Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 113 - 31.01.02 - Hervorming personenbelasting (3)
personenbelasting

Editie nr 113 van 31 januari 2002

De gefaseerde uitvoering van de wet houdende hervorming van de personenbelasting (3)

    Auteur:
    Roland ROSOUX
    Expert bij het kabinet van de Regeringscommissaris, toegevoegd aan de Minister van Financiën
    Directeur bij de centrale diensten van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit

Dit is het derde en laatste deel in de reeks over de hervorming van de personenbelasting. Hierin behandelen we de vanaf het aanslagjaar 2005 toepasselijke maatregelen. De vorige twee delen werden gepubliceerd in Pacioli 109 (30 november 2001) en Pacioli 111 (31 december 2001).

Vanaf het aanslagjaar 2005 toepasselijke maatregelen

1. Hergroepering van definities

De hervormingswet vervangt artikel 2 WIB 1992 om een aantal definities coherenter te maken en vervolledigt de lijst met "wettelijke samenwonenden" die gelijkgesteld worden met gehuwden, met de wettelijk samenwonende die gelijkgesteld wordt met een echtgenoot en met "de gemeenschappelijke aanslag", dit is de vestiging van één enkele aanslag in naam van de beide echtgenoten of de beide wettelijke samenwonenden.

Vanaf het aanslagjaar 2005 worden de wettelijke samenwonenden op fiscaal vlak gelijkgesteld met gehuwden en wordt een wettelijk samenwonende gelijkgesteld met een echtgenoot. Deze gelijkstelling geldt ook voor alle begrippen die met het huwelijk verband houden. Zo wordt de wettelijke samenwoning zelf gelijkgesteld met een huwelijk, de beëindiging van de wettelijke samenwoning met een echtscheiding, de beëindiging van de samenwoning wegens overlijden met de ontbinding van een huwelijk wegens overlijden, de overlevende samenwonende partner met een weduwe of weduwnaar, de feitelijke scheiding van twee wettelijke samenwonende partners met de feitelijke scheiding van twee echtgenoten, enz.

De fiscaalwettelijke gelijkschakeling heeft als gevolg dat de fiscale voordelen die gehuwden hadden op samenwonenden, nu ook gelden voor de wettelijk samenwonenden.Het betreft hierbij met name :

  • de toepassing van het huwelijksquotiënt;
  • de eventuele toekenning van een meewerkinkomen (zie verder);
  • de onderlinge verliescompensatie tussen beide partners.

2. Gemeenschappelijke aanslag van de echtgenoten en van de wettelijke samenwonenden

De "gemeenschappelijke aanslag" en de "volledige decumul" worden dus de regel. Het nieuwe artikel 126 WIB 1992 stipuleert dat, in geval van huwelijk of wettelijke samenwoning, een gemeenschappelijke aanslag gevestigd wordt op naam van de beide echtgenoten. Deze gemeenschappelijke aanslag belet echter niet dat het belastbare inkomen van elke echtgenoot afzonderlijk wordt vastgesteld.

Door de vestiging op beider naam worden de echtgenoten en de wettelijke samenwonenden als "belastingplichtigen" (één entiteit) beschouwd. Bij een gemeenschappelijke aanslag wordt met de term "belastingplichtige" elke echtgenoot of elke wettelijk samenwonende (partner) afzonderlijk bedoeld.

Elke echtgenoot of wettelijke samenwonende heeft een belastbaar inkomen dat gelijk is aan zijn totale netto-inkomen, verminderd met de aftrekbare bestedingen die apart worden bepaald. De wet staat toe om per belastingplichtige het totale netto-inkomen te bepalen dat is samengesteld uit het inkomen van onroerende goederen en kapitalen, het beroepsinkomen en het divers inkomen.

Ook de berekening van de belastingen zelf zal tot op het einde afzonderlijk voor beide echtgenoten gebeuren. Vooral in geval van feitelijke scheiding zal dit talrijke problemen van omdeling van de belastingschuld oplossen.

