Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 102 - 15.07.01 - De elektronische handel: een nieuwe muze
elektronisch handel

Edition n° 102 du 15 juli 2001

De elektronische handel: een nieuwe muze voor wetgevers

    Auteur:
    Vanessa Veriter
    Advocat aan de Balie van Luik, Bours & Vennoten

Inleiding

"Internet is de derde industriële revolutie" verklaart François Caron in een artikel dat verschenen is in L’Express.(1)

Internet wordt vandaag voorgesteld als één van de belangrijkste assen van de economische ontwikkeling, daar het enorme mogelijkheden biedt zowel inzake de creatie van nieuwe werkgelegenheid, als inzake de economische groei van de ondernemingen.

Die beschouwingen krijgen hun volledige uitwerking door de opkomst van de elektronische handel, met meer bepaald de snelheid, het gebruiksgemak en de doeltreffendheid daarvan als belangrijkste troeven.

Het lijdt geen twijfel dat de elektronische handel nieuwe commerciële perspectieven zal bieden aan de ondernemingen.

Het is voortaan immers mogelijk om een website te creëren waarop men zijn producten of diensten kan aanbieden, verhandelen en verkopen aan een onbeperkt aantal internetgebruikers.

Om ervoor te zorgen dat het netwerk op een veilige manier wordt gebruikt, dient de wetgeving te worden aangepast met het oog op het toekennen van een juridische waarde aan de gebruikte elektronische instrumenten.

Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (2) ("Richtlijn inzake Elektronische Handel" - hierna REH) komt tegemoet aan de door de spelers in deze nieuwe handel lang verwachte doelstelling, door de lidstaten een gemeenschappelijk juridisch kader aan te bieden. Volgens artikel 22 van deze Richtlijn, moet die ten laatste op 17 januari 2002 worden omgezet in de interne rechtsorde van de lidstaten.

Hoewel die richtlijn een basisharmonisatie vormt inzake de elektronisch handel, moet die in overeenstemming worden gebracht met andere communautaire interventies.

In het bijzonder:

- Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 die voorziet in een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften voor de diensten van de informatiemaatschappij;

- De richtlijnen betreffende de bescherming van de persoonsgegevens;

- Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consumenten bij op afstand gesloten overeenkomsten , omgezet in het Belgisch recht door de wet van 25 mei 1999 die Hfdst V, Afd.9 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en betreffende de informatie en de bescherming van de consument herformuleert, door daar een aantal bepalingen in op te nemen betreffende op afstand gesloten overeenkomsten, zoals de elektronisch gesloten overeenkomsten.

- Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een communautair kader voor de elektronische handtekeningen.

Die richtlijnen zijn integraal van toepassing en vormen een aanvullende juridische bescherming voor alle internetgebruikers.

In dat opzicht vormt het contract een onontbeerlijk rechtsinstrument om de economische ontwikkeling (3) via Internet te verzekeren. Het is noodzakelijk dat het contract juridische kracht krijgt, maar rekening houdend met de kenmerken van contracten die via elektronische weg worden gesloten is dit geen eenvoudige opdracht.

Die bezitten immers het bijzondere kenmerk dat ze gesloten worden door partijen die niet in elkaars aanwezigheid zijn, in die zin dat ertussen hen geen enkel fysiek contact is.

Die context zal voornamelijk voor twee problemen zorgen, waarbij het ene betrekking heeft op het bewijs van de toestemming van de partijen, en het andere op hun identificatie.

Het immateriële medium dat eigen is aan de elektronische handel zorgt voor bijkomende problemen.

De doelstelling van dit artikel is een korte beschrijving te geven van de communautaire bepalingen, waarvan de Richtlijn inzake Elektronische Handel de voornaamste is, evenals de nationale bepalingen die van toepassing zijn op die vorm van handeldrijven.

Richtlijn inzake elektronische handel (hierna REH)

Aangezien we hier niet volledig kunnen zijn, zullen hierbij alleen de punten worden behandeld met betrekking tot de doelstellingen, het toepassingsgebied, het vestigingsbegrip en de problematiek van het on-line afsluiten van contracten.

