Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 96 - 15.04.01 - Indiciaire belasting: familiebijstand als rechtvaardiging?

Editie nr 96 van 15 april 2001

Indiciaire belasting: familiebijstand als rechtvaardiging?

    Auteur :
    Xavier THIEBAUT

    Advocaat aan de Balie van Luik, Bours & Associťs

Ik denk, dus ik ben ; ik ben, dus ik benÖ belastbaar ; ik denk, dus ik ben belastbaar. Het syllogisme verrast vele oningewijden. Nochtans is het die conclusie die de Administratie voor de rechtbanken heeft kunnen opleggen op grond van artikel 341 W.I.B./1992 (belastingaanslag naar uiterlijke tekenen van rijkdom). De rechtspraak is evenwel nog verdeeld over de belastbare basis die in aanmerking genomen moet worden. Terwijl het Hof van Beroep van Antwerpen de forfaitaire beoordeling, die geen rekening wil houden met de concrete levensomstandigheden, weigert, is het Hof van Beroep van Luik meer ontvankelijk voor de eisen van de Administratie en zal het zelden een beoordeling betwisten die vastgelegd is op het bedrag dat door de wetgeving bepaald is inzake het minimum bestaansinkomen (beneden de welke de O.C.M.W.’s de verleende bijstanden niet terug kunnen vorderen). Het is enigszins verrassend dat deze drempels genomen worden als "gezinskosten" in plaats van het bedrag zelf van het minimum bestaansinkomen.

In deze context, zoals bij elke belasting naar uiterlijke tekenen van rijkdom, kan de belastingbetaler verplicht zijn als rechtvaardiging van het tekort een externe bijstand in te roepen van zijn gezin in het bijzonder. Volgens de zaken die door de rechtbanken besloten zijn, kan men een typologie opstellen van de argumenten die voor de belastingbetaler gunstig of ongunstig zijn.

1.Ongunstige elementen

a)Het verloop van een aanzienlijke termijn tussen de aangeboden bijstand en het gebruik ervan

Herhaalde malen hebben de rechtbanken, om de eisen van de belastingbetaler af te wijzen, de nadruk gelegd op het verloop van een vrij aanzienlijke termijn tussen het ogenblik waarop de bijstand toegekend zou zijn en het ogenblik waarop hij door de belastingplichtige aangewend wordt.

Aldus beriepen belastingplichtigen zich op een gift van hand tot hand van 400.000 BEF die op 1 januari 1982 door de schoonvader van een van hen uitgevoerd werd ten voordele van de zoon van deze belastingplichtigen, en bevestigden ze dat deze bedragen in 1983 gebruikt werden voor de gezinslasten en andere uitgaven. De rechtvaardiging werd door het Hof van Beroep van Gent opzij geschoven: "Indien men het bestaan aanneemt van de gift van hand tot hand van de schoonvader aan de zoon van de eisers en indien men aanneemt dat deze gift, in tegenstelling tot de wil van de schenker, niet gedeponeerd werd in de naam van deze zoon of niet gebruikt werd voor kosten die ten voordele van deze zoon gemaakt werden, is het onwaarschijnlijk te veronderstellen dat de eisers die duidelijk vertrouwd zijn met en gebruik maken van de spaarmogelijkheden via financiŽle instellingen, een onproductief bedrag van 400.000 BEF voor henzelf gehouden zouden hebben voor een periode van minstens een jaar (1)

In een andere zaak beriep een belastingplichtige zich op een gift van hand tot hand die hem op 1 augustus werd toegekend om inbrengen op de lopende rekening in zijn vennootschap te rechtvaardigen. Het Hof van Beroep van Brussel heeft deze rechtvaardiging opnieuw verworpen met de opmerking dat er geen storting van 700.000 BEF op de lopende rekening geweest was doch wel verschillende opeenvolgende stortingen van zeer uiteenlopende bedragen die over een periode van drie maanden gespreid waren. (2)

b.Andere aankopen die ondertussen door lening gefinancierd werden

Als variante op het hierboven vermelde negatieve criterium kan de Administratie tevens opmerken dat de belastingplichtige tussen het ogenblik waarop de bijstand toegekend zou zijn en het ogenblik waarop deze bijstand aangewend zou zijn, een aankoop gefinancierd heeft met een lening. Het Hof van Beroep van Brussel heeft aldus kennis genomen van een geval van een belastingplichtige die een schenking inriep die hem vier jaar eerder door zijn schoonvader gedaan werd. Het Hof verwerpt het argument omdat het niet waarschijnlijk is dat een dergelijk kapitaal gedurende vier jaar onproductief gelaten werd door opeenvolgende personen, te meer daar de belastingplichtige ondertussen een gebouw aangekocht had dat met een lening gefinancierd werd, terwijl hij volgens het Hof de bedragen had kunnen gebruiken die hij ontvangen had.(3)

c.Weinig begoede schenker

Tevens hebben de rechtbanken om de eisen van de belastingplichtige af te wijzen, verschillende malen de beperkte financiŽle middelen van de schenker in aanmerking genomen. Aldus werd een schenking van 1.000.000 BEF weinig waarschijnlijk geacht aangezien de zogenaamde schenker, oom van de belastingplichtige, gepensioneerd monteur-timmerman was en uit hoofde daarvan een bescheiden pensioen van 14.000 BEF per maand ontving, terwijl hij noch een bankrekening had noch een spaarboekje en hij alleen het huis bezat waarin hij woonde.(4)

