Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 114 - 15.02.02 - Aanvullende pensioenen en groepsverzekeringen
Aanvullend pensioen

Editie nr 114 van 15 februari 2002

Aanvullende pensioenen en groepsverzekeringen

    Auteurs:
    Jean-Pierre BOURS & Isabelle BREVIERE
    Advocaten bij de Balie van Luik
    Bours & Associés

Enkele risico’s over het aangaan van aanvullende pensioenverbintenissen of de afsluiting van een groepsverzekering nadat de begunstigde de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt enerzijds, en betreffende de inning door de begunstigde van het kapitaal, bij gebrek aan daadwerkelijke stopzetting van zijn beroepswerkzaamheden anderzijds.

Heel veel bedrijfsleiders hebben een groepsverzekering of zijn begunstigden van een verbintenis tot een aanvullend pensioen, die in hun voordeel is aangegaan door de onderneming die zij leiden. Deze individuele pensioenverbintenis kan onder meer worden gefinancierd door middel van een bedrijfsleidersverzekering (onder voorbehoud van de wijzigingen die ter zake zullen worden aangebracht door de volgende wet betreffende de aanvullende pensioenen - cf. infra).

Het is bovendien helemaal niet uitzonderlijk, vooral dan bij de familiebedrijven, dat de bedrijfsleider niet elke beroepswerkzaamheid volledig en definitief wenst stop te zetten, zodra hij de beslissende kaap is gepasseerd van de leeftijd die voorzien is voor de uitkering van het kapitaal, hetzij door de verzekeringsmaatschappij in geval van een groepsverzekering, hetzij door de onderneming in geval van een contractuele pensioenverbintenis. Actief blijven binnen het familiebedrijf kan met name de bedrijfsleider eveneens in staat stellen te zorgen voor een noodzakelijke overgang in het bestuur van de onderneming, die hij bijvoorbeeld niet vroeger heeft kunnen organiseren gelet op, bijvoorbeeld, de al te jeugdige leeftijd van zijn potentiële opvolger.

Soms wordt de pensioenverbintenis, of het groepsverzekeringscontract, afgesloten terwijl de begunstigde al de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt.

1. Verplichtingen aangegaan ten bate van een begunstigde die de wettelijke pensioenleeftijd nadert of heeft overschreden

1.1. Op 22 december 1997 (i F.J.F nr98/63) heeft het Hof van Cassatie een arrest bevestigd dat op 27 juni 1996 werd gewezen door het Hof van beroep van Brussel, dat het geval beoogde van een bedrijfsleidersverzekering, in combinatie met een verbintenis inzake aanvullend pensioen.

Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat het Hof van beroep rechtmatig had kunnen besluiten tot het geveinsde karakter van de bedrijfsleidersverzekering, door zich te baseren op een geheel van feitelijke gegevens, zoals de abnormaal hoge leeftijd van de verzekerde en het ontbreken van een bezoldiging voor de bedrijfsleider tot bij de afsluiting van de contracten.

In het kader van deze zaak had de bedrijfsleider immers bij de afsluiting van de contracten, sinds een tiental jaar de wettelijke pensioenleeftijd bereikt … Het Hof van beroep van Brussel heeft daaruit afgeleid dat, door deze contracten de onderneming en haar bedrijfsleider hadden gepoogd laatstgenoemde met minder fiscale lasten te bezoldigen voor de prestaties die hij voordien had geleverd en waarvoor hij trouwens geen bezoldiging had ontvangen.

Bijgevolg heeft het Hof van beroep geoordeeld dat de administratie de verzekeringspremies die door de onderneming werden betaald, terecht gelijkgesteld heeft met een voordeel in natura dat aan de bedrijfsleider werd toegekend (dat trouwens niet aftrekbaar is in hoofde van de onderneming, gelet op het ontbreken van fiches en staten die bij wet zijn bepaald). Dit arrest van het Hof van beroep van Brussel werd door het Hof van cassatie bevestigd.

1.2. Inzake groepsverzekeringen zijn de werkgeversbijdragen bovendien aftrekbaar op grond van artikel 52, 3°, b van het W.I.B./92 en met inachtneming van de regel van de 80%, die is uitgevaardigd door artikel 59 van hetzelfde Wetboek. De artikelen 34 en 35 van het KB W.I.B./92 hebben de toepassingsvoorwaarden bepaald van deze regel van de 80%. Artikel 35, §2, 2° van het KB W.I.B./92 bepaalt dat de werkgeversbijdragen slechts voor aftrek in aanmerking zullen komen tijdens de normale activiteitsduur van de werknemer.