Wat de uitzondering betreft, zal een individuele aanslag worden gevestigd :

1. voor het jaar van het huwelijk of de verklaring van de wettelijke samenwoning;

2. vanaf het jaar na dat waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden, voor zover die scheiding in het belastbare tijdperk niet ongedaan is gemaakt;

3. voor het jaar van de ontbinding van het huwelijk of van de scheiding van tafel en bed of van de beëindiging van de wettelijke samenwoning;

4. wanneer een echtgenoot beroepsinkomsten heeft van meer dan 6 700 euro die bij overeenkomst zijn vrijgesteld en die niet in aanmerking komen voor de berekening van de belasting op zijn andere inkomsten.

Een speciaal geval doet zich voor indien twee wettelijke samenwonenden huwen. In dat geval blijven de regels van de gezamenlijke aanslag gelden voor het jaar van het huwelijk. Dit is dan weer niet het geval wanneer de verklaring van de wettelijke samenwoning en het huwelijk nog tijdens hetzelfde kalenderjaar vallen. In dit laatste geval blijft voor dat jaar de individuele aanslag van toepassing.

Met het nieuwe artikel 127 WIB 1992 wordt de volledige decumul gerealiseerd. In het geval van de gemeenschappelijke aanslag zullen er dus twee onderscheiden aanslagbasissen zijn : één voor elke echtgenoot of wettelijke samenwonende (partner). Per belastingplichtige zal die bestaan uit :

1. de beroepsinkomsten na toekenning van een deel ervan (dus na toepassing van het meewerkinkomen en het huwelijksquotiënt, zoals bepaald in de artikelen 86 tot 89);

2. de eigen diverse inkomsten (de inkomsten, bedoeld in artikel 90, 1° tot 4°, die hij verwezenlijkt of die hem zijn toegekend);

3. de eigen inkomsten (niet bedoeld in 1° en 2°) wanneer die eigen zijn op grond van het vermogensrecht;

4. de helft van alle andere inkomsten (het gaat hier vooral om onroerende, roerende en diverse inkomsten, voor zover ze niet in 1. tot 3. bedoeld zijn, maar ook bijvoorbeeld om de inkomsten van de kinderen waarvan beide ouders het wettelijk genot hebben).

De invoering van een gemeenschappelijke aanslag leidt eveneens tot een hele reeks verdere aanpassingen in de rest van het Wetboek en noopt eigenlijk tot enkele preciseringen die we echter niet nu zullen behandelen.

3. Gemeenschappelijke aanslag en aftrekbare uitgaven

Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de aftrekken vermeld in artikel 104, 3° tot 9° WIB 1992 (giften, aan een huisbediende betaalde bezoldigingen, uitgaven voor de oppas van één of meer kinderen ten laste van de belastingplichtige, uitgaven voor het onderhoud en de restauratie van gebouwde onroerende goederen of beschermde landschappen en intresten van hypothecaire leningen die genieten van de bijkomende aftrek) worden eerst, evenredig, aangerekend op de totale netto-inkomens van de beide belastingplichtigen.

De aftrekken vermeld in 1° en 2° van dit artikel (regelmatig betaalde onderhoudsuitkeringen en uitkeringen betaald ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht werd vastgesteld of verhoogd) worden vervolgens bij voorrang aangerekend op het totale netto-inkomen van de belastingplichtige die de uitgaven verschuldigd is en het eventuele saldo wordt op het totale netto-inkomen van de andere belastingplichtige aangerekend.

4. Volledige decumul en belasting van de onroerende inkomsten

Momenteel wordt één enkel onroerend inkomen vastgesteld bij de gehuwden. Dit heeft als gevolg dat een compensatie gebeurt tussen de positieve elementen van één van de echtgenoten en de negatieve elementen van de andere echtgenoot. De invoering van de volledige decumul zou deze compensatie verbreken. Het is uiteraard niet de bedoeling van de regering, door de invoering van de decumul, de maatregelen of de positieve effecten die bestaan ten gunste van gehuwden en, bij uitbreiding, ten gunste van wettelijke samenwonenden, te schrappen. Om die reden wordt de compensatieregel behouden wanneer een gemeenschappelijke aanslag gevestigd wordt. Met andere woorden : wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en de woningaftrek voor één van de echtgenoten groter is dan het deel dat hij heeft in het kadastraal inkomen van de woning, wordt het saldo aangerekend op het deel van het kadastraal inkomen van de andere echtgenoot, zonder dat dit mag worden overschreden.

