Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 116 - 15.03.02 - Wanneer het niet botert tussen vennoten
PA116N storm

Editie nr 116 van 15 maart 2002

Storm achter gesloten deuren: wanneer het niet botert tussen vennoten

    Auteur:
    Mter Vanessa VERITER
    Bours & Associés

1. Inleiding

Een conflict tussen aandeelhouders of tussen bestuurders is beslist een van de ernstigste wrijvingen waarmee een vennootschap kan af te rekenen hebben.

In een dergelijk geval wordt besturen immers moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk. De sfeer tussen de partijen is gespannen, eensgezindheid ruimt de plaats voor verdeeldheid die het vertrouwen van derden, zoals de klanten, leveranciers, dienstverlenende bedrijven, aan het wankelen kan brengen.

Heel vaak zal de oplossing erin bestaan dat, vaak slechts na urenlange discussies, bepaalde vennoten, vrijwillig of gedwongen, uittreden.

Een dergelijk conflict doet zich geregeld voor in kleine en middelgrote ondernemingen waar er vaak een dominerende figuur is, die twee verschillende petten draagt : nl. die van meerderheidsaandeelhouder en die van bestuurder.

De minderheidsaandeelhouders negeren en het begrip ’vennootschapsbelang’ gelijkstellen met dat van het belang van de meerderheidsaandeelhouder kan ernstige storingen in de vennootschapsmechanismen veroorzaken1.

Teneinde aan dit soort van problemen te verhelpen, heeft de wetgever voorzien in een bijzondere bescherming voor de minderheid - de vordering inzake misbruik van meerderheid of de aansprakelijkheidsvordering - enerzijds, alsmede in procedures tot uitsluiting en gedwongen wederinkoop anderzijds.

Aangezien de waaier van wettelijke maatregelen tot bescherming van de minderheidsaandeelhouders vrij breed is, zal deze uiteenzetting zich ertoe beperken een overzicht te geven van de actiemiddelen, waarover laatstgenoemden beschikken om hun rechten te laten respecteren.

In een tweede deel zullen ook bepaalde aspecten worden onderzocht van de procedure tot uitsluiting en tot gedwongen uittreding.

2. Enkele maatregelen tot bescherming van de minderheidsaandeelhouders

2.1. Het meerderheidsbeginsel en de gevolgen ervan

Het basisbeginsel in elke vennootschap is dat, behalve de uitzonderingen die bij wet of door de statuten zijn bepaald, de beslissingen van de algemene vergadering worden goedgekeurd met gewone meerderheid van de stemmen en, voor zover zij volgens de vorm rechtsgeldig zijn, bindend zijn voor alle aandeelhouders, met inbegrip van diegenen die tegen de beslissing hebben gestemd2 . Deze regel geldt eveneens binnen de raad van bestuur.

De minderheidsaandeelhouder kan dus worden omschreven als diegene "die geen beslissende invloed kan uitoefenen op de koers van het beheer van de onderneming3" .

Uit deze overweging vloeit voort dat de minderheid normaal geen andere keuze heeft dan zich te schikken naar de beslissingen van de meerderheid, behalve indien zij van oordeel is dat de beslissing willekeurig is of duidelijk onbillijk of nadelig is voor de vennootschap.

Het is op dit punt dat de regels opduiken die de minderheidsaandeelhouders in staat stellen de rechtsgeldigheid van de beslissingen van de meerderheidsaandeelhouders voor de rechtbank te betwisten.

2.2. Wettelijke aspecten.

2.2.1. Toekenning van een exclusieve bevoegdheid aan de algemene vergadering

Aan de hand van beschermingsmaatregelen heeft de wetgever ingegrepen om de onverbiddelijkheid van het meerderheidsbeginsel af te zwakken.

Zonder daarom volledig te zijn, is het toch mogelijk bepaalde bijzondere beschermingen op te sommen:

  • Regels inzake exclusieve bevoegdheid die aan de algemene vergadering de soevereine beslissingsmacht voorbehoudt: kapitaalverhoging (art. 581 en volgende W.Venn.), wijziging van de statuten (art. 558 W.Venn.), verkrijging door de vennootschap van goederen die toebehoren aan een bestuurder of aan een aandeelhouder, instellen van een vennootschapsvordering tegen de commissarissen of de bestuurders (art. 561 W.Venn.), vermindering van het maatschappelijk kapitaal (art. 612 tot 614 W.Venn.), goedkeuring van de jaarrekening, stemming over de kwijting aan de bestuurders, bestemming van het resultaat, omzetting van de vennootschap, fusie, splitsing.
  • Voor de belangrijkste beslissingen in het vennootschapsleven gelden bijzondere aanwezig- en meerderheidsquora.
  • Begrenzing van het stemrecht dat verbonden is aan de aandelen en de winstbewijzen.

