Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 94 - 15.03.01 - De vestigingswet voor zelfstandigen ...

Editie nr 94 van 15 maart 2001

De toegang tot het beroep en de zelfstandigen, van de ene hervorming naar de andere...

    Auteurs :
    Joëlle TYBERGHEIN
    Rodolphe GAMBINI

    Advocaten

Iedereen weet, of zou moeten weten, dat men in België bepaalde beroepen niet mag uitoefenen zonder voorafgaandelijk een minimum aan vaardigheden te bewijzen.

Deze materie wordt beheerd door de regels van de toegang tot het beroep. Die regels zijn van primordiaal belang, want in geval van niet-naleving kunnen ze de dromen van menig toekomstig bedrijfsleider stukslaan!

De voorbije jaren heeft die reglementering een diepgaande hervorming gekend die evenwel nog niet voltooid is. In dit korte artikel zullen we trachten een stand van zaken te schetsen van de huidige situatie.

1.De evolutie van de reglementering inzake de toegang tot het beroep

1.1. Vanwaar een reglementering inzake de toegang tot het beroep?

De vereisten inzake de toegang tot het beroep hebben als ultieme doelstelling aan diegene die een zelfstandig beroep wenst uit te oefenen de mogelijkheid te bieden om dat op een succesvolle wijze te doen. Er moet vermeden worden dat starters mislukken.

Toch stellen we nog vast dat nagenoeg de helft van de nieuwe ondernemingen de kaap van de eerste vijf jaar niet haalt.
Dat is vaak een persoonlijk en financieel drama voor die oprichters die doorgaans al hun spaarcenten hebben geïnvesteerd en daarvoor geld hebben geleend, waarvoor ze soms waarborgen zijn gaan zoeken bij de familie.

De doelstelling van de regels inzake de toegang tot het beroep is eveneens het verzekeren van een kwaliteitsgarantie aan de consument. Zodoende zal deze vertrouwen blijven schenken aan de betrokken beroepen.

1.2. Welke waren de gereglementeerde beroepen vóór de inwerkingtreding van de programmawet tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap?

43 beroepen hebben het voorwerp uitgemaakt van een specifieke reglementering op basis van de wet van 24 december 1958 en van 15 december 1970.

Voor 42 van de beroepen, diende de verzoeker technische bekwaamheden en een basiskennis van het bedrijfsbeheer te bewijzen. Voor één daarvan (de kleinhandel) diende de verzoeker alleen een basiskennis van het bedrijfsbeheer te bewijzen.

Elk van die beroepen heeft het voorwerp uitgemaakt van een bijzonder koninklijk besluit:

Aannemer schrijnwerker en timmerman; installateur van centrale verwarming; aannemer van plafonneerder-cementeerder; aannemer van schilderwerken; behanger-plaatser van muur- en vloerbekleding; aannemer van metselwerken en betonwerken; aannemer van vloerwerken; elektrotechnisch installateur, aannemer van glaswerken; installateur van sanitair en loodgieterswerken; installateur van gasverwarming door individuele toestellen; aannemer van zinkwerken en metalen bedekkingen van bouwwerken; aannemer van niet-metalen bedekkingen van bouwwerken; aannemer voor het waterdichtmaken van bouwwerken; aannemer van sloopwerken; molenaar; handelaar in inheemse granen; handelaar in veevoer en stro; fietsenmaker; bromfietsenmaker; motorfietsenmaker; garagist-hersteller; handelaar in tweedehands wagens; carrossier-hersteller; aannemer steenkapper; aannemer marmerbewerker; kleinhandelaar in vaste brandstoffen; kleinhandelaar in vloeibare brandstoffen; kapper; grossier in vlees-slachtvlees; opticien; fotograaf; horlogemaker-hersteller; specialist in gebitsprothesen; installateur koeltechnicus, stomer-verver, wasser; begrafenisondernemer; fabrikant-installateur van lichtreclames; restaurateur of traiteur-banketaannemer; brood- en banketbakker; schoonheidsspecialist

1.3. Waarom een "programmawet tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap "?

De KMO’s worden terecht beschouwd als ondernemingen met een fors potentieel qua groei en tewerkstelling. De wetgever heeft bijgevolg naar een geïntegreerde actie gestreefd die betrekking heeft op diverse materies, met de bedoeling het concurrentievermogen van de ondernemingen te versterken.

Bijgevolg diende onder andere het slaagpercentage van de starters te worden verhoogd door het voorbereidingspercentage van de starters te verbeteren.

