Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 115 - 28.02.02 - Interview met Minister van FinanciŽn Reynders

Editie nį 115 van 28 februari 2002

Interview met Minister van FinanciŽn Didier Reynders in 8 october 2001

Naar aanleiding van de hervorming van de personenbelasting en de op til staande wijzigingen in de vennootschapsbelasting, hadden de vertegenwoordigers van het BIBF , Mevr. Vťronique GODDEERIS (penningmeester) Mevr. FranÁoise PHILIPPE (ondervoorzitster) en de heren Paul LEDENT (voorzitter) en Geert LENAERTS (algemeen directeur) het genoegen om in een gesprek met de Minister een evaluatie te maken van deze hervormingen. Uiteraard kwam ook, gezien het tijdstip, de invoering van de euro, aan bod. Wij verkozen dit interview nu pas te publiceren, nadat in onze vorige nummers een volledig overzicht van de hervormingen inzake de personenbelasting werd gepubliceerd.

PACIOLI: Meneer de Minister, we danken u nu reeds voor het interview dat u ons hebt willen toestaan. Welke boodschap wil u aan onze leden meegeven ?

Minister Reynders: Het eerste luik gaat over de euro, het tweede gaat over de manier waarop de hervorming van de vennootschapsbelasting wordt voorbereid.
Voor de invoering van de euro gaat de bezorgdheid uit naar de zeer kleine ondernemingen (ZKO’s), de kleine ondernemingen, maar ook naar de kleine entiteiten van de publieke sector. We willen rekening houden met vele omstandigheden, maar op bepaalde punten had een aantal bijkomende inspanningen kunnen geleverd worden door sommige bedrijfsleiders of verantwoordelijken van publieke overheden om een correcte overstap naar de euro te maken wat de aanpassing van hun boekhouding betreft, van hun documentatie, van de relaties met hun klanten, hun leveranciers, enz. Op dit vlak had en heeft nog steeds iedereen die optreedt als adviseur bij ondernemingen, en in het bijzonder bij de kleinste onder die ondernemingen, een bijzondere rol te spelen. Ik verheug me erover dat de beroepsinstituten en -verenigingen via Eurochallenger en een aantal andere initiatieven op de wagen van de euro hebben willen springen. Enkele KMO’s hadden ofwel niets gepland, of berustten in de gedachte dat ze op 1 januari nog wel tijd genoeg zouden hebben om hun werkwijze te veranderen. Sommige KMO’s hebben die situatie meegemaakt bij de overgang naar het jaar 2000. Het verschil is dat de overgang naar het jaar 2000 een risico was terwijl de overgang naar de euro een verplichting is en bijgevolg een werkelijkheid waaraan niet te ontsnappen valt. Sommigen hebben enerzijds nog niet goed door dat de komst van de euro onafwendbaar is en dat er geen uitstel of wachttijd mogelijk is, en anderzijds dat de euro vele kansen biedt. Sommige ondernemingen hebben zeer weinig activiteiten in het buitenland, ook niet in de nabijgelegen landen die het belangrijkste aandeel vormen in onze buitenlandse handel. Ze zullen voortaan naar het buitenland kunnen gaan en de concurrentie kunnen aangaan met ondernemingen in buurlanden, die op hun beurt dankzij de euro gemakkelijk naar ons kunnen komen.
De verschillende gemeenschappen van ons land vormen een troef voor de buurlanden, maar Belgische burgers en ondernemingen moeten ook beseffen dat het een troef is die ook in omgekeerde richting kan gebruikt worden om aangrenzende markten binnen te dringen. De inzet is dus beperkt in de tijd. De markt zal afstraffen via de concurrentie. Ik meen dat zij die achterstand hebben opgelopen bij de overstap naar de euro daaronder in het begin van het jaar 2002 te lijden zullen hebben. De ondernemingen waren voldoende op voorhand gewaarschuwd dat ze geen staatshulp of -interventie voor wat dan ook moesten vragen. Toch moet onderstreept worden dat het belangrijkste van de voorbereiding correct verlopen is, en dat de meeste punten positief zijn. Volgens de Europese verslagen ter zake is BelgiŽ overigens beter voorbereid dan de buurlanden.

PACIOLI: Vooral de kleine ondernemingen hebben achterstand opgelopen bij de overgang naar de euro. Sommige worden afgeschrikt door de kosten die de overgang naar de Europese munt met zich brengt. Ze willen niet meer investeren en spreken over het stopzetten van hun activiteiten. Hebt u maatregelen op het oog, zoals bijvoorbeeld een verhoging van de investeringsaftrek met 1 % als de investering te wijten is aan de euro ?

Minister Reynders: Neen, omdat de overstap al lang gepland is, en omdat het anderzijds een discriminatie zou inhouden. Er zijn ondernemingen die hun investeringen zeer correct hebben gepland door te proberen deze zů te organiseren dat alles in verband met de muntomzetting zou verwezenlijkt zijn op het ogenblik van de overgang naar de euro.
Sommige hebben de investeringen die betrekking hebben op kassaregisters of op software lang op voorhand gepland.

Men mag niet vergeten dat we tegenwoordig met materieel werken dat relatief vlug wordt vervangen, dus een onverwachte investering is het niet.