1.1 Doelstelling

De REH heeft tot doel een juridisch kader te creëren waarbinnen het vrije verkeer van de diensten van de informatiemaatschappij tussen de lidstaten wordt gewaarborgd.

Het betreft een minimale harmonisatie, in die zin dat de REH alleen wil reglementeren wat strikt noodzakelijk is voor de goede werking van de interne markt en aldus "een hoog beschermingsniveau te garanderen voor doelstellingen van algemeen belang,..."(4) .

Het juridische kader moet duidelijk, eenvoudig en voorzienbaar zijn en moet verenigbaar zijn met de regels die op internationaal niveau van toepassing zijn, zodat het concurrentievermogen van de Europese industrie niet te lijden heeft en het ondernemen van innoverende acties in deze sector niet belemmerd wordt.(5)

1.2 Toepassingsgebied van de REH: De diensten van de informatiemaatschappij

De REH is van toepassing op " de diensten van de informatiemaatschappij" en verwijst voor de definitie daarvan naar die van artikel 1, §2 van richtlijn 98/34/EG betreffende een informatieprocedure betreffende normen en technische voorschriften, zijnde: ’elke dienst, normaal, tegen vergoeding (6) , op afstand verricht langs elektronische weg en op individueel verzoek van een afnemer van diensten".

Overweging 18 van de REH sluit onder die term een brede waaier van economische activiteiten in, zoals de on-lineverkoop van goederen (7), de commerciële communicaties in zoverre die een economische activiteit vertegenwoordigen, diensten die instrumenten verschaffen zoals het opzoeken en ophalen van en het toegang krijgen tot gegevens.

Diensten die van punt tot punt worden doorgegeven, zoals video op verzoek of het verlenen van commerciële communicatie via elektronische post, zijn eveneens diensten van de informatiemaatschappij.(8)

De on-linediensten omvatten onder andere:

- B2B diensten ("Business to business" of "onderneming tot onderneming") (9);

- B2C diensten ("Business to consumers" of "van onderneming tot consumenten");

- ON-LINE SHOPPING MALLS (on-linehandelscentra) (10)

- BBS (chatters)

- Diensten van on-lineadviesverstrekking (advocaten-, boekhoud- en , immobiliënkantoren die on-line adviezen verstrekken).

Worden echter niet beschouwd als dergelijke diensten, het gebruik van elektronische post en, in het algemeen, alle activiteiten die, van nature niet op een afstand of met behulp van elektronische middelen kunnen worden verricht, zoals de wettelijke controle op de rekeningen van ondernemingen of een medisch consult waarbij lichamelijk onderzoek van de patiënt vereist is...

Eveneens uitgesloten van de toepassing van de REH zijn belastingen, kwesties in verband met de verwerking en bescherming van persoonsgegevens (gedekt door de Richtlijnen 95/46/EG en 97/66/EG), kwesties in verband met het mededingingsrecht, de activiteiten van notarissen, de vertegenwoordiging van een cliënt en de verdediging van zijn belangen voor het gerecht, gokactiviteiten .(11)

1.3. De plaats van vestiging van de dienstverleners van de informatiemaatschappij

Artikel 4 van de REH stelt het principe van "vrijheid’ van vestiging.

De dienstverleners van de informatiemaatschappij kunnen zich vestigen waar ze willen, zonder onderworpen te worden aan een voorafgaandelijke vergunning.

REH (12) definieert de "gevestigde dienstverlener" als diegene "die vanuit een duurzame vestiging voor onbepaalde tijd daadwerkelijk een economische activiteit uitoefent. De aanwezigheid en het gebruik van technische middelen en technologieën die nodig zijn voor het leveren van een dienst, vormen als zodanig geen vestiging van de dienstverlener".

De toepasselijkheid van de bepaling van de hoofdvestiging van een dienstverlener vindt haar oorsprong in het principe dat gesteld wordt door artikel 3 van de REH en volgens hetwelke "elke lidstaat ervoor zorgt dat de diensten van de informatiemaatschappij die worden verleend door een op zijn grondgebied gevestigde dienstverlener voldoen aan de in die lidstaat geldende nationale bepalingen die binnen het gecoördineerde gebied vallen."