Voor wat betreft de reglementering van de toegang tot de zelfstandige beroepen, werd dat uitgedrukt door:

  • de modernisering van de reglementering inzake de toegang tot het beroep
  • de regelmatige evaluatie van de zelfstandige beroepen
  • de betrokkenheid van de professionele en de interprofessionele organisaties bij de procedures
  • de erkenning van het belang van de ondernemingsvaardigheden, inzonderheid door de veralgemening van de vereiste inzake de basiskennis van het bedrijfsbeheer en door de vereisten inzake de beroepsbekwaamheid
  • de erkenning van het belang van de praktische ervaring voor de toetreding tot de gereglementeerde beroepen.

De programmawet herneemt als definitie van de Belgische KMO, de definitie van de "kleine onderneming" zoals gegeven door de Europese Commissie.

Er werden drie cumulatieve criteria geselecteerd voor de definiëring van de KMO in de zin van de programmawet:

  • het criterium van "tewerkstelling": het gemiddeld aantal werknemers bedraagt op jaarbasis niet meer dan 50 (de berekeningswijze is gebaseerd op de arbeidseenheden per jaar - voltijdse arbeidsequivalenten, zijnde het aantal gedurende een jaar voltijds werkende werknemers, waarbij deeltijdsen en seizoenarbeiders in fracties van arbeidseenheden per jaar uitgedrukt worden);
  • het criterium van "jaaromzet" (die niet meer dan 7 miljoen ECU mag bedragen) of van het "balanstotaal" (dat niet meer dan 5 miljoen ECU mag bedragen);
  • het criterium van de "economische onafhankelijkheid": niet meer dan 25% van de aandelen of deelbewijzen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen of van de eraan verbonden stemrechten mogen in het bezit zijn van één of meerdere ondernemingen, andere dan KMO’s.

Het referentiejaar voor de criteria van "tewerkstelling" en "omzet of balanstotaal" is het laatste afgesloten volledige boekjaar (= 12 maanden). Een onderneming verliest de hoedanigheid van KMO indien ze gedurende twee opeenvolgende boekjaren niet meer beantwoordt aan het criterium van tewerkstelling, jaaromzet of balanstotaal.

De ondernemingen die niet beantwoorden aan die definitie, worden bijgevolg niet beschouwd als KMO’s. De regels van toegang tot het beroep, zoals wij die hier zullen beschrijven, zijn bijgevolg niet van toepassing op hen.

2. De basiskennis van het bedrijfsbeheer

2.1. Veralgemening van de vereiste van de basiskennis van het bedrijfsbeheer

Tijdens de voorbereidende werkzaamheden van de programmawet heeft de wetgever de volgende vaststelling gedaan:

  • 30% van de faillissementen worden veroorzaakt door onvoldoende vaardigheden op het vlak van bedrijfsbeheer;
  • 60% van de faillissementen hebben betrekking op ondernemingen jonger dan 5 jaar.

Bijgevolg dient een inspanning te worden geleverd ten overstaan van de startende ondernemers. Naast de beroepsbekwaamheden dient de starter te beschikken over een solide kennis inzake bedrijfsbeheer.

De wet van 10 februari 1998 heeft bijgevolg de vereisten inzake de basiskennis van het bedrijfsbeheer veralgemeend en heeft die uitgebreid naar alle handels- en ambachtsberoepen. Aldus moet elke KMO, natuurlijke persoon of rechtspersoon die een activiteit uitoefent die in het handels- of ambachtsregister moet worden ingeschreven, bewijzen over de basiskennis van het bedrijfsbeheer te beschikken.

Er is één uitzondering voorzien:

  • voor de gereglementeerde beroepen inzake de basiskennis van het bedrijfsbeheer krachtens een wet (bedrijfsrevisoren, accountants, fiscale adviseurs, boekhouders, boekhouders-fiscalisten);
  • voor de intellectuele beroepen gereglementeerd op basis van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen (makelaars, beëdigde landmeters).

2.2. Hoe de basiskennis van het bedrijfsbeheer bewijzen?

Het bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer wordt geleverd door één van de volgende elementen:

  • het bezit van één van de akten die daartoe door de Koning zijn aangeduid;
  • het bezit van een stagegetuigschrift (van zodra het systeem wordt toegepast);
  • het bezit van een voldoende praktijkervaring in een beheersfunctie onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden;
  • een ander bewijsmiddel waarvan de bewijswaarde volgt uit internationale verplichtingen van België.

