Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 101 - 30.06.01 - Niet aftrekbare BTW: een belangrijke bijkomende kost
niet aftrekbare btw

Editie nr 101 van 30 juni 2001

De niet-aftrekbare BTW: een belangrijke "bijkomende kost"

    Auteur:
    José Haustraete
    Lid van de Nationale Raad

De meeste boekhoudkantoren en hun cliënten zullen in 2001 opteren voor een nieuw boekhoudpakket en dit naar aanleiding van de invoering van de euro en de veralgemeende omschakeling naar een windows-omgeving. In de praktijk lijkt dit laatste geen sinecure te zijn. Het BIBF tracht de erkende boekhouders hierbij te begeleiden.

Tal van boekhoudpakketten worden gebruiksonvriendelijk door de overtollige gadgets. Eén ervan is soms de boeking van de niet-aftrekbare BTW. Te frequent zien wij dat deze BTW bovendien op een foutieve manier in het pakket wordt verwerkt.

Boekhoudwet

Art. 36 K.B. 30.01.2001(1) (oud art. 21, K.B. 8 oktober 1976) is terzake overduidelijk: "Art. 36. De aanschaffingsprijs omvat, naast de aankoopprijs, de bijkomende kosten zoals niet terugbetaalbare belastingen en vervoerkosten".

Dit impliceert dat :
- voor de investeringen de niet-aftrekbare BTW steeds te activeren is samen met het activum;
- voor de kosten de niet-aftrekbare BTW steeds bij de kost te vermelden is.

In de praktijk raden wij aan dat de niet-aftrekbare BTW (andere dan i.v.m. privé-uitgaven of voor niet-BTW-plichtigen) gebeurt "op twee lijnen", nl. een eerste lijn met het netto-bedrag (exclusief de niet-aftrekbare BTW) en op een tweede lijn de niet-aftrekbare BTW, indien deze BTW een kostprijselement is.

Indien daarentegen de niet-aftrekbare BTW betrekking heeft op een privé-gedeelte, dan wordt er best geboekt op drie lijnen, nl. eerste lijn : de kost, tweede lijn : de boeking van het privé-gedeelte op een privé-rekening, derde lijn : de boeking van de niet-aftrekbare BTW op dezelfde privé-rekening. Op die manier ziet de controlerende BTW-ambtenaar dat de BTW correct in mindering werd gebracht. Ook voor de boekhouder is het geheel overzichtelijk : hij ziet onmiddellijk dat de boeking correct gebeurde samen met de impact op de afschrijvingen (cf. infra).

Concreet wordt het onderhoud van een stationwagen, volledig gebruikt voor het bedrijf, ten bedrage van 100 euro (exclusief BTW) ingeboekt als volgt :
- input : totaal bedrag van de factuur : 121,00 basis: 100 + (21 H 50 %) 110,50 aftrekbare BTW: 21 H 50 % 10,50
- boekhoudkundige verwerking:

610810 Onderhoud personenwagen (50%-75%) 100,00
610810 Onderhoud personenwagen (50%-75%) 10,50  
411000 Aftrekbare BTW (a) 10,50  
440000 aan Leveranciers   121,00

(a) : wij suggereren evenwel om in de loop van het boekjaar een tussenrekening, afgestemd op de BTW-aangifte te gebruiken, nl. 498059 "Aftrekbare BTW", verricht in vak 59 van de BTW-aangifte. Terzake verwijzen wij ook naar het BIBF-rekeningenstelsel (editie 1996, p. 10; editie 2000 p. 12).

Wij suggereren ook dat in de naam van de boekhoudkundige rekening melding gemaakt wordt van de mate van aftrekbaarheid inzake BTW (in casu 50 %) en directe belastingen (in casu 75 %). Een stationwagen, volledig gebruikt voor het bedrijf, wordt immers - zelfs al wordt hij 100 % voor het beroep gebruikt - gelijkgesteld met een personenwagen.

De niet-aftrekbare BTW van 10,5 euro mag m.a.w. niet geboekt worden op een rekening 640700 "Niet-aftrekbare BTW". Deze laatste rekening kan wel in de boekhouding opgenomen worden voor de niet-aftrekbare BTW, die niet kan worden geïndividualiseerd (b.v. het boeken van een BTW-regularisatieopgave, de BTW op voordelen alle aard, de jaarlijkse regularisatie van de BTW bij een gemengde belastingplichtige).