Deze voorwaarde lijkt in hoofde van de werkgever een verwerping te kunnen impliceren van de aftrek van de betaalde premies, voor zover de begunstigde van de groepsverzekering de wettelijke pensioenleeftijd zou hebben overschreden.

Het kapitaal dat door laatstgenoemde wordt geïnd, zou kunnen worden belast aan de progressieve aanslagvoet van de belasting der natuurlijke personen, en niet aan de afzonderlijke aanslagvoet van 16,5%, bepaald bij artikel 171, 4°, f, van het W.I.B./92. Deze bepaling stelt immers als voorwaarde voor de toepassing van de afzonderlijke aanslagvoet, dat het kapitaal werd gevormd door middel van werkgeversbijdragen, bedoeld in artikel 52, 3°, b, van hetzelfde Wetboek.

1.3. Inzake de individuele pensioenverplichtingen ten slotte heeft het Hof van beroep van Antwerpen op 21 december 1992 een arrest gewezen betreffende het begrip "contractuele verbintenis", bedoeld in artikel 52, 5°, van het W.I.B./92 (niet gepubliceerd). Deze bepaling aanvaardt immers de aftrek van de pensioenen, lijfrenten of tijdelijke renten, of als zodanig geldende toelagen, die worden toegekend ter uitvoering van een contractuele verbintenis, als beroepskosten.

De administratieve commentaar van het W.I.B./92 (nr. 60/4, noot 1) bepaalt dienaangaande dat er een overeenkomst moet bestaan die is afgesloten tussen enerzijds de werkgever en anderzijds een personeelslid van deze werkgever en dat er bijgevolg maar sprake kan zijn van een contractuele verbintenis indien de desbetreffende overeenkomst wordt gesloten op een ogenlik waarop het personeelslid nog bij de werkgever in dienst is.

Het Hof van beroep van Antwerpen diende zich uit te spreken over een geval waarin de verbintenis niet voortvloeide uit een eigenlijke overeenkomst, maar uit de notulen van een algemene vergadering van de onderneming.

Het Hof heeft geoordeeld dat dergelijke notulen een contractuele verbintenis konden vormen die de aftrek van de pensioenkosten mogelijk maakt, aangezien de bewoordingen die door artikel 52, 5°, van het W.I.B./92 worden gebruikt, enkel betekenen dat het akkoord moet zijn afgesloten op een tijdstip waarop de bestuurder nog altijd zijn mandaat binnen de vennootschap uitoefende.

Het voornoemde arrest lijkt dus aan te geven dat de essentiële maatstaf niet bestond in het feit de wettelijke pensioenleeftijd al dan niet te hebben overschreden bij de afsluiting van de verbintenis, maar eerder in het feit of hij op dat ogenblik altijd al dan niet zijn mandaat nog uitoefende binnen de vennootschap. In ieder geval lijkt het ons voorzichtiger dergelijke pensioenverbintenissen niet af te sluiten nadat de begunstigde de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt.

2.- Enkele risico’s die verbonden zijn aan de inning van de verzekeringskapitalen of die bepaald zijn in de pensioenbelofte, bij gebrek aan daadwerkelijke stopzetting van de beroepswerkzaamheid.

De essentiële vraag die rijst, is de volgende: kan de bedrijfsleider, begunstigde van de pensioenbelofte of van de groepsverzekering, zodra het overeengekomen kapitaal is uitgekeerd, houder blijven van een, zelfs onbezoldigd, mandaat binnen de vennootschap of zelfs binnen een andere vennootschap?