2.2.1. Bewijs op basis van een akte

Het koninklijk besluit van 21 oktober 1998 heeft de akten gedefinieerd die beschouwd moeten worden als voldoende bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer. Noteer dat er vier grote categorieën bestaan:

  • het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer, uitgereikt in of door: het algemeen of technisch secundair onderwijs, het kunstsecundair onderwijs of het beroepssecundair onderwijs, de centrale examencommissies van de Gemeenschappen of van het Ministerie van Middenstand, de centra voor middenstandsopleiding naar aanleiding van een opleiding tot ondernemingshoofd en het onderwijs voor sociale promotie;
  • ieder diploma van het hoger onderwijs;
  • een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene met vrucht een versnelde cursus van ten minste 128 uren van bedrijfsbeheer heeft gevolgd, gespreid over ten minste drie maanden;
  • ieder diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomstig internationale verdragen als gelijkwaardig met die welke hierboven werden genoemd moeten worden beschouwd of die gelijkwaardig worden verklaard door de bevoegde overheid.

Er is een overgangsbepaling voorzien voor akten die als voldoende bewijs van basiskennis van bedrijfsbeheer zullen worden aanvaard, wanneer zij werden bekomen vóór 30 september 2000.

Tot die akten die bij wijze van overgang zullen aanvaard worden als voldoende middelen, behoren:

  • een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs met volledig leerplan van de onderwijsvormen: algemeen, technisch of kunstsecundair;
  • een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs met volledig leerplan van de onderwijsvorm beroepssecundair, voor zover deze akte is afgegeven in een afdeling handel, boekhouding of verkoop.

Een akte die niet vermeld zou zijn in het koninklijk besluit van 21 oktober 1998 kan tenslotte beschouwd worden als voldoende na verificatie door de Minister van Middenstand.

2.2.2. Bewijs van basiskennis van bedrijfsbeheer op basis van praktijkervaring

De voorwaarden die gesteld worden voor het in aanmerking nemen van de praktijkervaring variëren naargelang van de hoedanigheid van diegene die het bewijs levert van die basiskennis van bedrijfsbeheer.

Er dient immers op gewezen te worden dat het bewijs van basiskennis van bedrijfsbeheer niet verplicht door het ondernemingshoofd in persoon dient geleverd te worden maar ook geleverd kan worden door derden die actief zullen zijn in de onderneming.

2.2.3. De stagiair-zelfstandige

Teneinde diegenen die niet beschikken over de vereiste vorming of ervaring de mogelijkheid te bieden om toch te genieten van een adequate voorbereiding, werd een nieuwe stageformule bedacht.

De personen die minstens 18 jaar zijn, kunnen bijgevolg een stage volbrengen bij een stagemeester-zelfstandige die ten minste vijf jaar in de betrokken sector gevestigd is in hoofdberoep.

De relatie tussen de stagemeester en de stagiair komt concreet tot uiting in een contract van onbepaalde duur waardoor de eerste zich ertoe verbindt om de tweede op te leiden met het oog op het verwerven van de ondernemingsvaardigheden van de betrokken activiteit en waardoor de tweede zich ertoe verbindt om die ondernemingsvaardigheden te verwerven door een praktische opleiding in de hoedanigheid van helper of door een theoretische opleiding op het vlak van de beroepsbekwaamheid, en om een theoretische opleiding te volgen inzake de basiskennis van het bedrijfsbeheer.

Het contract van stagiair-zelfstandige moet ter goedkeuring worden overgemaakt aan de Kamer van Ambachten en Neringen van de provincie, ten laatste 14 dagen vóór de aanvangsdatum daarvan.

De stage heeft een minimale duur van 12 maanden. De Koning kan de duur van de stage verlengen met maximum 18 maanden voor sommige beroepsactiviteiten in functie van de complexiteit ervan. De maximumduur van de stage bedraagt bijgevolg 30 maanden.

2.3. Wie kan het bewijs leveren van de basiskennis van het bedrijfsbeheer?

Wanneer de beroepsactiviteit uitgeoefend wordt door een natuurlijke persoon, kan het bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer geleverd worden door:

  • het ondernemingshoofd zelf;
  • zijn echtgenoot;
  • zijn partner met wie hij minstens drie jaar samenwoont;
  • de persoon die het dagelijkse beheer daadwerkelijk uitoefent;
  • een zelfstandige helper;
  • een werknemer;

Wanneer de beroepsactiviteit uitgeoefend wordt door een rechtspersoon, door de persoon die het dagelijks bestuur in die rechtspersoon daadwerkelijk uitoefent of in de rechtspersoon die de eerste rechtspersoon bestuurt.

Zelfs indien er projecten in die zin bestaan, kan het bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer nog steeds niet geleverd worden door een externe raadgever zoals een boekhouder of een accountant, bijvoorbeeld (zie aanvulling).