Dat principe moet toegepast worden in het licht van de rechtspraak het Hof van Justitie, die als hoofdverblijfplaats de plaats van "de daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit vanuit een duurzame vestiging en voor onbepaalde tijd" beschouwt, dat wil zeggen de plaats waar de directie, de kantoren, het personeel, de goederenvoorraad... van de dienstverlenende onderneming gevestigd zijn. De plaats waar de technologische middelen zich bevinden die dienen ter ondersteuning van de site, zal bijgevolg niet noodzakelijk die van haar hoofdvestiging zijn.

De voorgaande beschouwingen vinden hun oorsprong in het feit dat elke lidstaat ervoor moet zorgen dat de dienstverleners die in hun land gevestigd zijn hun nationale bepalingen naleven die binnen het "gecoördineerde gebied" (13) vallen.

Bij de uitvoering van die taak mogen de lidstaten niet uit het oog verliezen dat de voornaamste doelstelling vervat in artikel 3 van de REH erin bestaat "het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij" te waarborgen (artikel 3.1) en bijgevolg mogen die "niet beperkt worden om redenen die vallen binnen het gecoördineerde gebied" (artikel 3.2).

Bovendien ontsnappen bepaalde gebieden vermeld in de REH aan de controle van de lidstaten en hebben die met name betrekking op "de vrijheid van de partijen om het op hun contract toepasselijke recht te kiezen; contractuele verplichtingen betreffende consumentenovereenkomsten; de formele geldigheid van contracten waarbij rechten op onroerende zaken ontstaan of worden overgedragen, indien op deze contracten ingevolge het recht van de lidstaat waar de onroerende zaak gelegen is, verplichte vormvereisten van toepassing zijn; de toelaatbaarheid van ongevraagde commerciële communicatie per elektronische post".

Men moet hier opmerken dat de kwestie van de vestigingsplaats bijzonder belangrijk zal zijn op het vlak van de belastingen, dat niet onder het toepassingsgebied van de REH valt.

Voor de belastingadministraties is de inzet immers aanzienlijk, aangezien, volgens recente studies die uitgevoerd werden door de Wereld Handelsorganisatie, de omzet die de elektronische handel tegen 2008 zou moeten halen, in de buurt van 300 miljard zou komen...(14)

Er bestaat bijgevolg geen twijfel dat de Belgische belastingadministratie zich afvraagt hoe zij de winsten die voortvloeien uit die nieuwe handel kan belasten. Daartoe is het nodig dat de winsten gegenereerd worden door een onderneming die haar hoofdvestiging op het Belgische grondgebied heeft. Die notie wordt opgenomen in het merendeel van de dubbelbelastingverdragen..

Ook hier zal de aanwezigheid van een server op een grondgebied niet volstaan. Er zal aan een hele reeks elementen, zoals de aanwezigheid van het personeel, bureaus, ... op het desbetreffende grondgebied, moeten worden voldaan.

In de veronderstelling dat geen enkele overeenkomst van dat type werd gesloten, dient verwezen te worden naar de vrij ruime opvatting vervat in ons W.I.B.(15)

1.4. Contracten via elektronische weg

De basis van deze materie ligt in artikel 9 van de REH houdende dat:

"De lidstaten zorgen ervoor dat hun rechtsstelsel het sluiten van contracten langs elektronische weg mogelijk maakt. Zij vergewissen zich er met name van dat de regels met betrekking tot de totstandkoming van contracten geen belemmering vormen voor het gebruik van langs elektronische weg gesloten contracten, noch ertoe leiden dat dergelijke contracten, omdat zij langs elektronische weg tot stand zijn gekomen, zonder rechtsgevolg blijven en niet rechtsgeldig zijn.

Overweging 34 van de REH nodigt elke lidstaat uit tot "het aanpassen van zijn wetgeving indien deze vereisten, met name vormvereisten, bevat die het langs elektronische weg sluiten van contracten in de weg staan. Onderzoek van aan te passen wetgeving dient systematisch te geschieden en moet betrekking hebben op alle etappes en handelingen die voor de totstandkoming van het contract nodig zijn, inbegrepen de archivering van het contract".