Art. 61, § 1, K.B. van 30 januari 2001 (oud art. 28, K.B. van 8 oktober 1976), laat bovendien een "versneld afschrijvingsplan" toe overeenkomstig de fiscale bepalingen terzake. Uit het vervolg zal blijken dat inzake directe belastingen de bijkomende kosten in de regel ad libidum mogen worden afgeschreven, m.a.w. ook aan 100 %, juist omdat deze kosten geen echte tegenwaarde vertegenwoordigen.

De bijkomende kosten - b.v. registratierechten en ereloon/kosten van de notaris - i.v.m. gronden daarentegen worden normalerwijze niet afgeschreven (art. 64, § 2, K.B. van 30 januari 2001 (oud art. 28, § 3, K.B. van 8 oktober 1976)), tenzij de rechtsleer en de rechtspraak zouden oordelen dat deze bijkomende kosten op zichzelf een eigen leven leiden, waarbij het vroegere principe "de bijzaak volgt de hoofdzaak", mijns inziens terecht, wordt genegeerd. Het is bekend dat het Hof van Cassatie driemaal de aftrek van deze kosten toestond - zie arresten d.d. 22 juni 2000 - maar dat de fiscus dit hoogste Belgische gerechtshof om ons duistere redenen niet volgt als zijnde een vaste rechtspraak. Voor deze kosten gelden art. 61, § 2 en art. 64, § 2, K.B. van 30 januari 2001 (oud art. 28, § 3, K.B. 8 oktober 1976) : eerst worden de bijkomende kosten als activum geboekt en daarna worden deze ineens en integraal als waardevermindering naar de kosten overgeboekt.

Ter info : bij inbreng zijn de registratierechten en de notariskosten ofwel te activeren ofwel onmiddellijk in kosten te boeken (art. 58, K.B. van 30 januari 2001 (oud art. 24, K.B. van 8 oktober 1976)). Dit zijn immers oprichtingskosten en geen "bijkomende kosten". Bij quasi-inbreng daarentegen zijn het "bijkomende kosten", die boekhoudkundig een totaal andere behandeling kennen.

Alhoewel een vrije beroeper als eenpersoonsonderneming niet ressorteert onder de bepalingen van de Boekhoudwet, is het ons inziens aangeraden ook voor deze personen op hoger geciteerde manier tewerk te gaan, alhoewel hier een onmiddellijke opname in de kosten ook verdedigbaar moet zijn. In dit laatste geval is er immers geen terugname van de minderwaarde nodig (art. 49, K.B. van 30 januari 2001 (oud art. 19, K.B. van 8 oktober 1976)).

De BTW-wetgeving

De niet-aftrekbare BTW kan haar oorsprong vinden in :
- het feit dat de onderneming/vrije beroeper geen recht op aftrek heeft (b.v. patrimoniumvennootschap, verzekeringsmakelaar, medicus, advocaat, notaris). Hier stellen wij voor de kost op één lijn - m.a.w. BTW inbegrepen- te boeken en de investering op twee lijnen. Dit laatste is immers pragmatisch in het licht van de mogelijke afschrijvingen (cf. infra);
- het feit dat de onderneming/vrije beroeper een gemengde BTW-belastingplichtige is (art. 46 W.BTW);
- het feit dat de vijfjarige, de tienjarige (voor investeringen tot 31 januari 1995, K.B. van 22 december 1995) of de vijftienjarige herziening geldt (art. 48, § 2, W.BTW);
- het feit dat de BTW niet of slechts gedeeltelijk aftrekbaar is conform de BTW-wetgeving (art. 45, W.BTW) : personenwagens, wagens voor dubbel gebruik, minibussen, tabaksfabrikaten, geestrijke dranken, logies, spijzen en dranken, onthaal, reisbureaus.

Opdat er een flikkerlicht zou branden, is het aangeraden voor BTW-belastingplichtigen in de naam van de betrokken boekhoudkundige rekening melding te maken van de mate van aftrekbaarheid inzake BTW. Wij suggereren om dit na de benaming vooraan te vermelden omdat de belastingplichtige eerst geconfronteerd wordt met de BTW-problematiek en pas daarna met de verwerking inzake directe belastingen (cf. supra : journaalpost).