2.4. Inwerkingtreding en overgangsregels

De veralgemeende vereiste inzake de basiskennis van het bedrijfsbeheer voor elke KMO (natuurlijke persoon of rechtspersoon) die zich wenst in te schrijven in het handels- of ambachtsregister is in werking getreden op 1 januari 1999.

Diegenen die, op het ogenblik van de publicatie van de programmawet in het Belgisch Staatsblad, ingeschreven waren in het handels- of ambachtsregister, zijn vrijgesteld van het bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer.

De personen (natuurlijke personen of rechtspersonen) die zich in het handels- of ambachtsregister hebben ingeschreven tussen de datum van publicatie van de programmawet (dat wil zeggen 21 februari 1998) en 1 januari 1999, datum van inwerkingtreding van de veralgemeende vereiste van de basiskennis van het bedrijfsbeheer, worden geconfronteerd met een probleem.

3. De Beroepsbekwaamheid

Naast een basiskennis van het bedrijfsbeheer veronderstellen de regels van toegang tot het beroep in bepaalde gevallen het bewijs van een beroepsbekwaamheid.

De beroepsbekwaamheid, die grondig werd gewijzigd ingevolge de stemming van de programmawet, is voortaan verdeeld in twee categorieën: de intersectorale beroepsbekwaamheid en de sectorale beroepsbekwaamheid.

3.1. De intersectorale beroepsbekwaamheid

De intersectorale beroepsbekwaamheid vormt één van de grote nieuwigheden ingevoerd door de programmawet tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap. Het betreft een geheel van gemeenschappelijke vereisten voor de uitoefening van de beroepsactiviteiten die behoren tot eenzelfde interprofessionele categorie.

3.1.1. Opstellen van de intersectorale categorieën en evaluatie van de gereglementeerde beroepen

Na het voorwerp te hebben uitgemaakt van een evaluatie, zullen de gereglementeerde beroepen door de Koning gegroepeerd worden in 4 intersectorale categorieën. De volgende categorieën werden geselecteerd:

  • de voeding;
  • de persoonsverzorging;
  • de bouw;
  • de technische beroepen.

De gereglementeerde beroepen (op basis van de wetten van 24 december 1958, van 15 december 1970 en van 10 februari 1998) zullen regelmatig geëvalueerd worden en minstens één maal om de zeven jaar. Op basis van die evaluatie zal de Koning de vereisten inzake de beroepsbekwaamheid opheffen, aanpassen, uitbreiden of beperken tot de intersectorale beroepsbekwaamheid.

Bij de evaluatie van de beroepen zullen minstens de volgende criteria worden gehanteerd:

  • de noodzaak aan kwaliteitsgaranties ten behoeve van de consument;
  • de bestaande onderwijs- en vormingsmogelijkheden, inzonderheid op het vlak van permanente vorming, en hun territoriale spreiding;
  • de technologische evolutie binnen de sector;
  • de bestaande beroepsreglementering in de andere Lidstaten van de Europese Unie;
  • de wetten en reglementaire besluiten die specifiek van toepassing zijn op de betrokken sector;
  • de toepassing op sectoraal of intersectoraal niveau van de wettelijk voorziene stagemogelijkheden.

In de praktijk worden de volgende elementen eveneens in aanmerking genomen:

  • aantal ondernemingen in het betrokken beroep;
  • aantal startende zelfstandigen;
  • aantal afgeleverde vestigingsattesten;
  • aantal werknemers in het beroep;
  • bedrag van de vestigings- en ontwikkelingskosten.

3.1.2. Reglementering van de intersectorale categorie van de bouw

In 1999 is een koninklijk besluit "tot bepaling van de uitoefeningsvoorwaarden van zelfstandige beroepswerkzaamheden die behoren tot de intersectorale categorie van de bouw" tot stand gekomen.

Dit koninklijk besluit had enige verduidelijking moeten brengen inzake het begrip van "intersectorale beroepsbekwaamheid" (de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 10 februari 1998 zijn immers vrij bondig voor wat betreft de concrete toepassing van de intersectorale beroepsbekwaamheid).

De vraag blijft evenwel hangende aangezien tengevolge van praktische moeilijkheden die zijn opgetreden bij de toepassing van de nieuwe reglementering, een koninklijk besluit van 2 oktober 2000 het besluit inzake de intersectorale categorie van de bouw heeft ingetrokken.

3.2. Wie kan de beroepsbekwaamheid bewijzen?

Het bewijs van de beroepsbekwaamheid kan geleverd worden door dezelfde personen als inzake de basiskennis van het bedrijfsbeheer.