Sinds 1 januari 1999 hebben we de euro, en men wist dat de omloop van het papiergeld er stilaan ging aankomen.
Voorts moeten de regels gerespecteerd worden. Een dergelijke investering is een investering zoals een andere en moet als zodanig behandeld worden. Men vergeet te vaak dat de eenmalige kosten verbonden aan de overgang naar de euro, ruimschoots gecompenseerd zullen worden door de voordelen die eruit voortvloeien. Dat geldt voor de banksector tot en met de distributiesector. Zelfs voor handelaars is winst verbonden aan muntstabiliteit.
Het feit dat de koopkracht beter gegarandeerd is in Europa, en dus ook in BelgiŽ, is een niet te verwaarlozen element. De dioxinecrisis die we gekend hebben in 1999 heeft geen enkele waardevermindering van de munt teweeggebracht, dankzij de euro. Na aanslagen zoals die van 11 september zouden we vroeger over heel Europa monetaire ontregelingen gekend hebben. Dit was nu niet het geval.
De euro biedt zodoende stabiliteit aan de economische omgeving.

Nog een belangrijk element is dat van de prijzen. Er doet een gerucht de ronde dat door de pers werd opgeblazen en dat uitgaat van een reŽel gegeven. Er zijn effectief een aantal ontsporingen.

Men kan zich niet inbeelden dat er in een systeem van vrije prijzen geen mensen zouden zijn die van de overgang naar de euro profiteren om hun prijzen te verhogen. Maar we zitten op dit ogenblik in een periode van stabiele en zelfs afnemende inflatie.
Als, zoals ik vaak lees, de prijzen met 10 of 15 % gestegen zouden zijn, dan zou dat een weerslag hebben op de inflatie. Dat er onregelmatigheden geweest zijn, daar twijfel ik niet aan, maar we moeten het goede voorbeeld op de voorgrond plaatsen. Dat is wat de Staat probeert te doen. We hebben het gedaan voor de belastingbarema’s. Op 1 januari werden ze naar onder afgerond. De Staat trekt 25 miljoen euro uit (1 miljard BEF) om de barema’s naar onder af te ronden.

Tweede zaak: het publiek moet geÔnformeerd en eraan herinnerd worden dat wie zijn prijzen verhoogt door de markt gesanctioneerd zal worden. Men moet de concurrentie laten spelen. We gaan niet opnieuw de prijzen blokkeren.

De mensen moeten niet aarzelen om van handelaar te veranderen als ze denken dat hij overdrijft. Het moet gezegd worden - en ik sta er erg op - dat de prijzen op dit ogenblik stabiel blijven en dat er geen enkele aanwijzing is voor het tegendeel.
Maar als consumenten problemen ondervinden, moeten ze dat aan de betrokken handelaar zeggen en hem uitleggen waarom ze elders gaan kopen.

PACIOLI: Meneer de minister, kunnen we de geplande hervorming van de vennootschapsbelasting
aansnijden ?

Minister Reynders: Als inleiding op de vennootschapsbelasting moet men letten op alle maatregelen die voor de ZKO’s in het kader van die vennootschapsbelasting zullen getroffen worden en zal men zien dat de hervorming per slot van rekening het meest ten goede komt aan diegenen die tegenwoordig het minst gebruik maken van fiscale spitsvondigheden en die de tijd noch de middelen en de deskundigheid hebben voor zeer ingewikkelde operaties.
Zij zullen een verminderd tarief krijgen dat opnieuw verlaagd zal worden, doordat de vennootschapsbelasting, die voor de KMO’s al lager was, nog eens in dezelfde mate verminderd zal worden als het algemene belastingspercentage. Vervolgens worden specifieke maatregelen genomen zoals de vrijstelling van winsten gereserveerd voor toekomstige investeringen.

Rond dat concept zullen vragen rijzen, en ook hier ben ik van oordeel dat tussenpersonen die een adviserende rol spelen in ondernemingen opnieuw een bijzondere plaats bij deze ontwikkeling zullen innemen. Immers, hoe meer het verminderde tarief automatisch van toepassing zal zijn zodra de winsten zijn vrijgemaakt, hoe meer die maatregelen meegedeeld en uitgelegd moeten worden aan bedrijfsleiders.

Dat zijn de twee sleutelelementen voor de beroepsmensen die advies moeten geven en als tussenpersoon moeten optreden. Zowel de overgang naar de euro als het uitleggen van stimulerende maatregelen zijn belangrijke elementen, want de bedrijfsleiders zijn niet altijd op de hoogte van de mogelijkheden die hen worden geboden.

PACIOLI: De regering maakte bekend dat de operatie voor de vennootschapsbelasting, in tegenstelling tot de personenbelasting, een budgettair neutrale operatie zou zijn. Kan U ons enig inzicht geven over de concrete uitwerking hiervan ?

Minister Reynders: Neen, er zijn enkele oriŽntaties. Ik moet toch herinneren aan wat bij het begin van deze legislatuur beslist werd, nl. dat de lasten op de arbeid verlicht zouden worden.

Zijn dat fiscale of sociale lasten ? Bij natuurlijke personen gebeurt dat hoofdzakelijk via een belastingvermindering.
De belastinghervorming speelt hier ten volle, en gaat reeds op 1 januari uitwerking hebben. Om u een idee te geven : vanaf 1 januari 2002 verlaagt de crisisbijdrage met 1 %, dan komen we op 1 % in plaats van de 3 procent waarmee we zijn begonnen. Vanaf 1 januari wordt de voorheffing van het hoogste tarief verlaagd van 55 % naar 52 %. De aftrekbare beroepskosten gaan toenemen en de euromaatregel waarover ik sprak, ten bedrage van 1 miljard zal ook meespelen.

In 2002 gaan we dus een nieuwe vermindering van de personenbelasting krijgen die 44 miljard BEF aan voorheffing zal bedragen.
Als ik er de terugbetalingen voor de eerdere jaren en indexeringen waarmee in de voorheffing niet altijd rekening wordt gehouden, bijtel dan is dat in totaal 57 miljard. Dat is een aanzienlijk bedrag voor de vermindering van de personenbelasting.