De overweging spreekt over een "resultaatverbintenis" ten laste van de lidstaten met betrekking tot het uitvoeren van een "systematisch onderzoek van hun reglementering die het gebruik van contracten langs elektronische weg zou kunnen belemmeren of ontraden"(16)

1.5 Hoe zit dat in onze rechtsorde?

Laten we er eerst nog eens herhalen dat ons recht beheerst wordt door het principe van de wilsovereenstemming en van de wilsautonomie voor wat betreft de geldigheid van de rechtshandelingen.

In burgerlijke zaken is het bewijsrecht geregeld zowel voor wat voor wat betreft de bewijsmiddelen, de ontvankelijkheid,de bewijswaarde en de bewijskracht.

Via artikel 1341 B.W. heeft de wetgever het geschrift immers op een voetstuk geplaatst als bewijsmiddel voor wat betreft de rechtshandelingen voor een bedrag of waarde van meer dan 375 EUR (15.000 BEF).

Die regel wordt gekoppeld aan de regels vervat in de artikels 1325 en 1326 van het burgerlijk wetboek .(17)

Hoewel de notie van het geschrift vandaag kan uitgebreid worden tot het elektronische medium, ingevolge de functionele interpretatie die daaraan kan worden gegeven dankzij de correctie van de notie van handtekening in het kader van de onderhandse akte (18), geldt dat niet voor de artikels 1325 en 1326.

Artikel 1326 zal moeten gewijzigd worden en meer bepaald op het niveau van de termen "met de hand van". Op basis van het Franse recht stellen sommigen voor om die te vervangen door de termen "door hemzelf", waarbij de internetgebruiker zijn elektronische handtekening plaatst na de vermelding "goed voor".

Er moet niettemin opgemerkt worden dat die bepalingen enerzijds noch van openbare orde, noch dwingend zijn, zodat de rechter geenszins verplicht is om ambtshalve het middel aan te voeren en anderzijds de partijen daar in zekere mate zouden kunnen van afwijken.

In handelszaken moet het door onze wetgever gekozen stelsel, nl. dat van de "vrije bewijsvoering" nu beoordeeld worden in het licht van artikel 9 van de REH..

De wet van 20 oktober 2000 (19) heeft trouwens het gebruik van de elektronische handtekening en nieuwe telecommunicatiemiddelen ingevoerd in de gerechtelijke en buitengerechtelijke procedure.

België is op zijn elan voortgegaan en heeft op 14 juni 2001 het wetsontwerp goedgekeurd dat de laatste regels betreffende de elektronische handtekening en de diensten voor de certificering (20) vaststelt;

Die, reeds lang verwachte, wet zal voornamelijk een impacht hebben in de B2C markt, en zal een ondersteuning zijn voor de talrijke ondernemingen die reeds een groot aantal toepassingen in dat domein hebben ontwikkeld.

Voordat we dit overzicht afsluiten, werpen we een laatste blik op de wetgeving inzake de bescherming van de consumenten.

De Belgische wetgever heeft immers in de wet op de handelspraktijken en de bescherming van de consument (WHPC) van 14 juli 1991 de Europese richtlijn geïntegreerd betreffende de bescherming van de consumenten op het vlak van de contracten op afstand .(21), (22)

Hoofdstuk VI, Afd.9 WHPC werd omgevormd naar het voorbeeld van de structuur van de richtlijn en is voortaan getiteld "contracten op afstand."(23)

Daartoe behoren al de contracten met betrekking tot goederen of diensten gesloten op afstand tussen een leverancier en een consument.

Die richtlijn en de bepalingen van intern recht die deze omzetten, vormen voortaan het wettelijke kader, niet alleen van de klassieke verkoop op afstand, maar ook van de elektronische handel .(24)

Opdat de consument zou geïnformeerd zijn (25) "op een ondubbelzinnige, duidelijke en verstaanbare manier" voorziet de wet een hele reeks van gegevens die door de verkoper moeten meegedeeld worden en dit ten laatste bij de levering, voor de producten, en bij de uitvoering, voor de diensten.

Nog steeds in het kader van WHPC moet de consument schriftelijk of via een andere duurzame drager (26), die te zijner beschikking staat en waartoe hij toegang heeft, de bevestiging van deze gegevens (27) ontvangen (28).

