Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 133 - 31.12.02 - Wet betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand
PA F 131

Editie nr 133 van 31 december 2002

De Wet betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties

    Auteurs:
    Mter Françoise LEFEVRE
    Mter Johan VERBIST

Essentiële punten

De wet is van toepassing op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties (ze is niet van toepassing op faillissementsprocedures en procedures van gerechtelijk akkoord).

Behoudens uitdrukkelijke tegenstrijdige bepaling, moet iedere betaling worden doorgevoerd binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de factuur, van de goederen of de aanvaarding van de goederen.

Behoudens tegenstrijdige bepaling, dient de in gebreke blijvende schuldenaar van rechtswege en zonder ingebrekestelling een interest te betalen gebaseerd op de referentie-interestvoet van de ECB en actueel 10,5% bedragend.

De schuldeiser kan bovendien terugbetaling bekomen van een redelijke schadeloosstelling voor alle gedragen invorderingskosten.

Iedere tegenstrijdige contractuele bepaling kan worden herzien door de rechter wanneer deze een kennelijke onbillijkheid vormt ten opzichte van de schuldeiser.

De wet is in werking getreden op 2 augustus 2002 en is van toepassing op alle contracten gesloten, vernieuwd of verlengd na 7 augustus 2002 en, in ieder geval, op alle lopende overeenkomsten vanaf 7 augustus 2004.

1. Inleiding

De Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties heeft tot doel de omzetting van de richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties.

De interesse van de Europese instanties voor dit onderwerp gaat terug tot 1993 wanneer het Europees Parlement een resolutie heeft aangenomen met betrekking tot de Europese markt van de onderaanneming en met betrekking tot de deelneming van de kleine en middelgrote ondernemingen aan de overheidsopdrachten. Het Parlement was immers van oordeel dat men een oplossing moest vinden voor het specifieke probleem waarmee de markt van de onderaanneming geconfronteerd werd, meer bepaald dat van de betalingsachterstand bij handelstransacties.

Als gevolg van deze resolutie heeft de Europese Commissie op 12 mei 1995 een aanbeveling over de betalingstermijnen bij handelstransacties opgesteld aangezien de betalingsachterstand een risico vormde voor het financiële evenwicht en de overlevingskansen van ondernemingen. Omwille van de duur van de betalingstermijnen die een weerslag hebben op het juridische en financiële klimaat van ondernemingen, wogen zware administratieve en financiële lasten op de ondernemingen en meer bepaald op de KMO’s die op dit punt beschouwd worden als benadeeld in vergelijking met de grote ondernemingen.

Bovendien werden tussen de lidstaten belangrijke verschilpunten vastgesteld, van die aard dat ze de goede werking van de interne markt belemmeren. Dit is de reden waarom de Commissie in haar aanbeveling van 12 mei 1995 de nadruk had gelegd op de noodzaak om een, grotere transparantie te bevorderen in de termijnen toepasselijk tussen contractspartijen, op de aanmoediging van het eerbiedigen van de overeengekomen termijnen en op de verbetering van de informatie en de vorming van ondernemingen.

Het Europees Parlement heeft op 4 juli 1996 een nieuwe resolutie aangenomen waarin het er bij de Commissie op heeft aangedrongen dat zij haar aanbeveling zou omzetten in een voorstel tot richtlijn.
Een evaluatie doorgevoerd in 1997 bracht aan het licht dat de aanbeveling slechts een matig succes had gekend en dat het merendeel van de landen quasi niets had ondernomen. Integendeel, uit de statistieken bleek dat de gemiddelde duur van de betalingstermijnen in 1996 was toegenomen.

De Commissie heeft vervolgens een voorstel tot richtlijn opgesteld dat, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, niet tot doel had een volledige harmonisatie te verwezenlijken van de nationale wetgevingen maar wel de vaststelling van een bepaald aantal minimale vereisten, dit alles in een poging van de lidstaten een wederzijdse erkenning van hun interne wettelijke bepalingen te verkrijgen. Dit voorstel heeft geleid tot de richtlijn van 29 juni 2000 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties, die bij huidige wet wordt omgezet.

2. Toepassingsgebied

De Wet van 2 augustus 2002 is van toepassing op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties.

De wetgever definieert :

-een handelstransactie als iedere transactie tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en aanbestedende overheden of aanbestedende diensten die leidt tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding;
-een onderneming als elke organisatie die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze door slechts één persoon wordt uitgeoefend;
-een aanbestedende overheid of aanbestedende dienst als elke overheid of elke dienst bedoeld in de Wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.

Het toepassingsgebied van de wet wordt beperkt ratione personae.