2.2.2.. Misbruik van meerderheid

In weerwil van de hierboven uiteengezette temperingen van het meerderheidsbeginsel, kan het toch gebeuren dat er conflicten rijzen tussen de meerderheids- en de minderheidsaandeelhouders, waardoor het tot wrijvingen komt. Het is in deze hypothese dat de zogenaamde theorie van het misbruik van meerderheid kadert, die onder stimulans van de rechtsleer is uitgewerkt door de hoven en rechtbanken .

a) Een van de criteria voor het misbruik van meerderheid is het feit dat de beslissing werd genomen, rekening houdend met een belang dat volkomen vreemd is aan het belang van de vennootschap.
Het is dus noodzakelijk dat de meerderheidsaandeelhouder zich ervan bewust is dat hij een derdenbelang nastreeft, en dat dit ten koste is van dat van de vennootschap of van de andere vennoten.
Bovendien moet de beslissing een nadeel hebben berokkend aan de vennootschap of op zijn minst daartoe in staat zijn geweest.

b) Een tweede mogelijk criterium dat kan worden ingeroepen is de inbreuk op het proportionaliteitsbeginsel. Deze situatie doet zich voor als het belang van de meerderheid een nadeel veroorzaakt dat volledig haaks staat tot de andere belangen.

In deze omstandigheden kan iedere belanghebbende een verzoekschrift tot nietigverklaring inleiden bij de Rechtbank van koophandel.

Een persoon verliest echter in drie omstandigheden zijn recht de beslissing van de algemene vergadering aan te vechten:

  • indien hij voor de omstreden beslissing heeft gestemd,
  • indien hij uitdrukkelijk of stilzwijgend van deze nietigheid afstand heeft gedaan,
  • in geval van verjaring: de vordering tot nietigverklaring kan niet meer worden ingeleid wanneer meer dan zes maanden verstreken zijn vanaf de dag waarop de genomen beslissingen tegenstelbaar zijn aan diegene die zich op de nietigheid beroept of de dag waarop hij er kennis van heeft gekregen. (art. 198 W.Venn.)

De rechtsvordering moet worden ingesteld tegen de vennootschap. In bepaalde gevallen, wanneer er gewichtige redenen zijn, kan de eiser, in kort geding, de voorlopige opschorting van de uitvoering van het bestreden besluit vorderen. (art.179 W.Venn.)

2.2.3. Aansprakelijkheidsvordering

Het wettelijk arsenaal omvat eveneens een aansprakelijkheidsvordering die door de minderheidsaandeelhouders kan worden ingesteld. Deze kunnen immers voor rekening van de vennootschap een aansprakelijkheidsvordering instellen tegen de bestuurders.

Om in een naamloze vennootschap de rechtsvordering te kunnen instellen, moeten de minderheidsaandeelhouders van een op de dag van de algemene vergadering, die zich heeft uitgesproken over de kwijting van de bestuurders, effecten bezitten die tenminste 1% vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de effecten welke op die dag bestaan of op diezelfde dag effecten bezitten die een gedeelte van het kapitaal vertegenwoordigen ter waarde van minstens 1.250.000 EURO 5.

In deze veronderstelling stellen de minderheidsaandeelhouders de rechtsvordering in hun eigen naam in. Zij stellen niet de vennootschapsvordering in, want die is voorbehouden aan de algemene vergadering. Uit de voorafgaande bedenking kan worden geconcludeerd dat twee aansprakelijkheidsvorderingen gelijktijdig kunnen bestaan: de ene die is ingesteld door de minderheidsaandeelhouders en de andere die door de algemene vergadering is ingesteld. In dergelijk geval zullen de rechtsgedingen worden samengevoegd wegens samenhang.

Benadrukken we hier dat tevens vereist is dat de minderheidsaandeelhouder op de algemene vergadering de kwijting van de bestuurders niet heeft goedgekeurd of dat blijkt dat hen kwijting ongeldig is.

Aangezien de kwijting een uitdrukkelijke erkenning is van het feit dat een bestuurder niet aansprakelijk moet worden gesteld, zou het immers onlogisch zijn deze rechtsvordering in te stellen na op de algemene vergadering te hebben gestemd voor de kwijting van de bestuurder.

Indien de minderheidsaandeelhouders die deze rechtsvordering hebben ingesteld in het gelijk worden gesteld, valt het voordeel ervan toe aan de vennootschap, aangezien zij het nadeel heeft geleden. De bestuurders zouden bijgevolg ertoe kunnen worden verplicht de vennootschap te vergoeden voor de proceskosten.