2.1. Indien de bedrijfsleider een groepsverzekering had, is het antwoord volgens ons bevestigend.

  • In deze veronderstelling zou de administratie der belastingen zich immers niet kunnen beroepen op het attractiebeginsel: het kapitaal wordt door de verzekeringsmaatschappij rechtstreeks uitgekeerd aan de bedrijfsleider, zodat redelijkerwijs niet kan worden staande gehouden dat het hier een bezoldiging betreft, die door de vennootschap wordt betaald en die belastbaar is als bezoldiging van een bedrijfsleider.
  • Artikel 171, 4°, f van het W.I.B./92 bepaalt dat om de verlaagde aanslagvoet van de belasting der natuurlijke personen van 16,5% te genieten, de kapitalen moeten worden vereffend
    - hetzij bij de normale verstrijking van het contract of bij het overlijden van de verzekerde;
    - hetzij naar aanleiding van de pensionering of brugpensionering van de verzekerde;
    - hetzij in één van de 5 jaar vóór het normale einde van het contract
    - hetzij op de normale leeftijd waarop de begunstigde de beroepswerkzaamheid uit hoofde waarvan het kapitaal is gevormd, volledig en definitief stopzet.

Het volstaat dus dat het kapitaal wordt vereffend bij het normale einde van het contract, opdat de verlaagde aanslagvoet van toepassing zou zijn. Als deze voorwaarde vervuld is, doet het er bijgevolg niet toe of de begunstigde van het kapitaal houder blijft van een, zelfs bezoldigd, mandaat bij de vennootschap.

2.2. De situatie is daarentegen fundamenteel verschillend indien het kapitaal wordt uitgekeerd ter uitvoering van een individuele pensioenverbintenis, die eventueel wordt gefinancierd door middel van een bedrijfsleidersverzekering.

In deze veronderstelling wordt het kapitaal immers rechtstreeks door de vennootschap aan de begunstigde uitgekeerd.

  • Bijgevolg is de kans groot dat de administratie zich beroept op het attractiebeginsel, dat impliciet vervat is in artikel 32 W.I.B./92, om te stellen dat het kapitaal dat door de vennootschap aan haar bedrijfsleider wordt uitgekeerd op een ogenblik dat hij nog altijd houder is van zijn mandaat, moet worden behandeld als een bezoldiging van bedrijfsleider, en als dusdanig moet worden belast, dat wil zeggen aan de progressieve aanslagvoet van de belasting der natuurlijke personen.

    Zou de situatie van de bedrijfsleider benijdenswaardiger zijn in geval van kosteloosheid van het mandaat, dat wordt uitgeoefend bij de inning van het kapitaal? Wij menen van niet (behoudens een eventuele prejudiciële vraag die moet worden gesteld aan het Arbitragehof). De wet van 4 mei 1999 heeft het attractiebeginsel immers maar afgeschaft met betrekking tot de natuurlijke personen die een onbezoldigd mandaat van bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of analoge functies uitoefenen in VZW’s of andere rechtspersonen, bedoeld in artikel 220, 3° (zie de tweede alinea van artikel 32 van het W.I.B./92, dat werd ingevoerd door artikel 2 van de wet van 4 mei 1999)

  • Artikel 171, 4°, g van het W.I.B./92 bepaalt trouwens dat de afzonderlijke aanslagvoet van 16,5% maar van toepassing is wanneer het kapitaal ten vroegste wordt uitgekeerd op één van de volgende vervaldagen:
      - hetzij naar aanleiding van zijn pensionering op de normale datum;
      - hetzij naar aanleiding van de pensionering in één van de 5 jaar die aan die datum voorafgaan;
      - hetzij naar aanleiding van de brugpensionering;
      - hetzij naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie de begunstigde de rechtverkrijgende is;
      - hetzij ten slotte op de normale leeftijd waarop de begunstigde zijn beroepswerkzaamheid uit hoofde waarvan het kapitaal is gevormd, volledig en definitief stopzet.

    Indien de begunstigde houder blijft van een mandaat binnen de vennootschap die hem het kapitaal toekent, zal hij er zich echter niet op kunnen beroepen dat het kapitaal aan hem wordt uitgekeerd "naar aanleiding van zijn pensionering op de normale datum", noch "op de normale leeftijd waarop hij zijn beroepswerkzaamheid uit hoofde waarvan het kapitaal werd gevormd, volledig en definitief stopzet".

    Er is dus veel kans, andermaal behoudens een eventuele prejudiciële vraag die aan het Arbitragehof wordt gesteld, dat het kapitaal wordt belast aan de progressieve aanslagvoet van de belasting der natuurlijke personen, indien de begunstigde ervan, houder blijft van een, zelfs onbezoldigd, mandaat binnen de vennootschap die hem het kapitaal toekent.