Wat de ondernemingen betreft, en omdat hier gesproken wordt over neutrale operaties, was de keuze die al van bij het begin gemaakt werd, het verminderen van de lasten op de arbeid en bijgevolg eerst de sociale bijdragen, vandaar de vermindering van 32 000 BEF per persoon in dienst vanaf 1 april 2000.
En zo zal men in 2002 een tiental miljard BEF aan het bedrag van 2001 kunnen toevoegen. We verwachten ook de verhoging van de enveloppe voor de geplande vermindering van de lasten. De personenbelasting komt onder druk te staan, evenals de persoonlijke bijdragen die voor de laagste lonen zullen verminderen.

Voor de ondernemingen is er een vermindering van de sociale lasten, want een vermindering van de vennootschapsbelasting heeft niet noodzakelijk uitwerking op de arbeidslast.
Die kan een uitwerking hebben voor ondernemingen die veel kapitaalintensiever zijn en niet zoveel personeel in dienst hebben. Door naar de ondernemingen toe de vermindering van de sociale lasten uit te spelen, brengen we de werkgelegenheid echt op de voorgrond. Men moet het probleem in zijn geheel zien.

Ik bevestig dus dat we volgende prioriteiten hebben : de personenbelasting aan de ene kant, en de sociale lasten aan de andere. De vennootschapsbelasting is een andere zaak. Eerst moeten de tarieven zichtbaar verminderd worden en moet bijgevolg aan de Belgische en buitenlandse investeerders getoond worden dat we binnen het Europese gemiddelde vallen.

Ik hoop zelfs dat we mettertijd in de lage helft van het Europese gemiddelde kunnen belanden. Dat is een eerste doel. Het tweede doel is deze regeling in te voeren via een speciaal voordeel aan de kleinste ondernemingen, de ZKO’s en KMO’s, zowel door de verminderde tarieven nog sterker te verlagen als door specifieke maatregelen te treffen.
Die ondernemingen profiteren het minst van alle bestaande, soms bijzondere aftreksystemen.

Het derde, even belangrijke maar in BelgiŽ moeilijk als algemene regel door te voeren element is het "ruling"-systeem om uiteindelijk tot een betere relatie tussen de investeerder en de belastingadministratie te komen.

Momenteel heb ik een droom die ik binnen de regering wil waarmaken. En dat is : ergens in Brussel een soort huis van het Ministerie van FinanciŽn te hebben speciaal voor investeerders en marktoperatoren die een ruling willen verkrijgen of in iedere geval juridische zekerheid over hun fiscaal lot, wanneer ze een operatie op het getouw zetten. De ruling wordt hoofdzakelijk voorbehouden voor de ondernemingsgedachte, of het nu om een zeer kleine of om een zeer grote onderneming gaat.

De crisisbijdrage voor particulieren is overigens nog niet helemaal afgeschaft, het tarief wordt verlaagd, maar de bijdrage wordt voorlopig gehandhaafd.
De vennootschapsbelasting wordt van 39 % op 33 % gebracht en met de crisisbijdrage gaan we dus van 40,17 % naar 33,99 %. We hadden 34 % bekendgemaakt, en we zullen er dus juist onder liggen.

Voor de KMO’s gaat het verlaagd tarief verminderen.
Voor het eerste miljoen bijvoorbeeld lagen we boven 28 %, nu zullen we naar 24,98 % gaan, dat wil zeggen 24,25 % plus 3 % crisisbijdrage. We hadden 25 % bekendgemaakt, en het zal 24,98 % zijn.

En de overige verlaagde tarieven worden lager. Dat heeft zijn belang : gezien de crisisbijdrage gehandhaafd werd, zal de tweede etappe bestaan in het afschaffen ervan. Omdat de bijdrage in 2003 voor particulieren volledig afgeschaft zal zijn, kan men zich op dat ogenblik afvragen of ze ook afgeschaft moet worden voor ondernemingen, zodat we dan kunnen zakken tot 33 %.

Daarbij komt dan nog de belastingvrijstelling van winsten die voor investeringen worden voorbehouden. We hebben op grond van een eerste evaluatie al een enveloppe van 2 miljard frank opzij gezet voor belastingvrijstellingen op gereserveerde winst - wat niet slecht is voor KMO’s.
Uiteraard moet besproken worden wat een KMO is, welke de grootte is die in aanmerking wordt genomen en welke de referentiecriteria (criteria die kunnen schommelen) en ook de types van investeringen en de periodes zijn. Volgens mij moeten we middellange periodes nemen. Op zeer lange termijn kan niet gewerkt worden.

Een KMO die geld opzij zet voor investeringen binnen 20 jaar, daar geloof ik niet in!
Anderzijds kunnen we ook niet eisen dat het binnen 2 jaar gebeurt. Er is een investeringsplan nodig dat gerealiseerd moet worden.

Er zijn ook maatregelen die de manier van belastingen betalen betreffen. Er zijn vrijstellingen en mogelijkheden voor bijkomende betalingen bovenop de reeds gedane voorafbetalingen. Er worden betalingsfaciliteiten geboden aan KMO’s. Dat was het voor het gedeelte van de KMO’s.

