Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 103 - 31.08.01 - De belastingsaangifte: controle door de administratie
belastingaangifte

Editie nr 103 van 31 augustus 2001

De belastingaangifte: controle door de Administratie

    Auteur:
    Georges Honoré
    Lid van de Nationale Raad

1. Onderzoek van de belastingaangifte

1.1. Algemeen

Het bedrag van de belastingschuld mag niet willekeurig worden bepaald. Het moet worden bewezen. De bewijslast rust in principe bij de Administratie, maar kan in bepaalde gevallen op de belastingplichtige worden afgewenteld.

Om het bewijs van de onjuistheid te leveren, beschikt de Administratie over volgende middelen :

1. de aangifte van de belastingplichtige zelf;

2. de door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen met uitzondering van de eed;

3. tekenen en indiciën;

4. het bewijs bij vergelijking.

1.2. Bewijskracht van de aangifte

1. Ten aanzien van de Administratie

Een regelmatig opgestelde en ingediende aangifte is geloofwaardig tot het tegenbewijs. Haar bewijskracht berust op een omkeerbaar vermoeden van juistheid. De aangifte wordt onderzocht en de aanslag wordt gevestigd door de Administratie. Deze neemt als belastinggrondslag de aangegeven inkomsten en andere gegevens, tenzij deze onjuist bevonden worden.

2. Verificatie van de aangifte

Het vermoeden van juistheid ontneemt de Administratie niet het haar toegekende recht om de verrichtingen van onderzoek, controle en wijziging in verband met de aangiften te doen.

3. Wijziging van de aangifte

Om van de aangifte van de belastingplichtige te mogen afwijken, moet de Administratie de aangegeven inkomsten en andere gegevens onjuist bevinden.

De inkomsten en de andere gegevens die ze in de plaats wil stellen van die welke door de belastingplichtige zijn aangegeven, moet ze bepalen door gebruik te maken van de haar door de wet ter beschikking gestelde bewijsmiddelen. Het bewijs moet nochtans niet worden geleverd in het stadium van het bericht van wijziging. Het volstaat dat ze aan de belastingplichtige de redenen laat kennen die naar haar oordeel de wijziging rechtvaardigen.

4. Ten aanzien van de belastingplichtige

De aangiften inzake personenbelasting, vennootschapsbelasting of belasting van niet­inwoners zijn tegen de belastingplichtigen in te roepen voor de vaststelling van de sommen of schadevergoedingen die ze vorderen van openbare overheden, wanneer het bedrag van die sommen of schadevergoedingen afhangt van het bedrag van hun winst of inkomsten.

Hetzelfde geldt wanneer een belastingplichtige premies, subsidies of vergoedingen van openbare overheden of (openbare) kredietinstellingen vordert waarvan de toekenning verband houdt met de aangegeven inkomsten. In dergelijk geval is de Administratie ontheven van het beroepsgeheim en gehouden de gevraagde informatie aan de met de betwisting belaste rechtsmacht te verstrekken.

2. Onderzoeksbevoegdheden

2.1. Algemeen

De onderzoeksbevoegdheden van de Administratie strekken zich uit tot de belastingplichtige en tot de derden die met hem in verband staan. Deze bevoegdheden worden beperkt door het beroepsgeheim en het bankgeheim.

De onderzoeksbevoegdheden slaan op :

1. het recht op onderzoek van de boekhoudkundige boeken en bescheiden van de belastingplichtige (ongeacht de wijze waarop deze zijn bijgehouden);

2. het recht op toegang tot de beroepslokalen. Merk op dat het geen huiszoeking betreft;

3. het recht om alle inlichtingen te vragen die nodig zijn voor de vestiging van de aanslag.

2.2. Recht op onderzoek van de boekhouding

Alle belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de belasting (personenbelasting, vennootschapsbelasting, belasting van niet­inwoners) zijn verplicht de Administratie, op haar verzoek, zonder verplaatsing, met het oog op het nazien ervan, alle boeken en bescheiden voor te leggen die noodzakelijk zijn om het bedrag van hun belastbare inkomsten te bepalen.

