Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 122 - 15.06.02 - Termijn van bezwaar en verzending van het aanslagbiljet:
122N Termijn

Editie n° 122 van 15 juni 2002

Termijn van bezwaar en verzending van het aanslagbiljet: een ommezwaai in de rechtspraak?

    Auteur:
    Isabelle BREVIERE
    Advocate bij de balie van Luik Bours & Vennoten

Al heel wat jaren heeft de Administratie van de belastingen de gewoonte aangenomen de aanslagbiljetten in een gewone briefomslag naar de belastingplichtigen te zenden, terwijl artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 4 van 22 augustus 1934 haar de verplichting oplegt dit per aangetekende brief te doen, ofschoon deze formaliteit niet is voorgeschreven op straffe van nietigheid.

Het Wetboek van de inkomstenbelastingen, zoals het door het Hof van cassatie wordt geïnterpreteerd, doet de termijn voor het indienen van bezwaar tegen de ingekohierde belasting die aan de belastingplichtige door middel van het aanslagbiljet werd meegedeeld echter ingaan vanaf de datum van verzending ervan.

Men kan zich dus gemakkelijk het aantal debatten voorstellen die al werden gevoerd met betrekking tot de ontvankelijkheid van bezwaren, die werden ingediend door belastingplichtigen die nu eens beweerden geen kennis te hebben kunnen nemen van de ingekohierde belasting voordat ze bijvoorbeeld een bevel tot betaling hadden ontvangen, en dan weer toegaven het aanslagbiljet te hebben ontvangen, maar dan wel op een datum die zo lang na de daarin vermelde verzenddatum lag, dat ze onmogelijk een bezwaar hadden kunnen indienen binnen de door het Wetboek gestelde termijn.

Er ontstond dus een belangrijke rechtspraak die er voortdurend aan herinnerde dat de bewijslast van de regelmatige verzending van het aanslagbiljet enkel en alleen op de Administratie rust en waarbij ervan wordt uitgegaan dat bij gebrek aan een dergelijk bewijs, het door de belastingplichtige ingediende bezwaar ontvankelijk moet worden verklaard (zie onder meer Brussel, 4 januari 2001, F.J.F., nr. 2001/110; Brussel, 28 juni 1988, F.J.F., nr. 88/216; Brussel, 14 april 1987, J.L.M.B., 1987, blz. 909; Brussel, 15 april 1986, J.D.F., 1987, blz. 113; Luik, 6 juni 2001, A.R. nr. 1997/FI/203, niet gepubliceerd; Luik, 26 maart 1999, A.R. nr. 1995/DP/23, niet gepubliceerd; Luik, 4 oktober 1995, J.D.F., 1996, blz. 98; Luik, 19 oktober 1994, F.J.F., nr. 95/92; Luik, 28 oktober 1992, F.J.F., nr. 93/94; Luik, 4 februari 1987, F.J.F., nr. 87/128; Luik, 13 maart 1985, F.J.F., nr. 85/145; Bergen, 26 juni 1998, F.J.F., nr. 2000/115; Bergen, 20 oktober 1989, F.J.F., nr. 90/38; Antwerpen, 29 juni 1992, F.J.F., nr. 92/186).

Diezelfde rechtspraak heeft diverse toelichtingen verstrekt zoals:

- noch het feit dat het aanslagbiljet niet bij de Administratie was teruggekeerd, noch het feit dat de belastingplichtige zijn woonplaats of zijn maatschappelijke zetel altijd op hetzelfde adres heeft behouden, vormen gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens waaruit moet worden geconcludeerd dat het aanslagbiljet wel degelijk werd verzonden en dat het argument dat ontleend wordt aan de probleemloze verzending van andere correspondentie aan het opgegeven adres, evenmin doorslaggevend is (cf. bijvoorbeeld Bergen, 26 juni 1998; Bergen, 20 oktober 1989 en Luik 13 maart 1985);

- noch het feit dat de belastingplichtige bij zijn bezwaarschrift de "berekeningsnota", een intern document van de Administratie, gevoegd heeft, noch de overlegging door de Administratie van die nota bewijzen de verzending van het aanslagbiljet zelf (cf. onder meer Luik, 6 juni 2001 en Bergen, 20 oktober 1989);

- de vermeldingen op het aanslagbiljet tonen slechts de rechtsgeldigheid aan van de gegevens die betrekking hebben op de aanslag en niet van de daadwerkelijke verzending van het aanslagbiljet (cf. onder meer Luik, 28 oktober 1992).