De gescheiden berekening van het netto onroerend inkomen heeft eveneens gevolgen voor de berekening van de woningaftrek, zoals bedoeld in artikel 16 WIB 1992. Bij gehuwden of wettelijke samenwonenden moet rekening worden gehouden met het feit dat de woning zowel de eigendom kan zijn van één van de belastingplichtigen of van beide samen. Omwille van de decumulregels moet de woningaftrek per belastingplichtige kunnen gebeuren.

De woningaftrek gebeurt op basis van het kadastraal inkomen dat per belastingplichtige overblijft na toepassing van artikel 14 (aftrek van de interesten uit hoofde van schulden die specifiek zijn aangegaan om de onroerende goederen te verkrijgen of te behouden en van bepaalde termijnen). Deze aftrek wordt enkel toegekend aan de belastingplichtige die zelf eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de woning is.

Wanneer de woning de gemeenschappelijke eigendom is van de twee belastingplichtigen wordt het kadastraal inkomen opgesplitst onder beiden volgens hun aandeel in die gemeenschappelijke eigendom. Elke belastingplichtige krijgt dan zijn woningaftrek op zijn deel van het kadastraal inkomen. Wanneer daarentegen de woning eigendom is van slechts één van beide belastingplichtigen, wordt het kadastraal inkomen niet opgesplitst en kan de woningaftrek enkel worden toegepast bij de eigenaar.

De regel dat de woningaftrek maar geldt voor één woning, blijft bestaan. Indien er meer dan één woning is, moet er een keuze worden gemaakt. Wanneer gehuwden (of wettelijke samenwonenden) meer dan één woning betrekken, moeten ze kiezen voor één woning die ze beiden betrekken. Van deze regel wordt enkel afgeweken indien de eigen woning niet wordt betrokken om beroeps- of sociale redenen. In die zin wordt het samenwonen met de echtgenoot of de al of niet wettelijke partner niet als sociale redenen beschouwd.

De regel voor de berekening van de woningaftrek wordt dus als volgt gewijzigd : de aftrek van 3 000 euro + 250 euro voor de echtgenoot wordt in het decumulstelsel vervangen door een aftrek van 3 000 euro voor elke belastingplichtige.

De verhoogde aftrek van 250 euro per persoon ten laste van de belastingplichtige wordt omgedeeld in verhouding tot het deel dat elke echtgenoot of wettelijke samenwonende heeft in het kadastraal inkomen van de woning.

5. Gemeenschappelijke aanslag en toekenning van een deel meewerkende echtgenoot

Artikel 86 WIB 1992 laat toe dat een zelfstandige of een beoefenaar van een vrij beroep een deel van zijn beroepsinkomsten toekent aan de meewerkende echtgenoot. Meestal verricht diegene die de toekenning doet ook voorafbetalingen om een vermeerdering van belastingen op het zelfstandig inkomen te vermijden. Die voorafbetalingen worden verrekend met de belastingen op beide inkomens.

Ingevolge de decumul wordt dit toegekende inkomen nu als een eigen inkomen van de meewerkende echtgenoot beschouwd. Aangezien het principe van de decumul verder wordt doorgetrokken in de berekening, zou dit in de praktijk meestal leiden tot een vermeerdering van belastingen op het inkomen van de meewerkende echtgenoot. Het nadeel kan worden vermeden wanneer de meewerkende echtgenoot uit eigen beweging zelf voorafbetalingen doet.

Het is echter geenszins de bedoeling om de administratieve last te verzwaren. Om die reden wordt het overschot van de voorafbetalingen van de belastingplichtige die de toekenning doet, automatisch overgedragen aan de meewerkende echtgenoot. Dit deel kan dan worden aangewend voor het vermijden van de vermeerdering van belastingen bij de meewerkende echtgenoot.

De hervormingswet vervangt eveneens het eerste lid van voornoemd artikel om dit aan te passen aan de nieuwe terminologie met betrekking tot de gemeenschappelijke aanslag. Wanneer de beroepsinkomsten van één van de echtgenoten vallen onder twee of meer in artikel 23 bedoelde categorieën en een deel van die beroepsinkomsten toegekend of toegerekend wordt aan de andere echtgenoot, wordt dat deel evenredig samengesteld uit beroepsinkomsten van dezelfde categorieën. Met het invoeren van een volledig gescheiden berekening binnen het stelsel van de gemeenschappelijke aanslag, waarbij verminderingen en verrekeningen per echtgenoot zullen gebeuren, is het wel van belang om te weten welk soort inkomen wordt toegerekend of toegekend. Daartoe voorziet de hervormingswet in twee zaken :

  • de oorspronkelijke kwalificatie van het toegekende of toegerekende inkomen blijft behouden;
  • de toekenning of toerekening gebeurt evenredig op het beroepsinkomen waarvan een deel wordt toegekend of toegerekend.