-de wet is aldus van toepassing:

  • niet alleen op handelaars in de zin van het Wetboek van Koophandel, maar ook, bijvoorbeeld, op beoefenaars van een vrij beroep, ambachtslieden en landbouwondernemingen;
  • op transacties tussen ondernemingen en aanbestedende overheden, zonder daarbij achter afbreuk te doen aan de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 26 september 1995 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheids-opdrachten en van de concessies voor openbare werken. In het geval dat dit koninklijk besluit van toepassing zou zijn op een transactie, primeren de bepalingen van het koninklijk besluit;

- daarentegen is de wet niet van toepassing op:

  • betalingen tot vergoeding van transacties met consumenten;
  • transacties tussen publieke overheden.

Het toepassingsgebied van de wet is eveneens beperkt ratione materiae.

- de wet is enkel van toepassing op:

  • betalingen tot vergoeding van handelstransacties;
  • transacties die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding en ze is aldus van toepassing op transacties die leiden tot het leveren van onroerende goederen, met inbegrip van de verhuur ervan;

- de wet is niet van toepassing op:

  • betalingen uitgevoerd ten titel van schadevergoeding, met inbegrip van de schadevergoedingen uitbetaald door verzekeringsmaatschappijen;
  • andere pecuniaire verplichtingen die hun oorsprong vinden in een handelstransactie, zoals de betaling van een vergoeding wegens verborgen gebreken of laattijdige levering; de vergoedende interest die de rechter kan toekennen op deze vergoedingen blijft onderworpen aan de principes die actueel van toepassing zijn op deze materie;
  • betalingen uitgevoerd uit hoofde van de wetgeving inzake cheques en wisselbrieven, aangezien de betalingsverplichting die daaruit voortvloeit onafhankelijk is van de onderliggende juridische verhouding.

Artikel 3 van de wet preciseert dat zij geen afbreuk doet aan de bijzondere regels inzake insolventieprocedures en in het bijzonder aan de bepalingen van de Faillissementswet van 5 augustus 1997, van de Wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord en van de titel IV "Collectieve schuldenregeling" en van het 5de deel van het Gerechtelijk Wetboek.

3. Over de betalingsachterstand bij handelstransacties

Artikel 4 van de Wet van 2 augustus 2002 bepaalt dat indien de partijen niet anders zijn overeengekomen met inachtneming van artikel 7, elke betaling tot vergoeding van een handelstransactie dient te gebeuren binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag volgend op die :
-van de ontvangst door de schuldenaar van de factuur of een gelijkwaardig verzoek tot betaling; of
-van de ontvangst van de goederen of diensten, indien de datum van ontvangst van de factuur of het gelijkwaardig verzoek tot betaling niet vaststaat of indien de schuldenaar de factuur of het gelijkwaardig verzoek tot betaling eerder ontvangt dan de goederen of diensten; of
-van de aanvaarding of controle ter verificatie van de conformiteit van de goederen of diensten met de overeenkomst, indien de wet of de overeenkomst voorziet in een procedure voor aanvaarding of controle en indien de schuldenaar de factuur of het gelijkwaardig verzoek tot betaling ontvangt vóór of op de datum waarop de aanvaarding of controle plaatsvindt.

Indien de partijen niet anders zijn overeengekomen, heeft de schuldeiser, wanneer de schuldenaar niet betaalt binnen de overeengekomen betalingstermijn of bij gebreke hieraan binnen de betalingstermijn van 30 dagen, vanaf de daaropvolgende dag, van rechtswege en zonder ingebrekestelling, recht op de betaling van een interest tegen de referentie-interestvoet vermeerderd met 7 procentpunten en afgerond tot het hogere halve procentpunt (artikel 5 van de wet).

De referentie-interestvoet is de interestvoet die door de Europese Centrale Bank wordt toegepast voor haar meest recente basisherfinancieringstransactie vóór de eerste kalenderdag van het betreffende half jaar in het geval de betrokken transactie wordt doorgevoerd in het kader van een vaste-rentetender. Ingeval de betrokken transactie wordt uitgevoerd door middel van een variabele-rentetender is de referentie-interestvoet de uit deze tender voortvloeiende marginale interestvoet, zowel bij toewijzingen op basis van een enkelvoudige rentevoet, als bij toewijzing op basis van een meervoudige rentevoet.

Bij de behandeling in het Parlement, en meer bepaald op het ogenblik van de voorstelling van het inleidend verslag van het Ministerie van Justitie op 27 juni 2002 was deze interestvoet 10,5 %.

Om redenen van transparantie zal de Minister van Financiën binnen de kortst mogelijke termijn de aldus bepaalde interestvoet, alsmede iedere wijziging van deze interestvoet, via een bericht in het Belgisch Staatsblad meedelen.

De wet wijkt aldus aanzienlijk af van de algemene regels van het artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek vermits wordt voorzien in een interestvoet die aanzienlijk hoger ligt en vermits wordt bepaald dat deze interest verschuldigd is van rechtswege en zonder ingebrekestelling te rekenen vanaf het verstrijken van de overeengekomen betalingstermijn of de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen.