Deze klaarblijkelijk jarenlange constante rechtspraak stoelt op arresten van het Hof van cassatie zelf. Zo:

- heeft het Hof van cassatie op 17 november 1988 geoordeeld dat bij gebrek aan bewijs betreffende de regelmatige verzending van het aanslagbiljet, de termijn van bezwaar geen aanvang nam vanaf de datum die daarop was vermeld, maar vanaf de betekening aan de belastingplichtige van een bevel tot betaling, dat als bericht van aanslag gold (cf. Pas., 1989, I, 305);

- heeft het Hof van cassatie op 7 januari 1993 geoordeeld dat wanneer de belastingplichtige beweert het aanslagbiljet niet te hebben ontvangen, het bezwaar maar laattijdig kan worden verklaard indien de Administratie bewijst dat de belastingplichtige wel degelijk een aanslagbiljet heeft ontvangen, zoniet moet hem een verlenging van de termijn worden toegestaan, waarbij deze onderstelling wordt gelijkgesteld met die van overmacht (cf. F.J.F., nr. 93/96);

- heeft het Hof van cassatie op 16 januari 1997 nog geoordeeld dat

"Wanneer de verzending per gewone brief gebeurde of wanneer de Administratie niet bewijst dat zij per aangetekende brief gebeurde en de belastingplichtige beweert het aanslagbiljet niet te hebben ontvangen, kan zijn bezwaar maar laattijdig worden verklaard indien de Administratie bewijst dat het aanslagbiljet bij de belastingplichtige is toegekomen; dat wanneer deze erkent het aanslagbiljet te hebben ontvangen, maar op een datum die zo lang na de verzenddatum lag die op het document is vermeld dat zijn recht van bezwaar niet kon worden uitgeoefend binnen de termijn, bepaald bij artikel 272 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (1964), en indien de Administratie niet het tegenbewijs levert, aan de belastingschuldige een verlenging van deze termijn moet worden toegestaan, waarbij deze onderstelling wordt gelijkgesteld met die van overmacht" (cf. Pas., 1997, I, 82);

- op 22 maart 2001 ten slotte heeft het Hof van cassatie het volgende geoordeeld (vrije vertaling):

"Overwegende dat uit artikel 272 van het W.I.B./64 blijkt dat de termijn voor het indienen van een bezwaar in de regel een aanvang neemt, hetzij vanaf de datum van het aanslagbiljet, hetzij vanaf de datum van kennisgeving van de belasting; dat bij gebrek aan bewijs betreffende de verzending van het aanslagbiljet de betekening aan de belastingplichtige van een bevelschrift de termijn van bezwaar van 6 maanden, bedoeld in voornoemd artikel 272 een aanvang doet nemen; dat de datum waarop de belastingplichtige kennis neemt of beweert kennis te hebben genomen van de belasting geen belang heeft " (Fisc. Act., 2001, Boek. 20, 7).

In deze zaak werd tegen de belastingplichtigen op 23 april 1992 een bevelschrift uitgevaardigd, waarvan zij echter pas op 20 mei 1992 kennis hadden genomen, op welke datum volgens hen de termijn van bezwaar, bedoeld in artikel 272 van het W.I.B./64 een aanvang had genomen.

Op 19 maart 1998 had het Hof van beroep van Gent geoordeeld dat het bezwaar dat op 26 oktober 1992 werd ingediend ontvankelijk was, aangezien het werd ingediend binnen de 6 maanden vanaf de datum waarop de belastingplichtigen kennis hadden kunnen nemen van de omstreden belasting, ondanks de vroegere datum waarop het bevelschrift werd uitgevaardigd.

De Belgische Staat heeft cassatieberoep aangetekend waarbij hij zich op het volgende middel beriep: aangezien de datum van het bevelschrift, namelijk de 23ste april 1992, niet werd betwist, had het Hof van beroep van Gent de indiening van het bezwaar als laattijdig moeten beschouwen, bij gebrek aan bewijs van de verzenddatum van het aanslagbiljet, op basis van de onbetwiste datum van 23 april 1992, waarbij het gaat om de datum van betekening van het bevelschrift die als kennisgeving van de belasting geldt, en niet op basis van de datum van 20 mei 1992 op welke datum de belastingplichtigen kennis hebben genomen van de belasting, aangezien artikel 272 van het W.I.B./64 de termijn van bezwaar een aanvang doet nemen vanaf de datum van kennisgeving van de belasting en niet vanaf de datum waarop daadwerkelijk van de belasting kennis is genomen.

Het Hof van cassatie heeft volgens ons terecht het cassatieberoep van de Belgische Staat ingewilligd. Wanneer de belastingplichtige beweert het aanslagbiljet niet te hebben ontvangen en bij gebrek aan bewijs door de Administratie van de daadwerkelijke verzending ervan, is het immers de datum waarop het vaststaat dat de belasting ter kennis van de belastingplichtige werd gebracht die de termijn van bezwaar een aanvang doet nemen, en niet de datum waarop de belastingplichtigen kennis hebben genomen van de kennisgeving, behalve in geval van overmacht.