De minderheidsaandeelhouders zouden op de vennootschap de sommen kunnen verhalen die zij hebben voorgeschoten, ongeacht of zij al dan niet voor rekening van de veroordeelde bestuurders komen, bijvoorbeeld het advocatenhonorarium of de kosten van de gemeenschappelijke lasthebber die zij hebben moeten aanstellen. Omgekeerd moet de vennootschap in geen geval opdraaien voor de kosten die door de bestuurders zijn gemaakt om zich voor de rechtbank te verdedigen, indien achteraf zou blijken dat deze bestuurders een fout hebben begaan.

3. De patstellingen binnen de vennootschapsorganen.

De artikelen 334 en volgende W. Venn (BVBA) enerzijds en anderzijds 635 en volgende van het W. Venn. (NV) kunnen worden beschouwd als een "echt reglement voor de oplossing van de interne conflicten6".

Voor de NV’s voorziet artikel 636 van het W. Venn. immers, onder bepaalde voorwaarden, voor één of meer aandeelhouders in de mogelijkheid om op basis van "gegronde redenen" in rechte te vorderen dat een aandeelhouder hem of hen zijn aandelen of effecten overdraagt aan de eisers. (De uitsluitingsprocedure)

Artikel 642 W.Venn. maakt het iedere aandeelhouder, om "gegronde redenen", mogelijk in rechte te vorderen dat de aandeelhouders op wie deze gegronde redenen betrekking hebben, al zijn aandelen overnemen. (De uittredingsprocedure)

Deze procedures kunnen nuttig blijken in het kader van de geschillen die rijzen bij KMO’s die vaak een familiale structuur vertonen "waar de interne conflicten tussen aandeelhouders zich scherper stellen7".

De uitsluitings- en uittredingsprocedures zijn slechts van toepassing op de besloten vennootschappen of op de naamloze vennootschappen, die geen openbaar beroep doen of hebben gedaan op het spaarwezen. Hierna onderzoeken we enkele van de voorwaarden om deze procedures te kunnen toepassen.

3.1 Hoedanigheid van vennoten

Op het ogenblik van de indiening van de eis, moeten de eiser en de verweerder de hoedanigheid van aandeelhouder van de betrokken vennootschap bezitten.

Aangestipt dient te worden, dat de wet voorziet dat de gedaagde na de betekening van de dagvaarding zijn aandelen niet mag vervreemden of bezwaren met zakelijke rechten.

Teneinde te voorkomen dat de overdracht van de aandelen wordt geantidateerd om deze bepaling te omzeilen, is het aangewezen dat bewarende maatregelen worden getroffen en dit voordat de dagvaarding wordt betekend.

3.2 Gegronde redenen

De gegronde reden bij uitstek is de blijvende en diepgaande onenigheid tussen vennoten, die niet noodzakelijk een fout of een contractueel verzuim vormt.

Dit begrip van een onenigheid houdt eerder verband met het gedrag van de vennoten dan met de uitvoering van hun taak binnen de vennootschap. Problemen inzake de werking van de vennootschap doen vaak vermoeden dat er een ernstig en blijvend meningsverschil tussen vennoten bestaat. Er moet gewoonlijk worden aangetoond dat er een vertrouwensbreuk is tussen de vennoten.

Ook het misbruik van meerderheid is een argument dat vaak wordt aangevoerd om een vordering tot uitsluiting in te stellen.

Het is mogelijk dat er een dilemma ontstaat tussen twee aandeelhouders met een gelijke participatie die tegen elkaar een gelijkaardige vordering hebben ingesteld. In een dergelijk geval is de rechtsleer van oordeel dat de rechter, nadat hij de diverse belangen zorgvuldig heeft afgewogen, zich bij het bepalen van welke vennoot moet worden uitgesloten, "eerst moet laten leiden door het vennootschapsbelang en pas dan door de belangen van de vennoten8".

Werden onder meer door de rechtspraak als gegronde redenen beschouwd:

  • Het bestaan van een fundamenteel geschil tussen de gedelegeerde bestuurders van twee aandeelhouders, dat leidt tot het verdwijnen van een minimum aan wederzijds vertrouwen en samenwerking;9
  • Het gebrek aan communicatie tussen twee vennoten dat schaadt aan het belang van de vennootschap10
  • Een geschil tussen echtgenoten dat onder andere voortvloeit uit een echtelijke breuk tussen vennoten 11 12.

Uit deze rechtspraak vloeit voort dat "de beoordelingsmaatstaf altijd gebaseerd moet zijn op het belang van de vennootschap en op de bezorgdheid voor het voortbestaan van de onderneming op lange termijn"13, en dit in tegenspraak met de juridische regeling van de gedwongen uittreding waarbij de persoonlijke belangen van de eiser worden beschermd.

3.3. Procedure zoals in kort geding

De vordering tot uitsluiting alsmede die tot gedwongen uittreding moeten worden ingeleid bij de Voorzitter van de Rechtbank van koophandel van het gerechtelijk arrondissement waar de vennootschap haar zetel heeft, die zitting houdt zoals in kort geding, dat wil zeggen volgens de vormen van het kort geding, maar zonder dat de hoogdringendheid moet worden bewezen14.