Bovendien zal de in gebreke blijvende schuldenaar niet alleen de eventuele gerechtskosten moeten terugbetalen, maar eveneens een redelijke schadeloosstelling voor alle relevante invorderingskosten ontstaan door de betalingsachterstand (artikel 6 van de wet), op voorwaarde dat deze invorderingskosten voldoen aan de beginselen van transparantie en in verhouding staan tot de schuld in kwestie.

De Koning stelt het maximumbedrag vast van deze redelijke schadeloosstelling voor invorderingskosten voor verschillende schuldniveaus.

Afwijkende contractuele bepalingen met betrekking tot de betalingstermijn en de interestvoet beschreven in de artikels 4, 5 en 6 van deze wet zijn mogelijk, maar zij die een kennelijke onbillijkheid jegens de schuldeiser behelzen, kunnen op verzoek van de schuldeiser door de rechter worden herzien (artikel 7 van de wet).

Teneinde het kennelijk onbillijk karakter te beoordelen, zal de rechter alle omstandigheden in aanmerking nemen, met inbegrip van de eerlijke handelspraktijken en de aard van het product of de dienst. Hij zal in het bijzonder nagaan of de schuldenaar objectieve redenen heeft om af te wijken van deze bepalingen. De door de rechter bepaalde billijke voorwaarden kunnen echter aan de schuldeisers niet meer rechten verlenen dan deze waarover zij zouden beschikken krachtens de nieuwe wet.

Ieder beding dat strijdig is met de bepalingen van artikel 7 wordt voor niet-geschreven gehouden.

4. De procedures

De richtlijn vereiste dat de lidstaten erop zouden toezien dat de schuldeiser normaliter binnen een periode van 90 dagen na de instelling van zijn vordering een uitvoerbare titel zou verkrijgen voor onbetwiste schulden. De wetgever heeft geoordeeld dat het niet nodig was de Belgische wetgeving te wijzigen opdat deze zou beantwoorden aan de vereisten van artikel 5 van de richtlijn aangezien het Belgisch gerechtelijk recht reeds aan deze vereisten voldoet. De wetgever heeft inderdaad geoordeeld dat wanneer de schuldenaar de schuld niet betwist en geen procedureel bezwaar doet gelden, er normalerwijze geen probleem is om in België binnen de 90 dagen na de inleiding van de vordering bij de rechter een uitvoerbare titel te verkrijgen en dit dankzij de toepassing van het artikel 735 van het Gerechtelijk Wetboek.

De wet voorziet daarentegen in een vordering tot staking van het gebruik van bepaalde contractuele bedingen.

De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of, indien de vordering wordt ingesteld tegen handelaars of hun beroepsverenigingen, de voorzitter van de rechtbank van koophandel, kan het bestaan vaststellen en de staking bevelen van het gebruik van contractuele bedingen die een kennelijke onbillijkheid behelzen in de zin van artikel 7.

Deze vordering tot staking kan worden ingesteld op verzoek van belanghebbenden, de minister die voor de betrokken aangelegenheid bevoegd is en de beroepsregulerende overheid of een beroepsvereniging met rechtspersoonlijkheid.

De vordering tot staking wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding.

5. Het eigendomsvoorbehoud

Artikel 4 van de richtlijn vermeldde dat de lidstaten ervoor moesten zorgen om, in overeenstemming met de nationale bepalingen die ingevolge het internationaal privaatrecht van toepassing zijn, dat de verkoper eigenaar blijft van de goederen totdat de prijs volledig is betaald, wanneer tussen koper en verkoper vóór de levering van de goederen uitdrukkelijk een beding van eigendomsvoorbehoud is overeengekomen.

De wetgever heeft geoordeeld dat de richtlijn niet tot doel had de nationale wettelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van het eigendomsvoorbehoud te harmoniseren, maar enkel ervoor te zorgen dat één lidstaat het recht van een andere lidstaat op het gebied van het eigendomsvoorbehoud zou toepassen wanneer zijn eigen regels van internationaal privaatrecht het recht van die andere lidstaat aanwijzen als het toepasselijk recht.

Teneinde aan deze vereiste te beantwoorden, diende noch het Belgische materieel recht, noch het Belgisch internationaal privaatrecht te worden gewijzigd. Bovendien vertoont het beding van eigendomsvoorbehoud vooral een belang in de insolventieprocedures, een materie uitgesloten van het toepassingsgebied van de Wet van 2 augustus 2002. Dit is de reden waarom de bepalingen van het Belgisch recht met betrekking tot het beding van eigendomsvoorbehoud niet werden gewijzigd.

6. Inwerkingtreding

De wet is van toepassing op betalingen in uitvoering van overeenkomsten gestoten, vernieuwd of verlengd na 7 augustus 2002. Evenwel, om te vermijden dat lopende overeenkomsten afgestoten voor onbepaalde duur of voor een zeer lange periode buiten het toepassingsgebied van deze wet zouden blijven, is voorzien dat ze in eik geval van toepassing is op betalingen in uitvoering van lopende overeenkomsten twee jaar na haar inwerkingtreding.

***

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:34:00
Navigatie
  • TERUG