De verplichting rust op de belastingplichtigen, zijnde :

1. de binnenlandse vennootschappen (NV, (E)BVBA, CVBA, CVOHA, Comm.V, Comm. VA);

2. de rijksinwoners : handelaars, natuurlijke personen;

3. de beoefenaars van vrije beroepen die bepaalde boeken moeten bijhouden (advocaten, gerechtsdeurwaarders, notarissen, enz.) (art. 320 WIB 1992).

2.3. Met wat mag geen rekening gehouden worden?

Volgens het antwoord op de parlementaire vraag nr. 299 (de Clippele) van 5 juni 1987, mag de Administratie geen gebruikmaken van het door het vennootschapsrecht vereiste financieel plan om de belastbare inkomsten te ramen. Dit document is in wezen gebaseerd op vooruitzichten en niet op verwezenlijkingen.

Bescheiden van loutere privé-aard, zonder enig verband met geldbeleggingen of inkomsten, zoals boeken en bescheiden betreffende huishoudelijke uitgaven, mogen niet worden opgevorderd.

2.4. Overlegging zonder verplaatsing

De boeken en bescheiden worden zonder verplaatsing overgelegd.

De fiscale ambtenaren zijn niet gemachtigd te eisen dat de boeken en bescheiden naar de kantoren van de Administratie zouden worden gebracht of dat ze er eenvoudig zouden worden afgegeven met het oog op een latere bespreking.

De ambtenaren dienen zich dus ter plaatse te begeven om de nodige verificaties uit te voeren.

Er is geen voorafgaande machtiging van een hogere overheid nodig om de boeken en bescheiden van de belastingplichtige te onderzoeken.

2.5. Bewaren van de bescheiden

De boeken worden ter beschikking van de Administratie bewaard in het kantoor, agentschap, bijhuis of elk ander beroeps­ of privé-lokaal van de belastingplichtige waar die boeken en bescheiden werden gehouden of opgesteld. De belastingplichtige kan enkel een afwijking bekomen wanneer hij, wegens bijzondere omstandigheden, zijn boeken en bescheiden of een deel ervan voor een bepaalde periode elders wil onderbrengen (art. 315, lid 3, WIB 1992).

De gemotiveerde vraag tot afwijking moet worden gericht aan de bevoegde eerstaanwezende inspecteur van het ambtsgebied.

De boeken en bescheiden moeten ter beschikking van de Administratie worden bewaard tot het verstrijken van het vijfde boekjaar (opm. tien jaar in het boekhoudrecht).

2.6. Onderzoeksrecht van de fiscus

De op informatiedragers opgenomen boekhoudkundige gegevens moeten in een leesbare en verstaanbare vorm ter inzage worden voorgelegd.

Wanneer de ambtenaar erom verzoekt, is de belastingplichtige verplicht (op zijn uitrusting en in bijzijn van de ambtenaar) kopieën te maken van het geheel of een deel van de opgeslagen gegevens, alsook de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om het bedrag van de belastbare inkomsten te bepalen.

Alle bij de boekhoudwet verplichte boeken en dagboeken moeten de vorm hebben hetzij van ingebonden of ingenaaide registers, hetzij van losse bladen die na hun gebruik worden gebundeld, hetgeen ipso facto rechtstreeks leesbare documenten zijn.

Bij het onderzoek gaat de Administratie eveneens over tot het nazicht van de programma’s en het opslaan van de gegevens, de analyses van de programma’s en het beheer van het gebruikte systeem. Dat stelt de ambtenaren in staat zich een beeld te vormen van :

1. de opbouw van het systeem;
2. de informatiestroom;
3. het aantal, de aard en de inhoud van de bestanden en de programma’s;
4. de ingebouwde veiligheden (logische, wiskundige of toegangsbeveiligingen).