Wat de ruling betreft, heerst het idee dat die soepeler en opener moet worden met bijgevolg een controle.
Ik heb aan de regering voorgesteld dat al die rulingprocedures onmiddellijk op papier en ook op de website van het Ministerie gepubliceerd zouden worden. Alle rulings zouden voorgelegd worden aan een parlementaire commissie. Er zou dus volledige informatie zijn, wat betekent dat de minister grotere bewegingsvrijheid en meer middelen moet hebben om de ruling aan de administratie op te leggen, behalve in gevallen van fraude of ander strafbaar gedrag.
Doch als iemand exact uitvoert wat hij heeft bekendgemaakt, moet hij kunnen profiteren van de fiscale behandeling die hem is meegedeeld.

PACIOLI: Wat wil men daarnaast doen op het vlak van financieringsmaatregelen ?

Minister Reynders: Er moet een einde gesteld worden aan onregelmatigheden. De dividenden bijvoorbeeld worden belast.
Daarentegen worden de liquidatieboni dat helemaal niet.

Ik heb een belastingheffing voorgesteld van 10 %, en dat lijkt me redelijk logisch om een einde te maken aan een leemte in de fiscale wetgeving. We weten immers hoe een aantal vereffeningen gebeurd is en hoe de verdeling vervolgens verlopen is. We zitten met dat percentage onder de roerende voorheffing.

10 % is volledig aanvaardbaar en laat nog een keuze : als iemand moet vereffenen om volstrekt geldige redenen, ligt de 10 % onder het bedrag dat men betaalt als men dividenden uitkeert of als men voorheffing betaalt op intresten of dividenden.
Het lijkt me redelijk, en het is een belangrijk deel van de actualiteit van de hervorming.

Bij de eerste evaluaties waren we niet ver van 10 miljard frank verwijderd. Als ik een hoger bedrag had genomen, dan hadden we de vereffeningen bijna zien verdwijnen, daar ben ik van overtuigd.
Door 10 % te nemen, denk ik dat men nog een groot deel van de liquidatieboni kan overhouden. Er zullen zeer specifieke maatregelen komen, onder meer voor de coŲperatieve vennootschappen.
De belastingvrijstelling voor de natuurlijke persoon die dividenden ontvangt van een coŲperatieve vennootschap laten we onaangeroerd, maar we gaan naar een normaler belastingheffingsstelsel voor de coŲperatieve vennootschap die dividenden uitbetaalt.

Het zijn maatregelen die volgens mij correcties zijn van "leemten" in de fiscale wetgeving, maar de Belg is zeer snel om "leemten" te ontdekken, zich erop te storten en ze zo groot mogelijk te maken.

Het tweede type van maatregelen bestaat in het voortzetten van de strijd tegen misbruiken. We gaan bijvoorbeeld het stelsel van de afschrijvingen herzien.

PACIOLI: Wil u de richting uitgaan van het IAS-stelsel ?

Minister Reynders: We zullen zien. Momenteel lijkt me dat erg ingewikkeld voor de 240 000 jaarrekeningen die ieder jaar bij de Balanscentrale worden neergelegd.

Ik herinner eraan dat over het Europese reglement inzake de IAS-normen net een politiek akkoord bereikt is binnen de Ecofin-raad en dat dankzij zware inspanningen die geleverd werden door het Belgische voorzitterschap.
Het betreft hoofdzakelijk de geconsolideerde rekeningen van de 6 000 Europese beursgenoteerde maatschappijen.

Ik zou overigens vooral met beroepsmensen, federaties van ondernemingen en verenigingen waaronder regionale zoals de U.W.E. (Union Walonne des Entreprises, het V.E.V. (Vlaams Economisch Verbond) en het V.B.O. (Verbond van Belgische Ondernemingen) willen bekijken hoe het afschrijvingenstelsel en ook de problematiek van de aftreksystemen voor wagenparken herzien kan worden.

Ik heb het niet over de situatie van de natuurlijke personen. We raken niet aan de situatie van natuurlijke personen, maar hoe voeren we een aftrek uit en in welke mate ?

Het gaat om investeringen voor een wagenpark en niet alleen om directievoertuigen. Men hoeft maar de situatie binnen de Belgische ondernemingen te bekijken om zich er rekenschap van te geven dat dit luik zich de jongste jaren zeer sterk ontwikkeld heeft.

Maar als ik de verlaging van de personenbelasting met de vermindering van het tarief van de vennootschapsbelasting verbindt, bestaan er misschien technieken die meer complementair zijn en aan de kant van de ondernemingen wat beter beheerst zouden kunnen worden.
Men moet er zich in ieder geval beter bewust van zijn, als men de uitgave doet. Zeer vaak had men zeer grote wagenparken die tegelijk in de onderneming werden afgetrokken, en ook een voordeel waren dat aan steeds meer personeelsleden werd gegeven. Omdat we spelen op een zeer sterke verlaging van de personenbelasting in 2003 (afschaffing van de crisisbelasting van 3 % en vermindering van het hoogste belastingtarief van 55 % naar 50 %), nodig ik u uit om eens te berekenen wat dat in termen van bezoldigingen vertegenwoordigt.

Ik leg vooral de klemtoon op drie types van maatregelen : het eerste heeft betrekking op de misbruiken of de afwijkingen die een beetje beheerst moeten worden zoals de DBI, het tweede betreft de leemten of zwakten in de wetgeving zoals de liquidatieboni, de aftrekbaarheid bij de coŲperatieve vennootschappen, en tot slot is er een principe dat ik zou willen doordrijven maar dat in eerste instantie gematigd uitgevoerd zal worden, want dat zal volgens mij toch tussen 6 en 8 miljard BEF vertegenwoordigen (we zijn bezig met nieuwe schattingen), en dat is het principe van de fiscale autonomie.