Stel dat bij een gemeenschappelijke aanslag één van de beide belastingplichtigen geen eigen inkomen heeft en het inkomen van de andere belastingplichtige vóór de toerekening van het huwelijksquotiënt bestaat uit :

  • lonen : 12 000 euro;
  • afzonderlijk belastbare achterstallen : 1 000 euro;
  • winsten : 3 000 euro,

dan bestaat het toegerekende inkomen (30 %) uit :

  • lonen : 3 600 euro;
  • winsten : 900 euro.

6. Toekenning van het huwelijksquotiënt aan de wettelijke samenwonenden

Vanaf het aanslagjaar 2005 wordt het huwelijksquotiënt toegekend aan de samenwonenden die hun samenwoningscontract laten registreren hebben. Dienaangaande rees de vraag of het onderscheid tussen samenwonenden met een geregistreerd samenwoningscontract en samenwonenden zonder geregistreerd samenwonings-contract het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel niet schond. Men kan zich dus afvragen hoe het Arbitragehof, indien men die vraag aan dit hof zou voorleggen, zich hierover zou uitspreken. Alles wijst er echter op dat het hof inderdaad tot een schending van het gelijkheidsbeginsel zou concluderen vermits er een wettelijk verschil bestaat tussen de situatie van personen die een officiële verklaring van wettelijk samenwonen hebben afgelegd en de situatie van personen die een dergelijke verklaring niet hebben afgelegd. Bovendien is er nog een controleprobleem. Immers, hoe zal de fiscus kunnen weten of iemand die geen verklaring van wettelijk samenwonen heeft afgelegd, in werkelijkheid al dan niet samenwoont ?

7. Derde wijziging van het aanslagbarema

Zoals in een vorig deel over de hervorming van de personenbelasting werd vermeld, wordt door de hervormingswet in artikel 130 WIB 1992 een nieuw aanslagbarema ingevoerd en wordt, overeenkomstig het budgettaire schema, de aanpassing van het barema in drie fases uitgevoerd. De derde en laatste fase treedt in werking vanaf het aanslagjaar 2005. Vanaf het aanslagjaar 2005 wordt de belasting bepaald op :

  • 25 % voor de inkomensschijf van 0,01 EUR tot 5.705,00 EUR;
  • 30 % voor de inkomensschijf van 5.705,00 EUR tot 8.120,00 EUR;
  • 40 % voor de inkomensschijf van 8.120,00 EUR tot 13.530,00 EUR;
  • 45 % voor de inkomensschijf van 13.530,00 EUR tot 24.800,00 EUR;
  • 50 % voor de inkomensschijf boven 24.800,00 EUR.

Bij vestiging van een gemeenschappelijke aanslag wordt het belastingtarief toegepast op het belastbare inkomen van elke belastingplichtige.

8. Gelijkschakeling van belastingvrije som - 2de fase

Eén van de doelstellingen van de hervormingswet is het opheffen van de discriminaties tussen gehuwde en alleenstaande belastingplichtigen. Het is in het licht van deze doelstelling dat de belastingvrije som in een eerste instantie (vanaf het aanslagjaar 2004) op 3.390 euro wordt gebracht (cf. supra).

Artikel 131 WIB 1992 wordt deze keer gewijzigd om het (provisorische) bedrag van 3.390 euro te vervangen door een bedrag van 4.095 euro waardoor wordt voorzien in een volstrekt gelijke behandeling.

Er zij op gewezen dat de volledige decumul er ook toe leidt dat de verhoging wegens handicap van één van de beide echtgenoten of samenwonenden (870 euro) toegevoegd wordt aan het basisbedrag van de gehandicapte, en dus niet aan het basisbedrag van de echtgenoot wanneer die over de hoogste beroepsinkomens beschikt. In het reeds genoemde artikel 131 wordt verder gestipuleerd dat het basisbedrag nog verhoogd moet worden met 870 euro wanneer de belastingplichtige gehandicapt is.

9. Vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten

Ten einde de voor gehuwde koppels nadelige maatregelen op te heffen en de samenwonenden die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd in de mogelijkheid te stellen te kunnen genieten van de voordelen die aan het huwelijk verbonden zijn, wijzigt de hervormingswet eveneens de regels met betrekking tot de toekenning van de per belastingplichtige berekende vermindering voor pensioenen, brugpensioenen (oud stelsel) en wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen.

Momenteel is het bedrag van deze voor pensioenen en vervangingsinkomsten toegekende belastingvermindering hoger voor een gehuwd koppel (waarvan de inkomsten telkens samengevoegd werden) dan voor een alleenstaande, maar de vermindering wordt slechts éénmaal toegekend voor beide echtgenoten samen.

Met betrekking tot de pensioenen, brugpensioenen oud stelsel, ziekte- en invaliditeitsinkomsten en de "andere vervangingsinkomsten" wordt vanaf het aanslagjaar 2005 een gelijkschakeling van de gehuwden met de samenwonenden verwezenlijkt door de vermindering per echtgenoot toe te kennen. Vanaf 1 januari 2004 zal het basisbedrag dus gelijk zijn, ongeacht het over een alleenstaande, een samenwoner of een echtgenoot gaat. Als basisbedrag van de belastingvermindering wordt het huidige bedrag voor de fiscale alleenstaanden genomen.

In het nieuwe artikel 150 WIB 1992 mag dan nog gestipuleerd worden dat de berekening van de belastingverminderingen per individu gebeurt, toch geldt deze regel niet voor de belastingvermindering voor de werkloosheidsuitkeringen en voor de vermindering met betrekking tot de brugpensioenen nieuw stelsel.

De reden daartoe ligt in het feit dat een gunstige fiscale behandeling van dergelijke inkomsten er in veel gevallen zou toe kunnen leiden dat de betrokkenen geen stappen meer zouden ondernemen om werk te zoeken of aan de slag te blijven. Het is in die zin dat de brugpensioenen fiscaal minder gunstig worden behandeld. En daartoe werd in artikel 146 WIB 1992 een nieuwe categorie brugpensioenen ingevoerd : de "brugpensioenen nieuw stelsel", dit zijn de brugpensioenen die ingaan vanaf 1 januari 2004.

Concreet worden op de belastingen met betrekking tot pensioenen en vervangingsinkomsten de volgende verminderingen verleend (artikel 147 WIB 1992) :

1) als het netto-inkomen uitsluitend uit pensioenen of andere vervangingsinkomsten bestaat : 1.344,57 EUR;

2) als het netto-inkomen gedeeltelijk uit pensioenen of andere vervangingsinkomsten bestaat : een gedeelte van het in 1) vermelde bedrag, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de pensioenen en andere vervangingsinkomsten enerzijds en het netto-inkomen anderzijds;

3) als het netto-inkomen uitsluitend uit brugpensioenen oud stelsel bestaat : 2.434,66 EUR;

4) als het netto-inkomen gedeeltelijk uit brugpensioenen oud stelsel bestaat : een gedeelte van het in 3) vermelde bedrag, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de brugpensioenen oud stelsel enerzijds en het netto-inkomen anderzijds;

5) als het netto-inkomen uitsluitend uit brugpensioenen nieuw stelsel bestaat :

a) voor een belastingplichtige die alleen wordt belast : 1.344,57 EUR;

b) voor de echtgenoten samen wanneer een gemeen-schappelijke aanslag wordt gevestigd : 1.569,96 EUR;

6) als het netto-inkomen gedeeltelijk uit brugpensioenen nieuw stelsel bestaat : een gedeelte van de in 5) vermelde bedragen, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de brugpensioenen nieuw stelsel enerzijds en het netto-inkomen anderzijds;

7) als het netto-inkomen uitsluitend uit werkloos-heidsuitkeringen bestaat :

a) voor een belastingplichtige die alleen wordt belast : 1.344,57 EUR :

b) voor de echtgenoten samen wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd : 1.569,96 EUR;

8) als het netto-inkomen gedeeltelijk uit werkloos-heidsuitkeringen bestaat : een gedeelte van de in 7) vermelde bedragen, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de werkloosheidsuitkeringen enerzijds en het netto-inkomen anderzijds;

9) als het netto-inkomen uitsluitend uit wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen bestaat : 1.725,98 EUR;

10) als het netto-inkomen gedeeltelijk uit wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen bestaat : een gedeelte van het in 9) vermelde bedrag, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen enerzijds en het netto-inkomen anderzijds.