Een beperking op deze onderzoeken wordt opgelegd door de Wet van 8 december 1992 (B.S. 18 maart 1993) tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

2.7. Onderzoeksbevoegdheid ten aanzien van derden betreffende geïnformatiseerde boekhoudingen

(Art. 323bis WIB 1992)

De onderzoeksbevoegdheden zijn van toepassing op derden waarop de belastingplichtigen een beroep doen om boeken en bescheiden waarvan de voorlegging is voorgeschreven geheel of gedeeltelijk, op geïnformatiseerde wijze te houden, op te stellen, toe te zenden of te bewaren. Met andere woorden, de derden waarvan inlichtingen kunnen worden gevorderd zijn de informaticatussenpersonen en -consulenten tot wie de onderneming zich wendt voor haar informaticasysteem. De fiscus kan vragen :
- de bestelbon met de omschrijving van het geheel van het aangeschafte materiaal en toepassingen;
- de door de verkoper verstrekte gebruikershandleiding;
- de bijwerkingen van de documentatie en de software;
- de kenmerken van de aangeschafte hardware en software;
- het analysedossier.

2.8. Recht om inlichtingen te vragen

Artikel 316 WIB 1992 bepaalt dat de Administratie, met het oog op het onderzoek van de gegevens van de belastingaangifte, gerechtigd is binnen een maand na de datum van verzending van de aanvraag van de belastingplichtige mondeling of schriftelijk alle nuttige inlichtingen te vorderen. Voornoemde termijn kan worden verlengd wegens wettige redenen zoals :
- het feit dat er materieel een langere termijn nodig is;
- ernstige ziekte;
- langdurige afwezigheid van de belastingplichtige.

De termijn gaat in vanaf de dag na die van de verzending en wordt gerekend van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste.

Voorbeeld

De verzending van een vraag om inlichtingen vindt plaats op 19 juni.
- De eerste dag van de termijn is 20 juni.
- De laatste dag van de termijn is 19 juli.

2.9. Welke inlichtingen mogen worden gevraagd ?

De gevraagde inlichtingen mogen betrekking hebben op alle categorieën van inkomsten die bijdragen tot de vaststelling van de belastbare grondslag (onroerende, roerende, diverse en bedrijfsinkomsten en verrekenbare bestanddelen).

De gepastheid van het vragen van bepaalde inlichtingen moet in het licht van de feitelijke omstandigheden eigen aan elk geval worden beoordeeld. De vragenlijsten moeten aan ieder geval worden aangepast. Merk op dat :
- de overheid het vragen van overdreven inlichtingen uit den boze acht;
- de Administratie slechts een goed overwogen en gematigd gebruik mag maken van deze bevoegdheid;
- bepaald werd dat het niet aanvaardbaar is dat de Administratie zulke opzoekingen en zoveel werk zou vragen dat ze voor de belastingplichtige ongehoord tijdverlies en kosten zouden meebrengen.

2.10. Door de vennootschappen te verstrekken stukken

Het komt logisch voor dat de Administratie aan een vennootschap de volledige tekst van haar statuten vraagt, aangezien het in de Bijlagen tot het Belgisch Staatsblad gepubliceerde uittreksel vaak niet alle nodige informatie bevat.

De vennootschappen zijn verplicht volgende documenten over te leggen :
- het register van de aandelen en obligaties op naam;
- de presentielijsten van de algemene vergaderingen.

2.11. Onderzoeksbevoegdheden van de fiscus ten aanzien van derden

De wet (art. 322 WIB 1992) staat de Administratie toe derden te horen of bij deze derden inlichtingen in te zamelen met betrekking tot een bepaalde belastingplichtige wiens aangifte wordt onderzocht. De Administratie mag, wat een bepaalde belastingplichtige betreft :
- derden horen (door een ambtenaar met een hogere graad dan die van eerstaanwezend inspecteur);
- een onderzoek instellen (door een ambtenaar met ten minste de graad van eerstaanwezend inspecteur);
- binnen de door haar bepaalde termijn van natuurlijke of rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, alle inlichtingen vorderen die ze nodig acht om de juiste heffing van de belasting te verzekeren.