De Administratie heeft zelf een standpunt ingenomen conform de voornoemde rechtspraak. De administratieve commentaar van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bepaalt immers het volgende (cf. de nrs. 300/25 en 300/30) "Behoudens tegenbewijs is de verzenddatum van een aanslagbiljet die welke daarop is aangegeven. In geval van betwisting moet de Administratie echter de regelmatigheid van deze verzending bewijzen (…). De bewijslast van de verzending van het aanslagbiljet rust volledig op de Administratie".

Het lijdt dus geen enkele twijfel dat de bewijslast van de regelmatige verzending van het aanslagbiljet op de Administratie rust, een bewijs dat zij mag leveren met alle rechtsmiddelen, maar dat zij doorgaans maar moeilijk kan leveren aangezien de verzending ervan niet per aangetekende brief gebeurt.

Bijgevolg hebben wij vaak gezien dat de Administratie zich achter deze duidelijke rechtspraak schaarde en aanvaardde dat als de belastingplichtige betwistte een aanslagbiljet te hebben ontvangen, de termijn van bezwaar pas een aanvang kon hebben genomen vanaf de dag dat zij hem vaststaande kennis van de aanslag had gegeven, namelijk bijvoorbeeld vanaf de betekening van een bevel tot betaling ten huize of op de maatschappelijke zetel van de belastingplichtige, met opgave van alle gegevens die nuttig zijn voor de indiening van het bezwaar.

De beginselen leken duidelijk tot wanneer het Hof van cassatie een op het eerste gezicht verrassend nieuw arrest wees.

Op 15 juni 2001 heeft dat Hof na cassatieberoep door de belastingplichtige geweigerd een arrest te verbreken, dat door het Hof van Beroep van Antwerpen op 26 oktober 1999 in zijn nadeel was gewezen.

In deze zaak was een belasting ingekohierd op 19 september 1994 en volgens de vermelding die voorkwam op het document dat door de Administratie werd overgelegd, werd het aanslagbiljet op 23 september 1994 verzonden.

Het Hof van beroep van Antwerpen had geoordeeld dat het bezwaar onontvankelijk was, waarbij het constateerde dat uit de gegevens van het belastingdossier bleek dat het aanslagbiljet werd verzonden naar de maatschappelijke zetel van de vennootschap, die onveranderd was gebleven. Aangezien deze verzending regelmatig was, had zij bijgevolg de termijn van bezwaar een aanvang doen nemen.

Het Hof van cassatie heeft geweigerd dit arrest te verbreken met de bewoordingen van een beslissing waarop de Administratie zich al heeft beroepen om haar vroeger standpunt te wijzigen.

Wij menen echter dat ondanks een formulering die blijkbaar wijst op een belangrijke ommezwaai in de rechtspraak de draagwijdte van dit arrest moet worden genuanceerd, waarbij zowel rekening moet worden gehouden met de omstreden beslissing als met de bewoordingen van het cassatieberoep, dat door de belastingplichtige werd ingesteld.

Diverse auteurs zijn het er trouwens al over eens dat dit arrest van het Hof van cassatie in werkelijkheid een bevestiging vormt van zijn vroegere rechtspraak (lees J. SPEECKE, Hof van Cassatie bevestigt vorige rechtspraak inzake bewijslast verzending van aanslagbiljet, T.F.R., nr. 218, maart 2002, blz. 332), of op zijn minst dat het arrest van het Hof van cassatie "minder ophefmakend zou zijn dan het op het eerste gezicht wel lijkt" (lees J. VAN DYCK, Bezwaar: "verzonden" wil niet zeggen "ontvangen", Trends van 8 november 2001, blz. 112).

Dit zijn de twee middelen die door de belastingplichtige in zijn cassatieberoep naar voren werden gebracht:

1. De fiscus moet het bewijs leveren van de daadwerkelijke verzending van het aanslagbiljet; zoniet moet de termijn van bezwaar een aanvang nemen vanaf de betekening van een bevelschrift.

2. Het Hof van beroep van Antwerpen mocht zich niet louter baseren op de omstandigheid dat uit het belastingdossier bleek dat de maatschappelijke zetel van de vennootschap onveranderd was gebleven om daaruit te concluderen dat het aanslagbiljet wel degelijk werd verzonden.