De consumenten hebben gedurende 7 werkdagen het recht om van de aankoop af te zien. De uitoefening van dit verzakingsrecht is aan geen enkele rechtvaardigingsvereiste (29) onderworpen.

Er kan van de consument geen enkel voorschot worden geëist vóór het einde van de voornoemde verzakingstermijn, behoudens anders voorgesteld en aanvaard door de koper. Bij wijze van uitzondering staat de wet zo’n betaling toe wanneer de verkoper het bewijs aanvoert dat hij bepaalde regels naleeft, die nog moeten vastgesteld worden in een koninklijk besluit, die tot doel hebben de terugbetaling mogelijk te maken van de door de consument (30) betaalde bedragen.

Wat betreft de uitvoering van het contract dient, behoudens andersluidende overeenkomst, de bestelling te worden uitgevoerd binnen de dertig dagen vanaf de dag volgend op die waarop de consument zijn bestelling (31) heeft overgemaakt.

Er moet trouwens meteen opgemerkt worden dat ook artikel 10 van de REH, behalve indien de partijen die geen consumenten zijn anders zijn overeengekomen, aan de dienstverlener de verplichting oplegt om steeds, en dit voorafgaandelijk aan de bestelling, bepaalde informatie te verstrekken aan de afnemer.

Conclusie

De elektronische handel kan een aanzienlijke impact hebben op de ontwikkeling van de handelsuitwisselingen tijdens de komende jaren. Het succes daarvan impliceert evenwel dat die toegankelijk wordt gemaakt voor een steeds groter aantal internetgebruikers.

Bovendien is het onontbeerlijk dat de wetgevers, zowel Europese als nationale, zich buigen over deze kwestie, teneinde de werking daarvan te reglementeren en veilig te stellen. Men mag vandaag stellen dat er vandaag reeds werk werd gemaakt van het wetgevend kader ...