Het Wetboek Inkomstenbelastingen

Hier worden wij geconfronteerd met verschillende wets- artikelen :
- Art. 62, WIB 1992 : de mogelijkheid om de bijkomende kosten ad libidum - d.i. naar willekeur - af te schrijven. De vermelding "versneld afschrijvingsplan" in art. 64, K.B. van 30 januari 2001 (oud art. 28, § 2, K.B. van 8 oktober 1976) verwijst eigenlijk naar dit artikel.
- Art. 65, WIB 1992 : de uitzondering : voor personenwagens, auto’s voor dubbel gebruik en minibussen is het niet mogelijk de bijkomende kosten ad libidum af te schrijven. Boekhoudkundig moet de BTW dan ook geactiveerd worden en afgeschreven samen met het activum.
- Art. 75, 6°, WIB 1992 : indien de bijkomende kosten ad libidum worden afgeschreven - en dus niet samen met het activum - is de investeringsaftrek niet mogelijk.
- Art. 53, 7° en 8° en art. 66 WIB 1992 : bepaalde kosten zijn slechts gedeeltelijk aftrekbaar (kledij, verplicht verteer, autokosten). De niet-aftrekbare BTW ondergaat hetzelfde regime inzake kostenaftrek, waarop die BTW betrekking heeft.

Ter info : de BTW i.v.m. niet-specifieke beroepskledij is, ons inziens, als BTW aftrekbaar terwijl de kledijkost zelf inzake directe belastingen niet als kost aftrekbaar is. De Minister van Financiën antwoordde recentelijk evenwel anders (P.V. 487, Daniel Bacquelaine, 23.10.2000, V & A, Kamer, 5 februari 2000, p. 6996-6997).

De lijst "bijkomende kosten" is vrij lang. In de administratieve commentaar worden geciteerd : "bijkomende kosten zoals invoerrechten en andere inklaringskosten, vervoerkosten, niet-aftrekbare BTW, installatiekosten (b.v. kosten van montage, van aansluiting aan energiebronnen enz.), kosten van studies, expertise, opmeting, plannen enz., honoraria van notarissen, architecten, registratie- of andere soortgelijke rechten enz., zelfs indien die kosten de intrinsieke waarde van die activa niet verhogen". (Com.IB. 61/67).

Concreet zou dit betekenen dat een ereloon van een architect, i.v.m. een verbouwing of een nieuwbouw, boekhoudkundig steeds te activeren en daarna ad libidum af te schrijven is.

Opgelet ! Afschrijven aan 100 % is niet hetzelfde als onmiddellijk in kosten boeken. Zo is een ereloonnota van 120 EUR bij een verkort boekjaar van 8 maanden niet voor 120 EUR, doch slechts voor 80 EUR, aftrekbaar! Voor boekhouders mag het geen onbekende zijn dat de fiscus veel belang hecht aan het respecteren van de regels van het boekhoudrecht.

Opdat er ook hier een flikkerlicht zou branden, raden wij aan in de naam van de rekening in tweede instantie melding te maken van de mate van aftrekbaarheid inzake directe belastingen (b.v. 75 %).

Conclusies

  • Boekhoudpakketten, die de niet-aftrekbare BTW onmiddellijk boeken op een 64-rekening, zijn fout en negeren art. 36, K.B. van 30 januari 2001.
  • Voor BTW-belastingplichtigen verdient het aanbeveling de niet-aftrekbare BTW op een tweede lijn te boeken. Zowel inzake BTW als inzake directe belastingen is dit handig.
  • Het verdient aanbeveling in de naam van de rekening melding te maken van de mate van aftrekbaarheid zowel inzake BTW als inzake directe belastingen.
  • Hetgeen hiervoor werd aangehaald geldt eigenlijk voor alle bijkomende kosten : registratierechten grond en/of gebouw, ereloon notaris, kosten notaris, ereloon architect, enz.
  • De bijkomende kosten zijn steeds - behoudens eventueel voor vrije beroepen - eerst te activeren en daarna af te schrijven of een minderwaarde te boeken (art. 64, K.B. van 30 januari 2001). Oprichtingskosten - b.v. 0,5 % of 12,5 % registratierechten bij inbreng - daarentegen kennen een totaal ander regime : art. 59 laat zowel de afschrijving ad libidum als de onmiddellijke boeking in kosten toe. In die zin vormen b.v. de kosten van een architect geen "ereloon" in de 61-groep maar een "bijkomende kost", die eerst te activeren is. Bovendien is hiervoor een opgave 325.50 en fiche 281.50 op te maken hetgeen in vele boekhoudpakketten ook vergeten wordt ! De gevolgen kunnen wel zwaar doorwegen.
  • Wegens de mogelijkheid om de bijkomende kosten zelfs aan 100 % af te schrijven is het nuttig deze "kost" op een afzonderlijke rekening te boeken (zie rekeningen 21 t.e.m. 27).
    Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:34:00
  • Navigatie
    • TERUG