Daarnaast is er artikel 151 WIB 1992 dat als volgt luidt : "Wanneer het belastbare inkomen 18.600 euro of meer bedraagt, wordt de vermindering voor werkloosheidsuit-keringen, andere dan die welke zijn toegekend aan werklozen die op 1 januari van het aanslagjaar 58 jaar of ouder zijn en een anciënniteitstoeslag bevatten, niet toegepast. Wanneer het belastbare inkomen begrepen is tussen 14.900 euro en 18.600 euro, wordt die vermindering slechts verleend tot een deel dat wordt bepaald naar de verhouding tussen, eensdeels, het verschil tussen 18.600 euro en het belastbare inkomen en, andersdeels, het verschil tussen 18.600 euro en 14.900 euro".

In artikel 152 WIB 1992 wordt gestipuleerd dat, wanneer het belastbare inkomen 29.800 euro of meer bedraagt, de niet in artikel 151 vermelde verminderingen slechts tot één derde worden verleend. Wanneer het belastbare inkomen begrepen is tussen 14.900 euro en 29.800 euro, wordt deze grens van één derde vermeerderd met een deel van de resterende tweederde bepaald door de verhouding tussen 29.800 euro en het belastbare inkomen en, andersdeels, het verschil tussen 29.800 euro en 14.900 euro.

En tot slot is er artikel 154 van hetzelfde Wetboek dat de reeks afsluit door te stipuleren dat geen belasting verschuldigd is wanneer het totale netto-inkomen uitsluitend bestaat uit :

1) pensioenen of vervangingsinkomsten en het totale bedrag van die inkomsten niet hoger is dan het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkeringen, de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen niet inbegrepen;

2) brugpensioenen oud stelsel en het bedrag van die inkomsten niet hoger is dan het maximumbedrag van het bij de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974 bedoelde brugpensioen;

3) werkloosheidsuitkeringen en het bedrag van die uitkeringen niet hoger is dan het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering, in voorkomend geval met inbegrip van de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, indien de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt;

4) wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en het bedrag van die inkomsten niet hoger is dan tien negenden van het maximumbedrag van de wettelijke werkloos-heidsuitkering, de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen niet inbegrepen,met dien verstande dat, wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, de totale netto-inkomens van de beide echtgenoten samengeteld worden voor de toepassing van deze regels.

10. Belastingkrediet voor lage inkomens

Deze maatregel, die een budgettair schema volgt met trapsgewijze inwerkingtreding, werd reeds in een vorig deel van deze reeks toegelicht. Voor het aanslagjaar 2005 blijven de regels met betrekking tot de berekening zelf van het belastingkrediet voor lage inkomens ongewijzigd, zij het dat het bedrag van 220 euro, zoals vermeld in artikel 289ter WIB 1992, telkens vervangen wordt door het bedrag van 440 euro.

Bijgevolg dient in Pacioli 111 voorgestelde berekeningen voor het aanslagjaar 2003 het bedrag van 78 euro vervangen te worden door het bedrag van 440 euro. Trouwens, ook dat artikel 289ter WIB 1992 wordt vanaf het aanslagjaar 2005 aangepast ten einde het volledig in de lijn te brengen van de nieuwe realiteit van "gemeenschappelijke aanslag".

11. Invordering van de fiscale schulden

Door deze hervormingswet worden vanaf het aanslagjaar 2002 aanzienlijke wijzigingen aangebracht op het vlak van de invordering van fiscale schulden (zie Pacioli 109). Vanaf het aanslagjaar 2005 wordt artikel 394 herschreven ten einde het aan te passen aan de dubbele realiteit van de wettelijke samenwonenden die op voet van gelijkheid met gehuwden worden geplaatst, en van de regel van de gemeenschappelijke aanslag.


Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:34:00
Navigatie
  • TERUG