2.12. Onderzoeksbevoegdheden bij openbare diensten

De diensten van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, zomede de openbare instellingen en inrichtingen, zijn verplicht, op vraag van een aanslagambtenaar, in het kader van de uitoefening van zijn opdracht, alle noodzakelijke inlichtingen mede te delen.

Van de stukken in verband met de rechtspleging mag evenwel geen inzage worden verleend zonder uitdrukkelijk toelating van de procureur­generaal of de auditeur-generaal.

Samenvatting : soorten onderzoekingen.

De wet stelt de Administratie twee soorten onderzoeksmiddelen ter beschikking.
1. inlichtingen inwinnen;
2. onder derden en het instellen van onderzoeken (Het betreft het bewijs door getuigen - art.325 en 326 WIB 1992).

3. Lijst van de dagboeken en stukken die moeten worden overgelegd

3.1. Het BTW-Wetboek somt de dagboeken en stukken op die moeten worden bijgehouden

1. het boek voor inkomende facturen (aankopen);
2. het boek voor uitgaande facturen (verkopen);
3. het dagboek van ontvangsten;
4. het teruggaafregister;
5. de opgave van de bedrijfsmiddelen;
6. de inkomende facturen en de dubbels van de uitgaande facturen;
7. de leverings- en verzendingsbons;
8. de bestelbons;
9. allerhande overeenkomsten betreffende de beroeps-activiteit;
10. de consignatiebons en de dubbels ervan;
11. de dubbels van de stukken die moeten worden uitgereikt aan de medecontractant inzake de teruggaaf van de BTW;
12. de dubbels van de jaarlijkse klantenlisting;
13. de vervoerdocumenten en -vignetten;
14. de stukken opgesteld door de vertegenwoordigers;
15. de stukken opgesteld door de belastingplichtigen bij onttrekkingen voor privé-doeleinden of bij leveringen van goederen aan het personeel;
16. de klanten- en leveranciersrekeningen;
17. de opgaven, rekeninguittreksels en betalingsbewijzen van de financiële instellingen;
18. de betalingsbewijzen;
19. de inventarisstukken;
20. de jaarrekening;
21. de stukken die moeten worden bijgehouden of uitgereikt krachtens de wetten op de prijzenreglementering;
22. de stukken die moeten worden opgemaakt met het oog op de toepassing van de socialezekerheidswetgeving;
23. de fabricatiefiches;
24. de stukken betreffende spontane regularisaties.

3.2. De stukken noodzakelijk voor de toepassing van de forfaitaire regelingen

1. een boek voor inkomende facturen (verschilt per sector waarop een forfaitaire regeling van toepassing is);
2. een boek voor uitgaande facturen;
3. een opgave van de bedrijfsmiddelen;
4. een dubbel van de klantenlisting.

3.3. Boekhoudkundige bescheiden en bescheiden in verband met de boekhouding

1. alle boeken en bescheiden voorzien door de boekhoudwet en de ter uitvoering ervan genomen koninklijke besluiten. Bijzondere aandacht wordt gevestigd op het getrouw en juist karakter van de geschriften en op de voorwaarden van continuïteit, regelmatigheid en onomkeerbaarheid van de geschriften; 2. het detail van elke balanspost;
3. de klanten- en leveranciersbalansen, de balansen van de algemene rekeningen;
4. de waarderingsregels;
5. het inventarisboek;
6. de kasregisterrollen die als bewijsstukken van de inschrijvingen in het kasdagboek dienen;
7. de rekeninguittreksels van alle beroepsmatige financiële rekeningen.

3.4. De extra boekhoudkundige stukken

1. de door de BTW-regelgeving vereiste vervoerdocumenten;
2. de douaneaangiften;
3. de verzekeringscontracten;
4. de registers van de te onderhouden en te herstellen voertuigen;
5. de registers van de voertuigen onderworpen aan de bijzondere margeregeling;
6. het maakloonwerkregister;
7. de ontvangstbewijsboekjes en alle andere bescheiden van de beoefenaars van vrije beroepen (artikel 320 WIB 1992).


Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
Navigatie
  • TERUG