U weet dat de belastingheffing op de vennootschappen niet aftrekbaar is, ook al dromen sommigen daar wel eens van, maar de belastingen ingesteld door gemeenten, provincies en gewesten zijn dat wťl. Ik heb het idee verdedigd dat als gemeenten, provincies en gewesten over fiscale autonomie beschikken, zij ook de gevolgen daarvan moeten dragen.
Als een gemeente of een gewest beslist om een belasting te heffen op een onderneming, dan mag ze daarvan geen 40 % en in de toekomst 33 % door de Staat laten betalen. Ze moeten aanvaarden dat deze belasting betaald moet worden door de onderneming, omdat - als dat niet zo is - het beeld voor de belastingbetaler zeer sterk wordt vervalst. De belastingplichtige gaat bij zichzelf zeggen dat het aftrekbaar is, en dat hij er toch een deel van recupereert. Men geeft hem geen duidelijk beeld van wat hij moet betalen. Ik vermeld maar even dat daarmee de vermindering tot 34 % bijna helemaal gefinancierd zou kunnen worden.

Als we alle gemeentelijke, provinciale en gewestelijke belastingen op ondernemingen niet aftrekbaar zouden maken, dan hadden we daarmee de vermindering tot 34 % kunnen bekostigen.
Ik zou dit goed willen benadrukken omdat het een idee geeft over de grootte van die bedragen. We spreken over 36 of 37 miljard BEF.

PACIOLI: Er zijn toch enkele belastingen die specifiek beroepsmatig zijn, zoals bijvoorbeeld de belasting op uithangborden.

Minister Reynders: Ja, maar die is niet verplicht. Het komt erop aan te weten of een gemeente effectief beslist een beginnend handelaar te belasten omdat hij een uithangbord heeft. Dat zijn keuzes die men kan maken. Maar er is geen reden om de Staat daarvan een deel te laten betalen.

PACIOLI: De gemeente beslist, maar de belastingbetaler moet ervoor opdraaien!

Minister Reynders: Ervoor opdraaien ? Neen, want de vennootschapsbelasting vermindert. We zullen die nog verder kunnen verminderen. Maar het is veel doorzichtiger. We zouden bijvoorbeeld weten dat we 30 % of 33 % in plaats van 40 % vennootschapsbelasting betalen, en dat daar nog eens belastingen bijkomen.

Maar vergeet niet dat als een investeerder of een handelaar in deze of gene gemeente, wijk of provincie aankomt, hij moet weten dat, als hij zich daar vestigt, hij meer belastingen betaalt dan elders. We laten dus de autonomie spelen.
Momenteel telt die autonomie relatief weinig mee voor de aftrekbare bedragen, want hoe dan ook wordt een groot deel van de lokale of gewestelijke belasting door de Staat gecompenseerd.

Bovendien bestaat er een zekere onrechtvaardigheid. Als ik zeg gecompenseerd door de Staat, dan is dat zo voor ondernemingen die winst maken.
Ondernemingen die geen winst maken trekken die belastingen effectief af, maar dat blijft nog altijd onder een winstmarge. We zullen een deel van de operatie financieren door de eigen gewestelijke belastingen niet aftrekbaar te maken. We zullen niet raken aan de financiering van de gewesten die door bijzondere wetten wordt geregeld, namelijk de overdrachten van middelen van de Federale Staat.

Anderzijds zijn er belastingen die door de gewesten worden geheven, onder meer op het vlak van milieu. Er is geen enkele reden om te stellen dat een gewest zichzelf op rekening van de federale staat, en dus met de vennootschapsbelasting mag financieren, omdat ze een groter bedrag heeft ingesteld. Dat is een oriŽntatie die ik naar voren probeer te brengen.

Ik voeg daaraan toe dat er geen sprake kan zijn van gelijk welke belasting op meerwaarden. Dat is niet te verwaarlozen voor iedereen die een activiteit probeert te ontwikkelen, probeert te investeren en probeert te profiteren van de opbrengst van een investering.
Een meerwaarde is een valorisatie van een gedane investering. Daaraan zal dus helemaal niets veranderen. We kunnen ons wel voornemen iets beperkt te doen, maar dat zou het begin zijn van een zwaardere maatregel, en ik vind dat de uitwerkingen daarvan te negatief zouden zijn.

Als we zouden bekendmaken dat we zelfs maar een klein beetje zouden gaan raken aan het systeem waarin meerwaarden niet belast worden, zou dit een signaal zijn dat men in BelgiŽ gaat knagen aan de winst die via een goede investering werd gerealiseerd. Ons systeem is nu aantrekkelijk genoeg voor een aantal buitenlandse investeerders om zich in BelgiŽ te vestigen. Dat is de bedoeling van het systeem en er bestaat dus geen reden om dit te veranderen. Als we gaan raken aan bepaalde mechanismen die vaak buitensporig zijn of wijzen op lacunes in de wetgeving, dan is het de bedoeling het de ondernemingen gemakkelijker te maken door ze te laten profiteren van verminderde tarieven. Het spreekt vanzelf dat er in het eerste jaar niet geŽvalueerd zal kunnen worden of deze tariefvermindering een gunstige uitwerking heeft, maar als in de loop van de volgende jaren vastgesteld wordt dat er effectief een ondersteuning van de bedrijfsactiviteiten gekomen is door de vermindering van die tarieven, dan zullen we waarschijnlijk de crisisbijdrage kunnen afschaffen of nog verder gaan met de belastingvermindering.

Maar dat moet steeds opnieuw gesitueerd worden in een algemene filosofie. We hebben inderdaad van bij het begin gezegd dat we de sociale en fiscale lasten op arbeid wilden verlichten.
Ieder jaar spreek ik daarover met bedrijfsleiders, ik herinner hen eraan dat de vennootschapsbelasting op zich geen belasting is op de arbeid. Ze kan dat zijn, maar in mindere mate dan de personenbelasting of de sociale bijdragen.