Ook al wordt dikwijls aangenomen dat de beperkte financiŽle middelen van de schenker de schenking onaannemelijk maken, betekent dit daarom nog niet dat de omgekeerde situatie - de rijkdom van de schenker-op zich zou volstaan om de realiteit van de schenking aan te tonen. Zo heeft bijvoorbeeld het Hof van Beroep van Antwerpen geweigerd een zogenaamde schenking van 2.000.000 BEF door de ouders van de belastingplichtige na de verkoop van onroerende goederen in aanmerking te nemen. Hun financiŽle mogelijkheden en hun verklaring volstonden volgens het Hof niet om aan te tonen dat de belastingplichtige werkelijk de vermeende (5) bedragen ontvangen had.

d)Hoedanigheid van de partijen

Hoewel in het algemeen aangenomen wordt dat het onder leden van eenzelfde familie niet gebruikelijk is dat normale bewijsstukken opgemaakt worden van elke financiŽle transactie, lening of schenking, toont de rechtspraak zich strenger wanneer de bijstand verleend wordt aan een naaste die handelaar is. Ook heeft het Hof van Beroep van Brussel geoordeeld dat het onwaarschijnlijk was dat een belastingplichtige handelaar bijstand van zijn broer aanvaard heeft zonder enig schriftelijk bewijs, terwijl hij toch moest weten dat een dergelijk bewijs voor de fiscus belangrijk is.(6)

e)Verklaring a posteriori

Het is evident dat de rechtbanken weinig waarde hechten aan verklaringen die a posteriori door de zogenaamde schenkers werden opgemaakt.(7)

Het Hof van Beroep van Gent heeft in twee arresten (8) kennis genomen van een enigzins meer gesofistikeerde veronderstelling: de belastingplichtigen hadden, om logisch te blijven, de schenking aangegeven in een aanvullende aangifte bij de successierechten van de overleden schenker. Op basis van deze "spontane" verklaringen werden successierechten op de schenkingen geŽist. De belastingplichtige hoopte zich aldus te beroepen op een soort erkenning van de schenking door de Administratie.

Dit ging niet door: volgens het Hof "kan het feit dat de verschuldigde successierechten betaald werden.. op de zogenaamde schenking, geen bewijs leveren van het bestaan ervan; de weigering deze bedragen in de balans van activa op te nemen wijst niet op een arbitraire beslissing of inconsequentie, daar het bepalen van de successierechten steunt op een aangifte, terwijl de aanvrager, naar aanleiding van een belastingaanslag naar uiterlijke tekenen van rijkdom, het bewijs van het tegendeel moet leveren door middel van positieve en controleerbare elementen".

Er dient evenwel de nadruk gelegd te worden op het feit dat in beide zaken de aanvullende aangifte bij de successierechten gedaan werd in de loop van het geschil zodat ze dus nogal berekend overkwamÖ

2.Gunstige argumenten

De ongunstige argumenten die hierboven bestudeerd werden, kunnen uiteraard, indien hun tegendeel bekeken wordt, gunstige argumenten worden. Wij hebben evenwel gezien dat de benadering door de rechtbanken veeleer gebeurt op basis van een geheel van elementen in plaats van een enkel geÔsoleerd feit (zie hierboven het argument in verband met de financiŽle middelen van de schenker).

a)De nabijheid in de tijd van de bijstand en haar aanwending

De quasi gelijktijdigheid van de bijstand en de uitgaven die ermee gedaan worden is een argument dat pleit voor de oprechtheid van de bijstand waarop men zich beroept. In een arrest van 6 april 1992 had het Hof van Beroep van Antwerpen kennis genomen van een rechtvaardiging in de vorm van drie leningen. Naast andere elementen heeft het Hof, om deze rechtvaardiging goed te keuren, geoordeeld dat "op het ogenblik van het sluiten van de aangevoerde leningen, een zeker aantal uitgaven door de eisers gedaan werden en er op hun bankrekeningen stortingen werden uitgevoerd".(9)

b)Spoor van uitvoering

Een van de elementen dat vaak van kapitaal belang zal zijn bij het aantonen door de belastingplichtige, is dat van de sporen die in tempore non suspecto nagelaten zijn van de aangebrachte bijstand.

