftrek, D.B.I., vroegere verliezen, …) kan worden toegepast op het gedeelte van de winst van de vennootschap die bestemd is voor de uitgaven die bestaan in de toekenning van participaties in het kapitaal of in de winst (nieuw artikel 207, 2de lid in fine van het W.I.B./92).

7.2. Indirecte belastingen

De specificiteit van de wet van 22 mei 2001 bestaat erin dat een bronbelasting wordt ingevoerd op de bedragen of op de aandelen of deelbewijzen die aan de werknemers worden toegekend. Deze inhouding gebeurt via een met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belasting waarvan de kenmerken, in bepaalde opzichten, vergelijkbaar zijn met die van de roerende voorheffing.

Men zal vaststellen dat de parlementaire voorbereiding, voor zover als nodig, bevestigt dat de belastingheffing op het voordeel ten tijde van de toekenning ervan ook tot gevolg heeft dat zodra de speciën of de aandelen zijn toegekend, de inkomsten, meerwaarden enz., die zij achteraf ten bate van de werknemer zouden kunnen voortbrengen, voor hem geen als dusdanig belastbare voordelen meer zullen vormen, maar onder het belastingstelsel zullen vallen, dat hen eigen is3 .

Deze duidelijke verklaring van de wetgever zal de Administratie der Belastingen dus verbieden de aandelen of deelbewijzen die worden toegekend in het kader van een participatieplan te beschouwen als zijnde aangewend voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de begunstigde, ondanks de omstandigheden en de modaliteiten volgens welke deze aandelen of deelbewijzen aan de werknemers werden toegekend.

7.2.1. Gewone belasting op de werknemersparticipatie

Er wordt een belasting vastgesteld ten laste van de werknemers op de deelname in het kapitaal of in de winst, toegekend krachtens de wet van 22 mei 2001.

A. Belastbare grondslag

In geval van deelname in de winst wordt deze belasting berekend op de bedragen die in speciën worden uitgekeerd, echter onder aftrek van de sociale bijdrage, waarvan de wet van 22 mei 2001 de inhouding oplegt - zie hierna. Indien de winstparticipatie het voorwerp is van een investeringsspaarplan is de belastbare grondslag gelijk aan het bedrag in speciën dat wordt toegekend overeenkomstig het jaarlijks participatieplan van de vennootschap.

In geval van deelname in het kapitaal is de belastbare grondslag gelijk aan het bedrag dat toe te kennen is aan de deelname in het kapitaal, toegekend overeenkomstig het jaarlijks participatieplan van de vennootschap. Indien de schuldenaar van de deelname de belastinglast draagt, wordt het bedrag ervan voor de berekening van de belasting toegevoegd aan de belastbare grondslag.

Opgemerkt dient te worden, dat in het kader van een deelname in het kapitaal, het belastbare bedrag niet kleiner kan zijn dan :
- de gemiddelde koers van het aandeel, gedurende dertig dagen die aan de dag van de toekenning voorafgaat of de laatste slotkoers die voorafgaat aan de dag van de toekenning, wanneer de toegekende aandelen genoteerd of verhandeld worden op de beurs;
- de werkelijke waarde van het aandeel, op het moment van de toekenning ervan, vastgesteld door de vennootschap die het toekent overeenkomstig het gelijkluidend advies van een bedrijfsrevisor of externe accountant. Deze waarde mag echter niet lager zijn dan de boekwaarde van de aandelen zoals blijkt uit de laatste jaarrekening van de uitgevende vennootschap die afgesloten en goedgekeurd is door het bevoegde orgaan vóór de datum van de toekenning.

B. Opeisbaarheid van de belasting en belastingtarief

De belasting is verschuldigd vanaf de toekenning of de betaalbaarstelling van de deelnames. Als "toekenning" wordt inzonderheid beschouwd de inschrijving van het aandeel op een ten bate van de verkrijger geopende rekening, zelfs als die rekening onbeschikbaar is, op voorwaarde dat de onbeschikbaarheid het gevolg is van een uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst met de verkrijger.

Het belastingtarief is vastgesteld op :
- 15 % voor de deelnames in het kapitaal ;
- 25 % voor de deelnames in de winst, behalve wanneer die worden toegekend in het kader van een investeringsspaarplan en zij het voorwerp zijn van een niet achtergestelde lening, in welk geval zij een verlaagd tarief van 15% genieten - zie hierna.

C. Schuldenaar van de belasting

De belasting is verschuldigd door de werkgever. Hij moet ze inhouden op de bedragen die voor de betaling in speciën, voor de deelname in het kapitaal of voor het investeringsspaarplan worden bestemd.

De stortingswijze, de vestiging en de inning van de belasting worden bepaald overeenkomstig de regels die van toepassing zijn inzake de roerende voorheffing.

7.2.2. Aanvullende belasting op de werknemersparticipatie

Wanneer de onbeschikbaarheidsvoorwaarde waarin de wet voorziet niet wordt nageleefd, moet een aanvullende belasting worden ingehouden die berekend wordt tegen het tarief van 23,29% op dezelfde grondslag als die welke wordt gebruikt voor de berekening van de gewone belasting. De aanvullende belasting is verschuldigd op het moment dat de onbeschikbaarheid van de deelname wordt opgeheven.