Het antwoord van het Hof van cassatie luidde als volgt (vrije vertaling):

1. Wat het eerste middel betreft:

"Overwegende dat volgens artikel 371 W.I.B./92 de termijn van bezwaar een aanvang neemt vanaf de dag na de daadwerkelijke verzending van het aanslagbiljet, wanneer die regelmatig is; dat deze datum, behoudens tegenbewijs, die is welke op het aanslagbiljet is aangegeven; dat de eenvoudige bewering van de belastingplichtige dat het aanslagbiljet niet werd verzonden niet tot gevolg heeft dat, indien de Administratie beweert dat het aanslagbiljet werd verzonden naar het juiste adres van de belastingplichtige, in de passende vorm, zij het bewijs moet leveren dat de verzending daadwerkelijk heeft plaatsgehad; overwegende dat het arrest vaststelt dat het aanslagbiljet volgens de gegevens van het belastingdossier werd verzonden naar de maatschappelijke zetel van de eisende vennootschap, welke zetel onveranderd is gebleven".

2. Wat het tweede middel betreft:

"Overwegende dat het arrest zich niet enkel gebaseerd heeft op de omstandigheid dat het aanslagbiljet naar het juiste adres werd verzonden, maar ook op de datum die op het aanslagbiljet was aangegeven" om daaruit te concluderen dat het tweede middel berustte op een onvolledige lezing van het omstreden arrest. Het is dus onmogelijk uit het antwoord van het Hof van cassatie op het tweede middel, dat door de belastingplichtige werd aangevoerd, enige les te trekken.

Het antwoord van het Hof van cassatie op het eerste middel slaat ons met verstomming, aangezien ze op het eerste gezicht een radicale ommezwaai in de rechtspraak lijkt te vormen, waarbij sommigen beweren dat het voor de belastingplichtige voortaan niet langer volstaat te beweren dat het aanslagbiljet niet werd verzonden om de bewijslast van de daadwerkelijke verzending ervan bij de Administratie te leggen.

Wij delen deze mening niet. Een aandachtige lezing van de beslissing die door het Hof van cassatie werd gewezen, alsmede van het omstreden arrest, laat veronderstellen dat in deze zaak de belastingplichtige nooit heeft beweerd dat hij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen, maar slechts verklaarde dat de Administratie niet bewees het daadwerkelijk te hebben verzonden.

Het is echter enkel wanneer de belastingplichtige beweert het aanslagbiljet niet te hebben ontvangen dat de Administratie de daadwerkelijke verzending ervan moet bewijzen. Deze weliswaar subtiele nuance is niettemin belangrijk.

Het Hof van beroep van Antwerpen had bovendien het volgende geoordeeld: "Overwegende dat in het onderhavige geval uit de gegevens van het belastingdossier blijkt dat het aanslagbiljet wel degelijk werd verzonden naar de maatschappelijke zetel van de eiseres, die onveranderd is gebleven."

De zaak werd bijgevolg aanhangig gemaakt bij het Hof van cassatie terwijl het Hof van beroep van Antwerpen in feite al had geoordeeld dat enerzijds het aanslagbiljet wel degelijk naar de maatschappelijke zetel werd verzonden, en dat anderzijds de belastingplichtige klaarblijkelijk niet beweerde het document niet te hebben ontvangen. Wij menen dus dat op basis van die gegevens het Hof van cassatie geen andere mogelijkheid had dan het cassatieberoep van de belastingplichtige te verwerpen.

Het is echter duidelijk dat de formulering die door het Hof van cassatie werd gebruikt jammer genoeg de indruk zou kunnen wekken van een omezwaai in zijn rechtspraak.

Tot besluit zijn wij van mening dat het arrest dat op 15 juni 2001 door het Hof van cassatie werd gewezen, beslist niet volstaat om de belangrijke rechtspraak teniet te doen die zich sinds vele jaren heeft ontwikkeld. Wij kunnen alleen maar hopen dat het volgende arrest dat het Hof ter zake zal wijzen deze vroegere rechtspraak duidelijk zal bevestigen. Wij zien immers maar moeilijk in hoe de termijn van bezwaar van de belastingplichtige een aanvang kan hebben genomen, terwijl hij beweert nooit enig aanslagbiljet te hebben ontvangen.

Hoe dan ook, wij vinden het nuttig hier te herinneren aan artikel 2, 4° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur (B.S. 30 juni 1994) dat als volgt luidt "elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van een federale administratieve overheid ter kennis wordt gebracht van een bestuurde, vermeldt de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen; bij ontstentenis neemt de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang".

De Minister van Financiën zelf heeft verklaard dat in de onderstelling dat het aanslagbiljet hetzij geen enkele termijn, hetzij een verkeerde termijn vermeldt, het bezwaar van de belastingplichtige niet onontvankelijk kan worden verklaard wegens laattijdigheid (cf. analytisch verslag, Senaat, 2 maart 2000, nr. 2-32, blz. 8).


Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:34:00
Navigatie
  • TERUG