Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 118 - 15.04.02 - B.T.W. en subsidies
118N Btw en subsidies

Editie n° 118 van 15 april 2002

B.T.W. en subsidies

De problematiek van de subsidies en de gevolgen ervan inzake B.T.W. is vrij complex. Zij vergt specifieke en zeer genuanceerde bedenkingen. Hieronder vindt U onze benadering.

1. Opneming van de subsidies in de maatstaf van heffing van de uitgaande handelingen

Het gaat erom te bepalen in welke mate de ontvangen subsidies door de "gesubsidieerde" belastingplichtige al dan niet moeten worden onderworpen aan de B.T.W., als bestanddelen van de maatstaf van heffing van de leveringen van goederen en/of diensten aan zijn clientèle.

Met andere woorden, moet een aftrekgerechtigde belastingplichtige die B.T.W. ontvangt, bij de prijs die hij van zijn klanten ontvangt de ontvangen subsidies optellen om de belasting te bepalen die verschuldigd is op zijn uitgaande handelingen ?

Het antwoord op deze vraag berust in hoofdzaak op de eerste alinea van artikel 26 van het W.B.T.W.

Dit bepaalt het volgende :

"Voor de leveringen van goederen en diensten wordt de belasting berekend over alles wat een leverancier van het goed of de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verstrekt, of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks met de prijs van die handelingen verband houden".

Daaruit blijkt duidelijk dat de subsidies die niet rechtstreeks verband houden met de prijs van de leveringen van goederen en/of diensten, ontsnappen aan de inning van de B.T.W.

Zijn bijvoorbeeld subsidies die rechtstreeks verband houden met de prijzen die aan de klanten worden aangerekend en die dus bij de prijs moeten worden opgeteld om de verschuldigde B.T.W. te bepalen, die welke door een instelling worden betaald om boeken ter waarde van 15,00 euro te verkopen tegen 10,00 euro, waarbij het totale bedrag van de subsidie de uitkomst is van de vermenigvuldiging van het aantal verkochte boeken met 5,00 euro.

Er moet dus een rechtstreeks en duidelijk verband zijn tussen de prijs die aan de clientèle wordt aangerekend en het bedrag van de subsidie, die wordt ontvangen als tegenprestatie voor de geringe vraagprijs.

De overige subsidies (die welke niet rechtstreeks verband houden met de vraagprijs) maken geen deel uit van de maatstaf van heffing van de uitgaande levering of dienst door de belastingplichtige die subsidies geniet.

Dit is onder meer het geval met werkingssubsidies, subsidies voor de aankoop van goederen, subsidies voor de tenlasteneming van bepaalde uitgaven (personeel, administratiekosten enz.).

2. Totale of gemengde belastingplicht

Wanneer de uitgaande leveringen van goederen en het verstrekken van diensten door deze gesubsidieerde belastingplichtige uitsluitend handelingen zijn die recht geven op aftrek van de B.T.W. in een voorafgaand stadium van de economische kringloop, hebben wij te maken met een volledige belastingplichtige.

Het is dus niet het feit subsidies te ontvangen dat leidt tot een gemengde belastingplicht. Die vloeit voort uit de realisatie, tegen betaling, van leveringen van goederen en/of diensten met de clientèle (waarbij sommige leveringen recht geven op aftrek van de B.T.W. in een voorafgaand stadium van de economische kringloop en anderen dan weer niet).

3. Aftrek van de B.T.W. in een voorafgaand stadium van de economische kringloop en het ontvangen van subsidies

3.1. Beginselen van de aftrekbaarheid

In de regel oefent een volledige belastingplichtige zijn recht op aftrek uit, zonder dat de ontvangen subsidies enige invloed hebben op de uitoefening van dit recht.

Voor een gemengde belastingplichtige gebeurt de aftrek ofwel volgens de algemene regel van de evenredige aftrek, ofwel volgens die van de werkelijke bestemming.

Wij herinneren er met aandrang aan dat het feit subsidies te ontvangen niet tot gevolg heeft, dat aan de belastingplichtige, die ze ontvangt de hoedanigheid van gemengde belastingplichtige wordt toegekend.

Deze hoedanigheid vloeit voort uit de contracten tegen betaling die hij met zijn klanten afsluit.

Tot dusver heeft België trouwens de mogelijkheid die door artikel 19, § 1, 2de streepje, 2de zin van de zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 aan de Lid-Staten wordt geboden om in de noemer van de evenredige aftrek het bedrag van de zogenaamde werkingstoelagen op te nemen (andere subsidies dan die welke de maatstaf van heffing vormen voor de leveringen en dienst aan de clientèle - zie hierboven) nog niet omgezet in zijn B.T.W.-wetgeving.