De kredietinstelling of de beursvennootschap waarbij de aan de werknemers toegekende aandelen of deelbewijzen in bewaring zijn gegeven, is ertoe gehouden deze belasting in te houden ingeval de onbeschikbaarheidsvoorwaarde wordt geschonden. In dat geval wordt de aanvullende belasting ingehouden hetzij door verkoop, op naam en voor rekening van de werknemer, van het aantal aandelen of deelbewijzen dat nodig is om de belasting te betalen, hetzij door storting door de werknemer van het bedrag van de aanvullende belasting, voorafgaand aan elke vrijgave van de effecten.

In alle andere gevallen is de aanvullende belasting verschuldigd door de werkgever.

7.3. Registratierechten

De kapitaalverhogingen die voortvloeien uit de toekenning van aandelen of deelbewijzen overeenkomstig het participatieplan in het kapitaal van een vennootschap zijn vrijgesteld van het evenredige inbrengrecht (0,5 %). Hetzelfde geldt voor de inbrengen door de begunstigden van het plan in het kapitaal van coöperatieve participatievennootschappen die belast zijn met het beheer van de toegekende aandelen of deelbewijzen - zie hierna.

8. Investeringsspaarplan

Het participatieplan in de winst dat door een kleine vennootschap4 wordt ingevoerd kan de vorm van een investeringsspaarplan aannemen.

De sommen die aan het personeel worden toegekend, worden dan door de werknemers ter beschikking van de vennootschap gesteld in het kader van een niet achtergestelde lening, die onder een afzonderlijke rubriek van de schulden van de onderneming wordt geboekt.

De terugbetaling van de uitgeleende bedragen is onderworpen aan dezelfde onbeschikbaarheidsvoorwaarden als de toekenningen van aandelen of deelbewijzen in het kader van een gewoon participatieplan in het kapitaal.

De termijn voor de terugbetaling van de uitgeleende bedragen mag dus niet korter zijn dan twee jaar en niet langer dan vijf jaar. Hij eindigt automatisch indien één van de veronderstellingen van punt VI zich voordoet vóór de afloop van de termijn.

Op de derwijze uitgeleende bedragen is jaarlijks een interest verschuldigd. De berekeningswijze van de rentevoet wordt in het participatieplan bepaald. Hij mag niet kleiner zijn dan de rentevoet die wordt toegepast op een OLO van gelijkaardige duur als de lening. De interest is betaalbaar binnen 30 dagen na afloop van de jaarlijkse termijn van debitering van de interest.

Het bedrag van dergelijke deelnames moet door de vennootschap worden bestemd voor investeringen en vaste activa, zoals bedoeld in het uitvoeringsbesluit van het Wetboek van vennootschappen.

9. Coöperatieve participatievennootschap

De wet voorziet voor het participatieplan in de mogelijkheid te bepalen dat de aandelen die worden toegekend in het kader van een participatieplan in het kapitaal worden ingebracht in een coöperatieve participatievennootschap, die belast is met het beheer ervan.

De wet regelt de modaliteiten van deze inbreng en het beheer van dit soort van coöperatieve op een bijzonder gedetailleerde manier, waardoor de belangen van de werknemers-coöperatieleden worden beschermd. De wet organiseert eveneens een stelsel van fiscale neutraliteit met de bedoeling de oprichting van dergelijke vennootschappen niet te bestraffen.

10. Sociaalrechtelijke bepalingen

10.1. Bescherming van het loon

De wet van 22 mei 2001 wijzigt de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Voor de toepassing van laatstgenoemde wet moeten de betalingen in speciën of in aandelen of deelbewijzen aan de werknemers echter niet als een beschermd loon worden beschouwd indien zij gebeuren in het kader van een participatieplan.

10.2. Solidariteitsbijdrage

Een solidariteitsbijdrage wordt vastgesteld ten laste van de werknemers die tot het participatieplan zijn toegetreden. Zij is door de werkgever verschuldigd op het bedrag van de deelname in de winst die in speciën wordt uitgekeerd. De bijdragevoet is vastgesteld op 13,7%.

Geen enkele inhouding schijnt te zijn voorzien inzake de toekenning van aandelen of deelbewijzen in het kader van een deelname in het kapitaal van de tewerkstellende vennootschap.

De wetgever heeft overigens bepaald dat de toegekende sommen of aandelen niet als loon moeten worden beschouwd in het kader van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid van de werknemers.

11. Inwerkingtreding

De wet van 22 mei 2001 zal van kracht worden op de datum van het koninklijk uitvoeringsbesluit ervan, dat, voor zover ons bekend is, nog niet is goedgekeurd.

----------------------
1. Zie Parl. St., Kamer 1043/001, blz. 7 tot 9.
2. Parl. St., Kamer 1043/001, blz. 16.
3. Parl. St., Kamer 1043/001, blz. 14.
4. bedoeld in artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen, d.w.z. die niet meer dan één van de volgende limieten overschrijdt :
1° jaarlijks gemiddelde van 50 tewerkgestelde werknemers ;
2° jaarlijkse omzet, exclusief BTW = 6.250.000 euro;
3° balanstotaal = 3.125.000 euro, behalve indien het jaarlijkse gemiddelde van aantal tewerkgestelde werknemers groter is dan 100.

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00