Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 105 - 30.09.01 - Fiscaliteit van de collective gezondheidszorgverstrekking
PA 105 N

Editie nr 105 van 30 september 2001

Fiscaliteit van de collectieve gezondheidszorgverzekering

    Auteur:
    B. LONAY 12
    Licentiaat en geaggregeerde in de Economische Wetenschappen
    Erkend boekhouder-fiscalist BIBF

In zijn vonnis van 12 oktober 2000 heeft het Hof van Beroep te Brussel een standpunt ingenomen met betrekking tot de problematiek van de premies voor de collectieve gezondheidszorgverzekering. Daarin werden de door de belastingsadministratie ingevoerde principes opnieuw in vraag gesteld. Een alleenstaand vonnis ?

Voorwerp van het geschil

Het geschil heeft betrekking op de taxatie van de werkgeverspremies voor de collectieve gezondheidszorgverzekering die door de belastingsadministratie als voordelen van alle aard worden beschouwd.

De feiten 1

Ten gunste van haar leidinggevend personeel (3 personen en hun gezinnen) heeft de NV B bij een verzekeringsmaatschappij een collectieve gezondheidszorgverzekering onderschreven.

Deze verzekering dekt hoofdzakelijk de hospitalisatie- en chirurgiekosten bij ziekte of ongeval.

In 1995 werd de NV B aan een fiscale controle onderworpen. De wijzigingen hadden vooral betrekking op de kwalificatie als voordelen in natura voor drie kaderleden van de betaling, ten gunste van die drie werknemers, van verzekeringspremies gezondheidszorg. De belastingadministratie gaat over tot de inkohiering van die betwiste bedragen. Nadat de Gewestelijk Directeur der Belastingen de bezwaren had verworpen, werd de zaak door één van de drie betreffende werknemers voor de rechtbank aanhangig gemaakt.

Het vonnis

De belastingplichtige is van oordeel dat de premies die door zijn werkgever worden betaald voor de gezondheidszorgverzekering niet als een voordeel in natura mogen worden beschouwd.

Daarbij worden vooral de twee volgende argumenten naar voor geschoven :

  1. De belastingplichtige haalt geen enkel onmiddellijk en rechtstreeks voordeel uit de betaling, door zijn werkgever, van de premies aangezien het voordeel pas zal worden verkregen op het ogenblik waarop hij, na een door de verzekering gedekt schadegeval, de terugbetaling van de kosten voor gezondheidszorgen zal genieten.
  2. Anderzijds is het onderschrijven van een verzekering "gezondheidszorg" helemaal geen verplichting, wat dus betekent dat de uitgave van de NV B niet leidt tot het vermijden van een uitgave die hij normaliter zelf had moeten doen.

De rechter is van oordeel dat de betaling van de premies door de NV B haar bestaansreden en oorzaak vindt in de uitoefening van het beroep van de belastingplichtige ten gunste van zijn werkgever.

De belastingplichtige die, samen met zijn gezin, het rechtstreekse en onmiddellijke voordeel geniet gedekt te zijn voor alle kosten die een hospitalisatie met zich zou kunnen meebrengen, heeft dit voordeel aanvaard door het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst waarin deze verzekering opgenomen is. Hij toont niet aan dat hij zou hebben geweigerd dat de NV B een dergelijke verzekering te zijnen gunste zou onderschrijven.

Het Hof benadrukt dat de gunst van de dekking van een risico een actueel voordeel is met een eigen waarde, ook al is het risico op zich een toekomstige en onzekere gebeurtenis.

Het is de betaling van de premie door de NV B die de belasting genereert.

Het door de NV B toegekende voordeel is niet de terugbetaling van de hospitalisatie- en medische kosten wat een onzekere gebeurtenis is, maar wel de jaarlijkse premie die door de vennootschap wordt betaald met het stilzwijgend akkoord van de eiser omwille van zijn beroepsactiviteit in en ten bate van de onderneming.

De belastingplichtige verwees ook naar een arrest van het Hof van Cassatie van 9 december 1993 waarin dit hof, op grond van dezelfde argumenten als deze die in deze zaak werden aangevoerd, stelde dat de premies in het kader van een verzekering "gewaarborgd inkomen" niet belastbaar waren als voordeel van alle aard aangezien "zij geen rechtstreeks en onmiddellijk voordeel verschaffen".

De stelling volgens hetwelk het voordeel pas zou worden verkregen op het ogenblik waarop hij, na een door de verzekering gedekt schadegeval, de uitkering zou genieten - indien deze goedgekeurd werd door het Hof van Cassatie voor een verzekering "gewaarborgd inkomen" - kan te dezen niet in aanmerking worden genomen omdat dit ertoe geleid zou hebben dat de eiser, geconfronteerd met een ziekte, zich belast zou zien op de terugbetaalde hospitalisatie- en medische kosten die beschouwd zouden worden als beroepsinkomsten hoewel het geen belastbare inkomsten zijn.