PACIOLI: Zijn er op het vlak van de aftrekbaarheid nog andere punten die men wil aanpakken naast de voertuigen ?

Minister Reynders: Neen, en we raken aan niets wat natuurlijke personen aangaat. Wat het verminderde belastingtarief betreft zitten we aan het minimum. Men moet zich daarvan bewust zijn. We zitten onder de minimale belastinggrondslag voor de natuurlijke personen. En als we de voorheffingen op dividenden daarbij voegen, namelijk 25 %, maakt dat in totaal 50 %. Dat is gelijk aan het hoogste belastingtarief voor natuurlijke personen. Men moet een keuze maken.
Ofwel blijft men verder werken als natuurlijk persoon met het fiscaal statuut van een natuurlijk persoon, ofwel vormt men zich om tot een vennootschap, maar nůg verder gaan wordt stilaan onhoudbaar ten opzichte van het statuut van de natuurlijke personen. De mensen moeten in functie van de economische realiteit kiezen of ze verder werken als vennootschap of niet. We mogen geen buitensporig fiscaal voordeel geven. Men mag de hervorming van de vennootschapsbelasting niet interpreteren zonder daarbij de hervorming van de personenbelasting te betrekken.

Ik hoop dat de hervorming van de personenbelasting een aantal zelfstandigen maar ook kaderleden ertoe zal aanzetten zich meer op hun vak dan op de belastingen te concentreren. Dat wil al wat zeggen.

De voorbije jaren stonden de mensen te dringen voor overeenkomsten voor pensioensparen om 20 000 of 22 000 BEF te kunnen aftrekken. Men moet de verhoudingen bekijken.
Daarmee wint u aan het hoogste belastingtarief 11 000 tot 12 000 BEF aan belastingen via een speciale regeling en een plan waartoe u moet toetreden.

Door de belastingtarieven te verminderen, door de crisisbijdrage af te schaffen en door het barema te herzien, winnen kaderleden in een KMO verscheidene honderdduizenden frank aan belastingvermindering per jaar. Het probleem dat zal blijven bestaan bij de personenbelasting is niet zozeer een probleem van een te hoge belasting van gemiddelde en hoge inkomens, maar een probleem van te hoge sociale lasten, onder meer de sociale bijdragen voor zelfstandigen.

Ik blijf ervan overtuigd dat men zich de komende jaren moet afvragen, maar dat is een ander debat, of het aantal personen dat de belasting betaalt niet verminderd moet worden.
De belasting wordt te vroeg en te vlug betaald vergeleken met wat er in het buitenland gebeurt.

Ik heb het idee willen doordrukken dat men nooit meer dan ťťn frank op twee aan de Staat moet betalen. Dat is het hoogste belastingtarief van 50 % van de federale belastingen. Het probleem is nu dat uitgemaakt moet worden in welke mate we dat percentage even vlug moeten doen betalen. We gaan het probleem al regelen door het belastbaar minimum van gehuwden te verhogen, wat opnieuw een afstand schept met mensen die geen belastingen meer betalen. Men zit zeer snel aan het percentage van 25 % en als we naar de bedragen kijken, zijn de minima zeer laag en gaan de tarieven zeer snel omhoog.

Volgend jaar zullen we ongeveer 3 000 miljard BEF aan belastinginkomsten hebben, en als we de sociale inkomsten daarbij optellen komen we aan +/- 4 500 miljard BEF. De hervorming van de personenbelasting met de indexering van de barema’s, de crisisbijdrage, enz., zal geleidelijk 300 miljard vermindering vertegenwoordigen. Dat staat gelijk met 10 % van de fiscale massa. De belastingvermindering bestaat bijna uitsluitend uit een vermindering van de belasting op arbeid.

In de toekomst zullen er nog inspanningen moeten geleverd worden om het belastingaandeel van natuurlijke personen te verlagen en de belastingheffingen op energie of andere zaken progressief te verhogen, of eenvoudigweg het belastingaandeel te verminderen door een verlaging van de schuld.

PACIOLI: Wat de verplaatsingskosten en de belastingvrijstel-lingen betreft zouden verscheidene van onze leden willen weten of onder ’andere verplaatsingskosten’ ook carpoolen verstaan wordt of de wagen van de levenspartner, ... ?

Minister Reynders: Ja. De fiscale hervorming handhaaft het systeem op het vlak van de verplaatsingskosten. Er wordt me veel gevraagd of de 6 BEF/km nog steeds kan afgetrokken worden als men zijn eigen wagen gebruikt voor meer dan 25 km heen en 25 km terug. Het antwoord is ja. Voor de motorfietsen verandert er ook niets.

Daarnaast hadden we reeds een eerste maatregel getroffen voor de terugbetalingen door de ondernemingen van het openbaar vervoer en hadden we gezegd dat dit integraal aftrekbaar was in hoofde van de onderneming.

En daarna is er de maatregel bijgekomen die niet altijd onmiddellijk begrepen wordt, nl. die van de 6 BEF/km voor 25 km heenreis en 25 km terugreis, wat in totaal 50 km maakt, voor het eerste jaar met een impact op de inkomsten van 2001, wat vanaf 2002 verhoogd zal kunnen worden, en die ook andere manieren van transport zoals carpoolen betreft.
De persoon die profiteert van het carpoolen zal 6 BEF/km kunnen aftrekken. De eigenaar van de wagen of de bestuurder zal de 6 BEF per kilometer over het hele traject helemaal kunnen aftrekken. Alle andere passagiers zullen zelfs zonder kosten te maken een bedrag van 6 BEF/km kunnen aftrekken.
Als we 6 BEF/km rekenen voor een reis van 50 km heen en terug, maakt dat 300 BEF, maar voor 220 trajecten, maakt dat 66 000 BEF.