Het Hof van Beroep van Antwerpen heeft aldus in een arrest van 23 maart 1999 kennis genomen van een vrij uitzonderlijk geval.
De Administratie had een aanslag opgesteld op een tekort naar uiterlijke tekenen van rijkdom van meer dan 34.500.000 BEF !

De belastingplichtigen van Indische nationaliteit konden voor het Hof aantonen dat de echtgenoot een bruidsschat van hetzelfde bedrag gekregen had ( op enkele duizenden franken na) waarvan de gevolgde weg gemakkelijk kon nagetrokken worden aan de hand van voorgelegde bankuittreksels.(10)

Hetzelfde Hof had eveneens drie leningen als bewijs aangenomen voor een tekort naar uiterlijke tekenen van rijkdom. Er was geen spoor van het afsluiten van de lening zelf, maar wel sporen van de terugbetaling ervan.(11)

c)Staat van rijkdom van de schenker

Hierboven hebben wij gezien dat de staat van rijkdom van de schenker geen element was dat op zich het reŽel karakter van de bijstand kon aantonen.

Toch is het zo dat de rechtbanken deze omstandigheid herhaalde malen in aanmerking hebben genomen om de eis van de belastingplichtige als geloofwaardig te beschouwen.

Aldus heeft het Hof van Beroep van Bergen in zijn arrest van 21 mei 1999 als rechtvaardiging van een tekort naar uiterlijke tekenen van rijkdom een gift van hand tot hand ten bedrage van 1.800.000 BEF aanvaard die gedaan werd door de grootmoeder van de belastingplichtige. Het bewijs werd geleverd door een geschreven stuk dat door de schenkster werd opgemaakt en waarin ze de verklaring bevestigt die oorspronkelijk door de belastingplichtige werd opgemaakt om zijn eis te ondersteunen. Uit hoofde van die documenten oordeelt het Hof van Beroep van Bergen "dat het aan de Administratie is, die de inhoud van de bovengenoemde documenten betwist, om het bewijs van hun onwaarheid of onjuistheid te leveren; dat men in dit verband moet constateren:

  • dat (de fiscus) zelf het financiŽle vermogen (van de grootmoeder) om een gift van hand tot hand ten bedrage van 1.800.000 BEF te doen, als "aannemelijk" aanvaard heeft, en dit rekening houdend met de kapitalen die bij de vorige verkoop van diverse gebouwen geÔnd werden;
  • dat (de fiscus) zich ertoe beperkt de afwezigheid van elk spoor van bankoverschrijving in te roepen terwijl bekend is dat het houden van grote bedragen in contanten vaak voorkomt bij oudere personen en personen in de sociale omstandigheden van de grootmoeder, zodanig dat deze omstandigheid hier geen aanleiding geeft tot enig vermoeden waardoor de bewijskracht van het document waarop de belastingplichtige zich beroept, in het gedrang zou komen".(12)

Tenslotte is het zeker niet nutteloos eraan te herinneren dat de hulp die door een verwante verleend wordt, voor deze laatste eveneens een "teken van welstand" kan zijn. Deze schenker moet dus de middelen kunnen rechtvaardigen die hem in staat stellen deze schenking te doen, anders loopt hij het risico dat hij ervoor belast wordt in plaats van de begiftigde.

1. Gent, 5 juni 1990, Bull. Bel. 1991, nr. 709, blz. 2252
2. Brussel, 23 april 1991, Bull. Bel., 1993, nr 723, blz. 72
3. Brussel, 5 juni 1990, F.J.F., nr. 90/226
4. Brussel, 9 oktober 1990, Bull. Bel. 1992, nr. 714, blz. 872; zie ook Antwerpen, 16 december 1991, Bull. Bel. 1993, nr. 723, blz. 113).
5. Antwerpen, 23 juni 1998, F.J.F., nr. 99/54
6. Brussel, 24 september 1991, Bull. Bel. 1993, nr. 723, blz. 76
7. Zie bijvoorbeeld, Brussel 9 oktober 1990, Bull. Bel. 1992, nr. 714, blz. 872
8. Gent, 29 november 1988, Bull. Bel., 1992, nr. 719, blz. 2194; Gent, 11 december 1990, F.J.F., nr. 91/65
9. Antwerpen, 6 april 1992, Bull. Bel. 1993, nr. 729, blz. 1797
10. Antwerpen, 23 maart 1999, F.J.F., nr. 99/197
11. Antwerpen, 6 april 1992, Bull. Bel., 1993, nr. 729, blz. 1797
12. Bergen, 21 mei 1999, F.J.F., nr. 99/199; zie ook Luik, 17 februari 1999, F.J.F., nr. 99/174.

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:34:00