Uit het voorafgaande volgt dat de door de vennootschap betaalde premie een voordeel van alle aard is, overeenkomstig artikel 31 WIB 1992 belastbaar in hoofde van de belastingplichtige.

Opmerkingen

1. Tot onze grote verbazing stellen we vast dat de administratie afgeweken is van haar eigen commentaar die, ter herinnering, voorziet in het volgende belastingsschema 2 :

- Collectieve hospitalisatieverzekering ter dekking van de "grote risico’s"

Onder grote risico’s dient begrepen te worden : chirurgische ingrepen, hospitalisaties, ernstige ziekten, bevallingen en röntgenfoto’s.

De premies voor dergelijke verzekeringen zijn sinds het aanslagjaar 1987 niet meer aftrekbaar omdat zij beschouwd worden als een sociaal voordeel. Daaruit volgt dat de uitkeringen niet belastbaar zijn.

- Collectieve verzekering ter dekking van de "kleine risico’s" of ter dekking van de "kleine" en van de "grote risico’s"

Deze premies mogen door de werkgever worden afgetrokken indien zij door hem worden betaald ten gunste van alle personeelsleden of van een categorie ervan. Zij vormen geen voordeel van alle aard, belastbaar in hoofde van de verzekerde personeelsleden.

De in het kader van dergelijke polissen uitgevoerde terugbetalingen vormen een belastbare bezoldiging voor het personeel waarvoor dan ook een fiscale fiche moet worden opgemaakt. De pre- en posthospitalisatiewaarborgen worden op dit niveau niet in aanmerking genomen, maar kunnen worden beschouwd als deel uitmakend van de "grote risico’s". 3

In deze zaak bevond men zich in de eerste hypothese. Er dient wel op gewezen te worden dat de belastingplichtige dit officiële standpunt van de fiscus niet aan het Hof van Beroep heeft gemeld.

2. Het Hof van beroep is afgeweken van een uitspraak die zij in 1992 had gedaan en die bevestigd werd door een arrest van het Hof van Cassatie uit 1993 4 .

Dat arrest werd uitgesproken in het kader van een collectieve verzekering gewaarborgd inkomen waarvan de premies geïndividualiseerd waren. De rechters waren van oordeel dat de afwezigheid van een rechtstreeks en onmiddellijk voordeel de vertaling van de premies als voordeel van alle aard in de weg stond. Het voordeel werd in voorkomend geval pas verkregen op het ogenblik van de inning van de uitkeringen.

Deze redenering werd toen door specialisten in hun commentaren als verbazingwekkend beschouwd (5) . In de meeste analyses werd gepleit voor het inroepen van het begrip "sociaal voordeel". Het arrest van het Hof van Beroep van 12 oktober 2000 preciseert dat het ongepast zou zijn de belastingplichtige te belasten op grond van de omvang van zijn hospitalisatiekosten. Dit zou immers neerkomen op het vestigen van een soort "belasting op het lijden". 6

In dit geval had het collectieve aspect van het verzekeringscontract duidelijk beklemtoond moeten worden om te vermijden dat de premies als voordeel van alle aard gekwalificeerd zouden worden. De werknemers genieten een verzekering omdat ze deel uitmaken van het personeel (of van een personeelscategorie) van de onderneming. Vanuit deze invalshoek gezien gaat het niet om de opbrengst van het werk dat ze uitvoeren. Maar dit argument werd evenmin door de verdediging van de belastingplichtige naar voor geschoven.

3. In artikel 38, 11° WIB 1992 lezen we dat sociale voordelen ’waarvoor het wegens de wijze van toekenning niet mogelijk is het door iedere verkrijger werkelijk verkregen bedrag vast te stellen’ vrijgesteld zijn.

Het spreekt haast voor zich dat men in het kader van een collectieve gezondheidszorgverzekering (of gewaarborgd inkomen), waarvan de premie in haar totaliteit door de werkgever wordt betaald, maar moeilijk kan vaststellen welk bedrag door een bepaalde persoon wordt verkregen. Het gaat om een voordeel in de vorm van een bijstand in uitzonderlijke omstandigheden. 7

Indien men de collectieve gezondheidszorgverzekering als een sociaal voordeel beschouwt, dan kunnen de betreffende premies niet door de werkgever worden afgetrokken als beroepskosten en zouden ze dus niet belast mogen worden als voordeel van alle aard in hoofde van de werknemers, terwijl de uitkeringen niet belastbaar zouden zijn. Het is waarschijnlijk die reden die deze formule onpopulair maakt in de ogen van de belastingplichtigen én ten aanzien van de fiscus.

In het geval dat hier besproken wordt, heeft de werkgever meer dan waarschijnlijk de premies voor de collectieve verzekering in zijn beroepskosten opgenomen. In het tegenovergestelde geval zouden zijn werknemers die tegenslag niet hebben meegemaakt.