Dat zijn:

  • de verzoeker;
  • de persoon die de dagelijkse technische leiding van de onderneming of van de beroepsactiviteit waarvoor beroepsbekwaamheid is vastgesteld, daadwerkelijk uitoefent.

Wanneer de onderneming verscheidene gereglementeerde activiteiten uitoefent, kan het bewijs van de beroepsbekwaamheden geleverd worden door:

  • de persoon die instaat voor de leiding van de onderneming;
  • door verschillende personen die het bewijs van hun beroepsbekwaamheden leveren voor een welbepaalde materie.

Een KMO die verschillende activiteiten uitoefent, die het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke reglementering inzake de toegang tot het beroep, moet houder zijn van een geldig vestigingsattest voor al die beroepen.

3.3. Hoe het bewijs leveren van die beroepskennis?

Het bewijs van de beroepsbekwaamheid, zowel sectoraal als intersectoraal, wordt geleverd door:

  • het bezit van één van de akten die daartoe door de Koning zijn aangeduid;
  • het bezit van een stagegetuigschrift;
  • het bezit van een voldoende praktijkervaring in een beheersfunctie onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden;
  • een ander bewijsmiddel waarvan de bewijswaarde volgt uit internationale verplichtingen van België.

4. Het bekomen van het attest waaruit blijkt dat voldaan werd aan de vereisten vastgesteld inzake ondernemingsbekwaamheid

De vestigingsaanvraag dient te worden gedaan bij de Kamer van Ambachten en Neringen van de provincie waar de beroepsactiviteit voor het eerst zal uitgeoefend worden.

Het is in principe het bureau van de Kamer van Ambachten en Neringen dat het vestigingsattest aflevert. De secretaris van de Kamer zal het attest afleveren in plaats van het bureau in de veronderstellingen die geen grondig onderzoek van de aanvraag vereisen:

  • wanneer een natuurlijke persoon die in het bezit is van een attest zijn beroepsactiviteit in een vennootschap inbrengt;
  • wanneer de attestaanvraag geschiedt op basis van een diploma of op basis van een stagegetuigschrift;
  • wanneer de verzoeker reeds het bewijs heeft geleverd dat hij voldoet aan de vereisten inzake de basiskennis van het bedrijfsbeheer op basis van de voormalige wetgeving.

Noteer nog dat in geval van voorzetting van de activiteit door de overlevende echtgenoot of door de overlevende samenwonende partner, het bekomen van een vestigingsattest geschiedt met de vrijstelling van het leveren van het bewijs van de ondernemingsvaardigheden.

Tenslotte, in geval van overdracht van de onderneming:

  • de overnemer beschikt over een termijn van één jaar om het bewijs van zijn bekwaamheden te leveren;
  • de termijn wordt op 3 jaar gebracht wanneer de overname geschiedt door de kinderen van het overleden ondernemingshoofd, en deze zelf het bewijs van zijn ondernemingsvaardigheden heeft geleverd.

Het wetsvoorstel van senator de Clippele

Een wetsvoorstel van Senator Olivier de Clippele, ondersteund door het B.I.B.F. gaat in de richting van een wijziging van de programmawet voor wat betreft de voorwaarden voor de toegang tot het beroep, nodig om als zelfstandige een beroepsactiviteit te starten.

Het wetsvoorstel wil de huidige verplichting wijzigen voor elke ondernemer om een attest te leveren dat zijn basiskennis van bedrijfsbeheer garandeert alvorens hij zijn activiteit kan starten.

Het alternatief geboden door het nieuwe wetsvoorstel bestaat erin dat zo’n attest niet langer dient te worden geleverd maar dat de start van de activiteiten wordt toegestaan op voorwaarde dat de onderneming, gedurende de eerste drie boekjaren, een beroep doet op de diensten van een erkend boekhouder, van een erkende accountant of van een erkende bedrijfsrevisor.

Die diensten groeperen verschillende elementen.

  • Enerzijds de ondersteuning bij het opmaken van de historiek van de boekhouding, het bijhouden van de door de wet vereiste boeken, de fiscale en sociale aangiften, de voorbereiding van de jaarrekeningen, de balans en de bijlagen van de balans voor de rechtspersonen.
  • Anderzijds, de ondersteuning bij het invoeren van praktische boekhoudkundige hulpmiddelen.

Het bewijs van de indienstneming zal geschieden door middel van een schriftelijke verklaring van de beroepsboekhouders waardoor ze hun opdracht aanvaarden.

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:34:00
Navigatie
  • TERUG