En men heeft ons gezegd dat het met zo’n bedrag niet meer interessant is de werkelijke kosten aan te geven. Dat is niet waar, want het gaat alleen maar over de transportkosten.
Bijvoorbeeld : een leerkracht kan zijn opleidingskosten aftrekken en kosten van investeringen in materieel. Als hij die bedragen optelt, dan gaat hij met zijn 66 000 BEF overduidelijk boven zijn forfait uitkomen.

Veel mensen geven het op om de werkelijke kosten in te dienen, omdat ze maar 2 000 of 3 000 BEF boven of onder het forfait uitkomen. Die mensen verkiezen dus het forfait.

Als u er daarentegen dankzij de maatregel met 50 000 BEF over gaat, dan maakt dat tegen het hoogste tarief 25 000 BEF, 20 000 BEF of 15 000 BEF belastingen minder volgens het barema, en dat begint de moeite waard te worden.
U moet niet denken dat - omdat we dat het eerste jaar gedaan hebben - we het tweede jaar de maatregel gaan verdubbelen, dat zou dan 132 000 BEF worden. Als dat het geval is, zou het voordeliger zijn de werkelijke beroepskosten aan te geven.

Het doel van de maatregel is met betrekking tot wat er momenteel bestaat in het transportstelsel te kunnen zeggen dat zij die voor de korte afstand gebruik maken van carpooling en ook van het treinabonnement, op dezelfde manier een aftrek kunnen realiseren.
We geven een groter voordeel aan reŽle kosten als u kiest voor transportwijzen die minder storend zijn voor het milieu.

U zult het zelf vaststellen, als u de situatie op de autowegen bekijkt.
Er rijden heel veel wagens rond met slechts ťťn persoon erin. Men kan zich voorstellen wat het systeem gaat opleveren. Ik heb al verscheidene keren gezegd dat we vůůr een systeem zijn met veel meer carpooling op twee of drie voorwaarden : eerst en vooral moet de mentaliteit evolueren, er moet ook een belastingvoordeel komen en tot slot moeten bedrijven, gemeentebesturen en gewesten het belang van dergelijk beleid inzien.

Men moet evenwel zijn wagen op een veilige plek kunnen achterlaten en dus zijn er systemen van bewaakte parkings nodig. Over de motorfietsen is er een debat geweest.
Samen met mijn collega Johan Vande Lanotte heb ik ervoor moeten opkomen dat er geen reden is om de motorfiets in termen van milieu en mobiliteit te bestraffen.

PACIOLI: Wat de termijnen betreft voor het indienen van de aangiften heeft de boekhouder het recht aan zijn inspecteur een collectief uitstel te vragen en het indienen van zijn aangiften te spreiden van 30 juni tot 30 september. Het probleem zit evenwel in het aanvragen van dat uitstel. De boekhouder is verplicht alle termijnen voor het indienen van de aangiftes ineens aan te vragen vůůr een zekere datum. Als een nieuwe klant zich na die datum tot hem richt, kan er geen uitstel gevraagd worden. Vorig jaar moest men uitstel voor het indienen van aangifte van de vennootschapsbelasting aanvragen nog vůůr men de aangifte had gekregen. Men zou dus een vereenvoudiging van de aanvraagprocedure wensen.

Minister Reynders: Het eerste probleem waarmee ik te maken kreeg toen ik op financiŽn kwam, was dat het bestuur moest gedwongen worden de termijnen na te leven. Voor de natuurlijke personen hebben we dat haast verwezenlijkt. Maar er zijn nog problemen met de vennootschaps-belasting.

De werkdruk is zeer zwaar en gaat de komende twee tot drie jaar evolueren. We zijn bezig met een volledige hervorming van de administraties van de belastingen.
De ganse logica van het systeem moet dus herzien worden.

Toen ik in 1999 op het departement aankwam, heb ik uitstel verleend omdat er vertraging was met de aangiften. Ik heb voorgesteld dat de timing voor het volgende jaar herzien zou worden. Om 36 redenen komt de aangifte toch te laat.

Vervolgens hebben we de klemtoon gelegd op een meer geÔnformatiseerd systeem voor de beroepsmensen.
Op het vlak van de BTW gaat de elektronische aangifte erop vooruit, en zullen we met alle beroepsmensen op basis van elektronische aangiften kunnen werken. Maar ook een aantal aanvraagprocedures van de beroepsmensen moet herzien worden. Voor de BTW-aangiften zijn er twee keuzemogelijkheden : ofwel biedt men iedereen de mogelijkheid zijn BTW-aangifte elektronisch in te dienen, ofwel probeert men eerst alleen met de beroepsmensen elektronisch te werken. Dat is de hoofdzaak.