De recente economische theorie stelt ons in de mogelijkheid bijkomende argumenten aan te voeren om zich te beroepen op het begrip sociale voordelen. Immers, het voordeel dat de individuen uit de verzekering halen, is afhankelijk van hun aversie ten aanzien van het risico. Dit gegeven is eigen aan elk individu afzonderlijk en kan dus onmogelijk worden bepaald. Zo zijn er mensen die, zelfverzekerder omdat ze verzekerd zijn, zich anders gaan gedragen, die zich met betrekking tot hun gezondheid wat nonchalanter gaan opstellen omdat ze weten dat ze toch door een verzekering gedekt zijn. Dit is een fenomeen dat door de verzekeraars gekend is onder de naam "moreel risico" of "moreel toeval". 8

4. M. Rouhart 9 benadrukt nog dat het waarschijnlijk nuttig geweest zou zijn eraan te herinneren dat de RSZ er niet van uitgaat dat "de tenlasteneming door een werkgever van aan een verzekeringsmaatschappij betaalde premies om zijn werknemers en hun gezinnen een bijkomende tussenkomst in hun eventuele gezondheidskosten te laten genieten" een bezoldiging is die als grondslag dient voor de berekening van de sociale bijdragen.

5. In subsidiaire orde dient er op gewezen te worden dat de fiscus bij haar controle van de betreffende onderneming ook van mening was dat er een terbeschikkingstelling was van een aan de onderneming toebehorend voertuig en dat er derhalve een bijkomend voordeel van alle aard was dat toegevoegd diende te worden aan de begunstigden.

De belastingplichtige wierp toen op dat het betreffende voertuig enkel in uitzonderlijke gevallen ter beschikking werd gesteld en dat hij over een persoonlijk voertuig beschikte. Maar ook op dat punt is het Hof de fiscus bijgetreden. Ook hier stellen we vast dat de belastingplichtige voor de opbouw van zijn verdediging geen gebruik heeft gemaakt van de volledige rechtspraak en evenmin van de volledige rechtsleer.

Conclusies

Bij afwezigheid van argumentering van de belastingplichtige ten aanzien van de belasting van de collectieve gezondheidszorgverzekering in het register van de sociale voordelen en ten aanzien van het collectieve aspect van het contract, mag men het door het Hof van beroep te Brussel gewezen arrest niet veralgemenen.

In het zog van de specialisten die zich reeds over deze kwestie gebogen hebben 10, besluit de fiscale sectie van de Beroepsvereniging der Verzekeringsondernemingen dat de praktische gevolgen van dit arrest beperkt lijken 11.

Laten we maar hopen dat ze gelijk hebben. Immers, indien de fiscus dit arrest in handen krijgt en een kruistocht start tegen de collectieve gezondheidszorgverzekeringen, zouden de belastingplichtigen, hun verzekeraars en hun adviseurs wel eens opnieuw bange momenten kunnen beleven.

--------------------------------------------------------

1. De tekst van het vonnis en van het kader waarin het werd uitgesproken, werd gevonden op http://www.fiscalnet.be.
2. Com. I.B. 1992, 53/199 en 53/203. Zie ook Assurance collective hospitalisation. Traitement fiscal des primes et des indemnités, in Life & Benefits, nr. 4, december 1997.
3. Zie Assurinfo, nr. 19 van 7 juni 2001, p. 13.
4. Brussel, 26 juni 1992 en Cassatie, 9 december 1993.
5. A. Bailleux, "L’assurance revenu garanti", in La Libre Entreprise, bijlage bij La Libre Belgique van 15 april 1995. Zie ook B. Lonay, "Régime fiscal des primes des assurances revenu garanti", in Comptabilité et Fiscalité Pratiques, oktober 1997, p. 41-47.
6. A. Bailleux, Les assurances de personnes autres que l’assurance vie, in Revue Générale de Fiscalité, nr. 6-7, juni - juli 1995, p. 203 - 209.
7. B. Mariscal en L. Niessen, Assurances soins de santé. Les primes taxées comme avantages de toute nature., in Actualités fiscales, nr. 19, 16 mei 2001. Zie ook M. Rouhart, Revue Générale de Fiscalité, nr. 3, maart 2001, p. 114-116.
8. Voor een toepassing van deze redeneringswijze met betrekking tot de verzekering gewaarborgd inkomen, zie B. Lonay, op. cit. Voor een algemeen overzicht van de betreffende economische theorie, zie J.E. Stiglitz, Théorie de l’information, in Risques, nr. 4, januari 1991, p. 207.
9. M. Rouhart, op. cit. p. 116.
10. Naast de eerder vermelde bronnen verwijzen we ook naar : Voordelen van alle aard. Verzekering gezondheidszorgen : premie belastbaar ? ", in Fiscoloog, nr. 774, 3 november 2000, p. 5 en 6.
11. De collectieve gezondheidszorgverzekering : geen omkering in de belastbaarheid van de premies voor de collectieve gezondheidszorgverzekering, in Assurinfo, nr. 10, 15 maart 2001.
12. Alleen de auteur kan verantwoordelijk worden gesteld voor de eventuele onjuistheden die dit artikel zou kunnen bevatten.

****

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
Navigatie
  • TERUG