    Jammer genoeg kan geen enkel duidelijk antwoord worden gegeven op de vraag of een andere regeling zou gelden ingeval van de uitoefening van een mandaat bij een andere vennootschap dan die welke het kapitaal toekent.

    Zou er immers sprake zijn van een volledige en definitieve stopzetting van de beroepswerkzaamheid die aan de basis ligt van de vorming van het kapitaal, aangezien de begunstigde, weliswaar bij een andere vennootschap, een beroepswerkzaamheid als bedrijfsleider zou blijven uitoefenen? Wij menen niet dat de administratie deze redenering zou kunnen hard maken maar het reële gevaar moet niettemin onder ogen worden gezien.

    3.- Wetsontwerp betreffende de aanvullende pensioenen

    Een wetsontwerp dat op 26 januari 2001 door de Regering werd goedgekeurd en dat in de loop van de maand juli bij het Parlement werd ingediend, zal de tweede pijler van de materie van de aanvullende pensioenen ingrijpend wijzigen en zal de zogenaamde wet "Colla" van 6 april 1995 betreffende de aanvullende pensioenstelsels vervangen.

    Zowel de persoonlijke pensioenverbintenissen als de collectieve stelsels (die binnen de onderneming of op het vlak van een sector bestaan) zullen voortaan in principe onder het toepassingsgebied vallen van de volgende wetgeving op de aanvullende pensioenen, terwijl de wet van 6 april 1995 slechts van toepassing is op de collectieve verbintenissen die binnen de onderneming van kracht zijn en die ten opzichte van de werknemers zijn aangegaan.

    De verbintenissen inzake aanvullend pensioen zouden voortaan worden omschreven met de woorden "individuele pensioentoezeggingen" en "pensioenstelsels" naar gelang zij individueel of collectief zijn.

    Om een einde te maken aan de onzekerheid van de begunstigde van een pensioenbelofte wanneer hij slechts ten opzichte van zijn werkgever bepaalde rechten kan uitoefenen, beoogt de wet met name de externe financiering van de individuele pensioenverbintenissen verplicht te stellen, die zijn aangegaan ten opzichte van een werknemer of van een zelfstandige bedrijfsleider, die geen "lasthebber" van een vennootschap is in de zin van de wetgeving op het sociale statuut van de zelfstandigen.

    Voor deze personen zou de financiering noodzakelijkerwijs moeten gebeuren door middel van het beroep op een externe pensioenorganisatie, onder de controle van de Controledienst voor de Verzekeringen (pensioenfonds of levensverzekeringsonderneming).

    De financiering door middel van een bedrijfsleidersverzekering of van het boeken van een interne voorziening, zou dus nog alleen mogelijk zijn voor de pensioenbeloften die zijn gedaan ten bate van een zelfstandige bedrijfsleider, die "lasthebber" is van de contracterende vennootschap.

    Het is echter duidelijk dat de interne financiering van de pensioenbeloften, voor de bedrijfsleiders van de eerste categorie van artikel 32 van het W.I.B./92, sterk zal worden beconcurreerd door de mogelijkheid om diezelfde bedrijfsleiders op te nemen in een individueel levensverzekeringscontract, waarvan zij de rechtstreekse begunstigden zouden zijn.

    Voor de lasthebber zou dit het bestaan impliceren van een rechtstreeks recht op de polis.

    Een wetsontwerp inzake fiscale aangelegenheden zou het hem bovendien mogelijk maken zijn mandaat binnen de vennootschap te behouden, waarbij hij in principe de belastingheffing tegen de verlaagde aanslagvoet van 16,5% niet zou verliezen indien hij het kapitaal van de verzekering opeist.

    Teneinde te voorkomen dat de werknemer of de bedrijfsleider wordt belast op basis van een voordeel van alle aard, dat overeenstemt met de premies die door de onderneming in zijn voordeel zijn betaald, is een wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen voorzien, die de werkgeversbijdragen voor de vestiging van een aanvullend pensioen ten bate van een werknemer of van een zelfstandige bedrijfsleider zou beschouwen als "sociale voordelen".

    Deze wetgevende werkzaamheden moeten beslist op de voet worden gevolgd.

     

    *******

    Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:34:00