4. Aanstelling van een voorlopige bewindvoerder

De wetgever heeft eveneens ingegrepen om de zogenaamde "volledige blokkering" van de werking van de maatschappelijke organen van de vennootschap te vermijden.

Het gebeurt immers dat een vennootschap wordt geblokkeerd door de onmogelijkheid absoluut noodzakelijke beslissingen te nemen, hetzij binnen haar raad van bestuur, hetzij zelfs op het vlak van de algemene vergadering.

Over het geheel genomen zijn de conflicten binnen de raad van bestuur a-priori gemakkelijker op te lossen, want indien er geen andere oplossing wordt gevonden, kunnen de bestuurders de debatten nog altijd verwijzen naar de algemene vergadering.

In een dergelijke veronderstelling zijn verscheidene oplossingen mogelijk en in het bijzonder dan de aanstelling van een voorlopige bewindvoerder door de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel. Deze maatregel beoogt een voorlopige toestand te creëren waarbij de ernstig bedreigde belangen beschermd worden, waarbij de voorlopige bewindvoerder eerst en vooral een verzoenende rol speelt.

Er mag echter niet uit het oog worden verloren dat de aanstelling van een voorlopige bewindvoerder de vennootschap in "diskrediet" kan brengen, daar die verplicht is zich te schikken naar sommige van de beslissingen van eerstgenoemde. Deze maatregel vereist dus het bestaan van ernstige geschillen of van conflicten tussen vennoten die de goede werking, of zelfs het voortbestaan van de onderneming bedreigen15.

5. Besluit

De wetgever die de conflicten binnen de vennootschappen wil helpen oplossen, heeft in meerdere teksten mogelijkheden geboden om bepaalde situaties te deblokkeren.

Maar vergis u niet, dit zijn geen mirakeloplossingen.

De aandeelhouders kunnen echter de regeling van bepaalde problemen in een eerder stadium voorzien door middel van statutaire bepalingen.

Wij kunnen diegenen die van plan zijn een nieuwe vennootschap op te richten bijgevolg niet genoeg aanraden om te trachten bepaalde conflicten te voorkomen door een oordeelkundige opstelling van de statutaire bepalingen.

---------------------------

1. H. OLIVIER, "Conflits d’intérêts entre associés", Rev. Comp, 1997, pag. 43;
2. E. POTTIER, "L’abus de majorité ou de minorité dans les sociétés anonymes", seminarie Vanham & Vanham, 23 april 1998;
3. J-M. GOLLIER, "Moyens de protections des actionnaires minoritaires", seminarie Vanham & Vanham van 11 december 1997;
4. E. POTTIER, "L’abus de majorité ou de minorité dans les sociétés anonymes", , seminarie Vanham & Vanham, 23 april 1998;
5. Zie A.D. LEJEUNE, "La responsabilité civile du dirigeant d’entreprise", seminarie georganiseerd door de Nationale Bank te Aarlen op 4 mei 2000;
6. T. VERHOEST & K. GEENS, "Développements récents dans la matière des procédures de sortie prévues par les articles 190 ter et 190 quater des lois coordonnées", seminarie Vanham & Vanham, 23 april 1998;
7. T. VERHOEST & K. GEENS, "Développements récents dans la matière des procédures de sortie prévues par les articles 190 ter et 190 quater des lois coordonnées", seminarie Vanham & Vanham, 23 april 1998;
8. Nelissen Grade J-M., "De geschillenregeling en de uitkoopregeling", in De nieuwe vennootschapswetten van 7 en 13 april 1995, Biblo, Kalmthout, 1995, p.353;
9. Gent, 14 maart 2000, RDC 2001, blz. 755;
10. Antwerpen, 26 oktober 1998, RDC 1999, blz. 572;
11. Kooph. Gent (kort geding) 3 maart 1998, E.J. 1999, blz.43;
12. Er werd ook geoordeeld dat "de toepassingsvoorwaarden van de vordering tot gedwongen wederinkoop vervuld waren wanneer het een meningsverschil betreft tussen de echtgenoten die elk naar rata van 50% aandeelhouder zijn van een NV, (Luik 10 oktober 1997, JLMB 1998, 1067);
13. T. VERHOEST & K. GEENS, "Développements récents dans la matière des procédures de sortie prévues par les articles 190 ter et 190 quater des lois coordonnées ", seminarie Vanham & Vanham, 23 april 1998;
14. Artikel 637 Wetboek van vennootschappen;
15. Zie A.D. LEJEUNE en V.VERITER, "De voorlopige bewindvoerder in het vennootschapsrecht", Pacioli nr. 90, p1-5.

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:34:00