------------------------

1."Internet, c’est la troisième révolution industrielle" artikel verschenen in L’Express van 27 april 2000, referentie aangehaald in het artikel "e-Business: Aspects Juridiques" van D. Kaesmacher en P. Verplancke, J.T., 17 februari 2001, speciaal nummer, p.183. ;
2. PB L 178 van 17/07/2000 blz. 1-16 ;
3. Lionel THOUMYRE, "L’échange de consentement dans le commerce électronique", p.2, lid 3, http://www.juriscom.net/universite/doctrine/article4.htm ;
4. Overweging 10 van de REH ;
5. Overweging 60 van de REH ;
6. "Un paiement n’est pas nécessaire, une forme de contrepartie économique suffit - La directive du 08 juin 2000 sur le commerce électronique: un cadre juridique poir l’internet", door A.STROWEL, N. IDE en F. VERHOESTRAETE, J.T., 17 februari 2001, speciaal nummer, p.135.;
7. Noteer dat activiteiten zoals de levering van goederen als zodanig of de verstrekking van off-linediensten niet onder die richtlijn vallen;
8. Dat moet parallel geplaatst worden met de radio-omroepactiviteiten en de televisie-omroepactiviteiten in de zin van Richtlijn 89/552/EG die geen diensten zijn van de informatiemaatschappij;
9. "Ceux-ci sont appelés à servir des besoins de tout type d’industries, à permettre la livraison de produits ultra frais dans des hôtels ou à obtenir des services financiers en ligne" (V. TACK, "Commerce électronique et droit de la concurrence", dossier van het J.T. Droit Européen, januari 2001, p.1 en volg.). Die platformen van elektronische handel zullen onder de controle staan van de Europese Commissie die belast is met het toezicht op de naleving van het mededingingsrecht, aangezien die weliswaar kunnen gecreëerd worden door concurrenten, maar eveneens kunnen gesloten worden tussen niet-concurrenten en bijgevolg onder de invloed van de zogenaamde concentratieverrichtingen vallen of onder de invloed van de ententes in de zin van artikel 81 van het EG-verdrag;
10. Aangehaald in het artikel van A. STROWEL, N. IDE en F. VERHOESTRAETE, J.T., 17 februari 2001, speciaal nummer, p.135.;
11. Cfr: artikel 1.5 van de REH. ;
12. Artikel 2 ;
13. Het gecoördineerde gebied wordt gedefinieerd in artikel 2, h van de REH, als "de in de nationale rechtsstelsels vastgelegde vereisten voor dienstverleners van de informatiemaatschappij en diensten van de informatiemaatschappij, ongeacht of die vereisten van algemene aard zijn dan wel specifiek daarop zijn toegesneden". Punt (i) van artikel 2 geeft toelichting bij de vereisten waaraan de dienstverleners moeten voldoen en die betrekking hebben op: "het starten van een activiteit van een dienst van de informatiemaatschappij...; het uitoefenen van een activiteit (gedrag van de dienstverlener, inhoud van de dienst, aansprakelijkheid...);
14. Cfr artikel van Thibault Verbiest, "Quelle fiscalité sur Internet?", L’écho, 18 maart 1999;
15. Cfr artikel van Thibault Verbiest, "Quelle fiscalité sur Internet?", L’écho, 18 maart 1999;
16. Cfr. COM (1998) 586 final, p.26. ; referentie aangehaald in het artikel van A. STROWEL, N. IDE en F. VERHOESTRAETE, J.T., 17 februari 2001, speciaal nummer, p. 138;
17. Artikel 1325 stelt het principe volgens hetwelke onderhandse akten die wederkerige overeenkomsten bevatten, slechts geldig zijn voor zover zij opgemaakt zijn in zoveel originelen als er partijen zijn die een onderscheiden belang hebben, waarbij in elk origineel moet vermeld worden hoeveel originelen zijn opgemaakt. Artikel 1326 schrijft voor dat de akte die een eenzijdige verbintenis vaststelt, geheel moet geschreven zijn met de hand van diegene die de verbintenis aangaat of, tenminste dat met de hand "goed voor" of "goedgekeurd voor" geschreven werd;
18. Cfr artikel van Pascal LECOCQ en Bernard VANBRABANT, "la preuve du contrat conclu par voie électronique", in "Le commerce électronique, un nouveau mode de contracter", stukken van het colloquium georganiseerd door de Rechtsfaculteit van Luik en de Conférence Libre du Jeune Barreau van Luik op 19 april 2001, p.131;
19. Wet van 20 oktober 2000, B.S. 22 december 2000;
20. Die wet zet de richtlijn betreffende de elektronische handtekening om. (De uiterste omzettingsdatum is 17 juli 2001);
21. Richtlijn 97/7/EEG van 20 mei 1997, P.B. L/ 144 van 04 juni 1997;
22. Cfr terzake artikel van Anne SALAUN, "Transposition de la directive contrats à distance en droit belge, commentaire de l’article 20 de la loi du 25 mai 1999", in "Droit des nouvelles technologies" te raadplegen op het volgende adres: http://www.droit-technologie.org/;
23. Afd. 9 had, vóór de omvorming, betrekking op de verkoop op afstand;
24. Cfr toelichting bij de wet van 25 mei 1999, document van de kamer van volksvertegenwoordigers, gewone zitting, 10 maart, ontwerpen nr 2050/1 en 2051/1-98/99 eveneens beschikbaar op de site van de Kamer http://www.de kamer.be/ "La nouvelle loi belge sur le commerce électronique" door Thibault VERBIEST, artikel raadpleegbaar op de site: http://www.juriscom.net/ ;
25. Cfr artikel 78 WHPC, tot die informatie behoort: de naam van de verkoper, zijn geografisch adres, de essentiële kenmerken van het product en van de dienst, de betalingsmodaliteiten, de leveringsmodaliteiten of de uitvoeringsmodaliteiten van het contract, het bestaan of het ontbreken van een opzeggingsrecht, de kostprijs van het gebruik van de communicatietechniek, wanneer die berekend is op een basis;
26. De bevestiging kan op een geldige wijze geschieden door e-mail, diskette, CD-ROM, cassette, postbrief, fax;
27. Artikel 79 WHPC;
28.Voor wat de goederen betreft, ten laatste op het ogenblik van de levering; voor wat de diensten betreft, vóór de uitvoering;
29. Artikel 80 WHPC;

30. Artikel 80, § 3 WHPC ;
31. Artikel 81 WHPC.

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:35:00
Navigatie
  • TERUG