3.2. Aftrek die wordt beïnvloed door de subsidies

De B.T.W.-aftrek in een voorafgaand stadium van de economische kringloop wordt beoordeeld in vergelijking met de uitgaande handeling.

Het is dus de aard van de handelingen die met de clientèle worden gesteld, die bepaalt in welke mate de B.T.W. waarmee deze binnenkomende handelingen zijn bezwaard, recht geven op aftrek.

Dit gezegd zijnde moet met het oog op de uitoefening van het aftrekrecht het evenredigheidsbeginsel tussen de uitgaande handelingen (die recht geven op aftrek) en de belastingen die bij de ingang aftrekbaar zijn, echter worden in acht genomen.

Het is door dit beginsel toe te passen dat, in bepaalde bijzondere situaties, toch rekening moet worden gehouden met de volledige uitgeoefende activiteit (en niet enkel met de omzetverrichtingen) om de omvang te bepalen van het recht op aftrek in een voorafgaand stadium van de economische kringloop.

Veronderstellen wij bijvoorbeeld exploitatiesubsidies (die dus niet rechtstreeks verband houden met de prijs van de handelingen) die worden toegekend voor de verwezenlijking van een activiteit, die geen inkomsten oplevert.

Wij denken daarbij onder andere aan een belastingplichtige die enerzijds handelingen stelt waarop B.T.W. wordt geheven, en anderzijds studies van algemeen belang maakt die volledig worden gesubsidieerd (de subsidies vormen geen bezoldiging voor de gemaakte studies).

Wanneer deze studies geen enkele omzet voortbrengen (geen enkele uitgaande handeling tegen betaling), zijn zij niet het gevolg van de uitoefening van een economische activiteit. Bijgevolg moet de aftrek van de B.T.W. op de uitgaven die in dit verband worden gedaan, worden geweigerd.

In dergelijke situaties moet de boekhouding worden aangepast om de aftrek enkel toe te passen voor de omzetverrichtingen die recht geven op aftrek.

Wanneer een beroep wordt gedaan op benaderingen zoals de werkelijke bestemming van de goederen en de diensten, of op de vorming van een speciale evenredige aftrek enz. kan dit leiden tot een ontheffing van de B.T.W. die werkelijk in mindering mag worden gebracht.

Het betreft hier slechts enkele methoden die worden gesuggereerd en iedereen moet de pro’s en de contra’s ervan maar zelf afwegen.

Zij vormen helemaal geen verplichting.

Het zijn eenvoudige praktische benaderingen teneinde te pogen het aftrekbare B.T.W.-gedeelte te bepalen.

Als laatste voorbeeld, om het evenredigheidsbeginsel duidelijk te omschrijven (onder andere de uitgaande handelingen die recht geven op aftrek en de daadwerkelijke uitoefening van de B.T.W.-aftrek waarmee de ingaande handelingen zijn bezwaard) zou het strijdig zijn met de fiscale gelijkheid dat een belastingplichtige die jaarlijkse werkingssubsidies ontvangt ter waarde van 100 (die onder het boekjaar volledig worden verbruikt door de boeking van inkomende facturen met B.T.W.), en waarvan de enige andere ontvangsten zouden bestaan in de realisatie van een jaarlijkse omzet (die recht geeft op aftrek van de B.T.W.) ter waarde van 10, zich zou kunnen beroepen op de totale aftrekbaarheid van de belastingen in een voorafgaand stadium van de economische kringloop.

3.3. Conclusies

De regels van de aftrekbaarheid worden bepaald door de aard van de uitgeoefende activiteit.

Enkel en alleen het feit subsidies te ontvangen heeft niet tot gevolg dat een gemengde of gedeeltelijke belastingplicht ontstaat.

Het beginsel van evenredigheid (tussen de omzetverrichtingen die recht geven op aftrek en de daadwerkelijke aftrek van de aftrekbare B.T.W.) moet worden in acht genomen.

Het gebruik van een evenredige aftrek, waarin de werkingssubsidies zouden zijn opgenomen (die niet rechtstreeks verband houden met de prijs van de uitgaande handelingen) is geen verplichting.

Bij gebrek aan een andere, meer billijke, methode kan de belastingplichtige of de administratie daarvan eventueel gebruik maken, op voorwaarde dat hij of zij het voornoemde evenredigheidsbeginsel in acht neemt.


Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:34:00
Navigatie
  • TERUG