Het grootste gedeelte van de aangiften wordt toch al ingediend door beroepsmensen die ook de rol van raadgever spelen. We moeten dus met die beroepsmensen bekijken hoe we een meer geautomatiseerd en eenvoudiger systeem van relaties met de administratie kunnen invoeren, met inbegrip van de organisatie van termijnen.
Ook voor de administratie betekent dat een nieuwe organisatie van haar werk. Als alles correct gepland wordt, en de aangiften binnen de termijnen verstuurd worden en de beroepsmensen de indiening van die aangiften binnen de voorziene termijnen aankondigen, dan vereenvoudigen we de opdracht van iedereen. Dan zal later het systeem van de elektronische aangiften uitgebreid kunnen worden tot alle domeinen van de vennootschaps- en personenbelasting.
Om dat te doen heb ik voorgesteld om voor een groot aantal personen vooraf ingevulde aangiften te maken en hen te vragen die in voorkomend geval aan te vullen of te verbeteren. Als iemand ons in een vooraf ingevulde of elektronische aangifte zegt dat hij akkoord gaat met de inhoud, dan is de berekening al gemaakt. Dat is tegelijk een vereenvoudiging voor de persoon in kwestie en voor de administratie, maar voor de Staat zijn alle gegevens van de belasting al gecodeerd. Voor de loontrekkenden zijn de bedragen algemeen bekend en voor veel zelfstandigen fortaitair.

We werken met beroepsmensen en we mogen dus uitgaan van de veronderstelling van een eenvoudigere en harmonieuzere relatie, met dien verstande dat de sanctie zwaarder zal zijn in geval van onregelmatigheden.

PACIOLI: De beroepsmensen zullen kunnen blijven spreiden, maar het systeem is ingewikkeld. De belasting die het jaar voordien betaald werd, moet herzien worden alsook de voorafbetalingen die werden gedaan ... Maar als de klant gestraft wordt, is het de boekhouder die slechts enkele dagen de tijd heeft om de aangifte in te vullen.

Minister Reynders: We kunnen het geval onderzoeken en bekijken hoe de procedure vereenvoudigd kan worden.

PACIOLI: De termijn van drie maanden om bezwaar in te dienen is voor ons beroepsmensen zeer kort.

Minister Reynders: Men moet de klant er ook duidelijk op wijzen dat, als hij informatie krijgt van de belastingen zoals bijvoorbeeld een bericht van wijziging of een aanslagbiljet, hij dit onmiddellijk moet doorspelen aan zijn boekhouder.
Anderzijds kan de administratie onachtzaamheid of die manier van werken niet aanmoedigen.

PACIOLI: Wat kan de boekhouder daaraan doen ?

Minister Reynders: Hij moet de klant zover krijgen dat hij zijn documenten doorspeelt, zodra hij ze krijgt. Er moet een evenwicht gevonden worden tussen de twee.

U kunt gelijk welke termijn stellen, helemaal op het laatste ogenblik daarvan staat iedereen toch in de rij.

De gemeenten klagen over de zogezegde vertragingen met de onroerende voorheffing.

Telkens opnieuw herhaal ik dat men tot 30 juni van het volgende jaar tijd heeft.
Wat wil je dan ? Dat ze de voorheffing vlugger laten binnenkomen ? Op kosten van de belastingplichtige ? De wet geeft tijd tot 30 juni van het volgende jaar. De relaties moeten vereenvoudigd worden en zo automatisch mogelijk gemaakt worden.

Als we over termijnen spreken, moet de belastingbetaler zelf evenwel zoveel mogelijk gesensibiliseerd worden voor het feit dat hij die moet respecteren. Er moeten aan weerszijden inspanningen geleverd worden.

Voor de elektronische aangifte hoop ik dat de beroepsmensen er volledig zullen op overstappen.
Op welk ogenblik zal men kunnen zeggen dat ze verplicht is ? Als we faciliteiten geven die vandaag de dag onmisbaar zijn zoals de mogelijkheid om een aantal elementen langs elektronische weg in te voeren, moeten we aanvaarden dat dit op een zeker ogenblik echt verplicht wordt.

PACIOLI: Voor de BTW-aangiften in juli en augustus geeft u de toestemming om deze de 10de van de volgende maand in te dienen. Zou het niet mogelijk zijn om hetzelfde uitstel te krijgen voor de aangifte die in januari binnen moet voor de laatste maand of het laatste kwartaal van het vorige jaar ?

Minister Reynders: We kunnen overwegen om die vraag te bestuderen.

PACIOLI: Onze klanten krijgen de facturen van hun leveranciers met vertraging door de feestdagen in het begin van het jaar, en wij moeten dus wachten tot we alle facturen hebben. Uiteindelijk blijven er dan voor de boekhouder maar 7 tot 8 dagen over om ze te boeken en alle BTW-aangiften in te dienen ?

Minister Reynders: Als wij het aan de zijde van FinanciŽn elektronisch doen, moeten aan de andere kant ook de belastingplichtigen en de beroepsmensen op een gegeven ogenblik daarop overstappen. Vandaag de dag kondigen we de elektronische aangifte aan en morgen zal het de elektronische factuur : Voor sommige kleine handelaars is dat moeilijk !

Minister Reynders: Aanpassen is noodzakelijk. Het mag ook niet gebeuren dat de administratieve regels te ver gaan en het gemakkelijk maken dat men zich niet aanpast. Men moet op hetzelfde ogenblik beginnen. Het Ministerie van FinanciŽn heeft veel werk om zich aan te passen, maar in een aantal gevallen moet het zich aanpassen op het gevaar af een aantal van die aanpassingen ook op te leggen aan de economische operatoren, want anders geraken we er niet uit. Kijk eens naar de evolutie van de bankverrichtingen; veel particulieren hebben steeds meer elektronische relaties met hun bank. Een beter middel om fouten te vermijden is er niet. In ieder geval als u opnieuw moet reproduceren, overschrijven of coderen, dan begaat u fouten.

PACIOLI: Meneer de minister, we danken u voor dit aangename gesprek, en zullen de inhoud ervan aan onze leden overbrengen.

Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:34:00
Navigatie
  • TERUG