Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders
en Fiscalisten
Wet van 22 april 1999
 
Nr 112 - 15.01.02 - Het Arbitragehof en het gelijkheidsbeginsel

Editie nr 112 van 15 januari 2002

Het Arbitragehof en het gelijkheidsbeginsel

    Auteur:
    Mter Anne Wiliquet
    Bours & Associťs

A. Inleiding

Sedert zijn oprichting is het Arbitragehof het voorwerp van talloze rechtsgeleerde uiteenzettingen, die nu eens een zuiver procedureel karakter hebben, dan weer van meer fundamentele aard zijn. Het gelijkheidbeginsel zelf kwam ook in ruime mate aan bod en wel in zijn onderscheiden aspecten. Het gaat hier ongetwijfeld om uitgebreide, zelfs onuitputtelijke, onderwerpen die altijd actueel blijven.

In deze bijdrage is het geenszins de bedoeling om de indrukwekkende, reeds bestaande rechtsleer aan te vullen maar wel, veel bescheidener, de grote lijnen te schetsen die het Arbitragehof volgt bij de controle van het gelijkheidbeginsel.

Zo brengen we dus eerst de context in herinnering waarin het Arbitragehof is ontstaan, zijn bevoegdheden en zullen wij de toepasselijke procedure even aanstippen, evenals de gevolgen van de gewezen arresten. Vervolgens zullen we onze aandacht richten naar het gelijkheidbeginsel en sluiten wij af met het onderzoek van enkele concrete gevallen in fiscale zaken.

B. Voorstelling van het Arbitragehof

Terwijl tal van Europese landen in de eerste helft van de XXste eeuw een Grondwettelijk Hof oprichtten, zette BelgiŽ deze stap slechts in begin van de jaren ’80.

1. Bevoegdheden van het Arbitragehof

a) Referentienormen

Oorspronkelijk was het Arbitragehof er slechts mee belast de overeenstemming na te gaan van de wetgevende normen met de regels die waren opgelegd in of krachtens de Grondwet, om de respectieve bevoegdheden te bepalen van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten. Het betrof toen nog geen echt Grondwettelijk Hof.

Acht jaar later werd de controle van dit Hof aanzienlijk uitgebreid aangezien het tevens bevoegd werd om de naleving te waarborgen van artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet (toen 6, 6bis en 17), die respectievelijk borg stonden voor het gelijkheidbeginsel, het non-discriminatiebeginsel en het beginsel van gelijkheid inzake onderwijs.

Het Arbitragehof heeft al snel een uitgebreide opvatting met betrekking tot zijn bevoegdheden aangenomen. Aldus heeft het inzake de referentienormen, terwijl zijn bevoegdheid a priori beperkt was tot de controle van de grondwettelijkheid van de wetten en decreten met verwijzing naar de drie bovengenoemde grondwettelijke bepalingen, zich het recht toegeŽigend om een wetgevende norm te vernietigen die een grondwettelijke bepaling schendt waarvan het niet de controle waarborgt, voor zover deze schending gecombineerd kan worden met het gelijkheids- en het non-discriminatiebeginsel.

De wetgever lijkt heden de zienswijze van het Arbitragehof te volgen want er is sprake van dat de lijst van de referentienormen aanzienlijk uitgebreid zou worden. Aldus zou het Hof ermee belast kunnen worden de naleving te waarborgen van, naast de bevoegdheidsverdelende regels en artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, artikelen 182 en 191 met betrekking tot respectievelijk de wijze waarop het leger wordt aangeworven en het stelsel dat van toepassing is op vreemdelingen die zich op Belgisch grondgebied bevinden, alsook van de hele titel II van de Grondwet met betrekking tot de openbare vrijheden.

b) Gecontroleerde normen

Het Arbitragehof is slechts gemachtigd om zijn toezicht uit te oefenen ten opzichte van wettelijke normen. Het zijn de administratieve en gerechtelijke rechtsmachten die de bevoegdheid hebben om de wettelijkheid te onderzoeken van de maatregelen die getroffen werden in uitvoering van deze wetgevende normen (koninklijke en ministeriŽle besluiten, besluiten van de gewestelijke en gemeenschapsregeringen, provinciale en gemeentelijke reglementen en andere individuele administratieve beslissingen).

2. Procedure

Het betreft hoofdzakelijk een geschreven procedure die georganiseerd wordt door de bijzondere wet van 6 januari 1989.

Het Arbitragehof oefent zijn bevoegdheden uit hetzij in het kader van de geschillen tot vernietiging, hetzij in het kader van de prejudiciŽle geschillen.

a) Geschillen tot vernietiging

Elke natuurlijke of rechtspersoon, met privaatrechtrechtelijk of publiekrechtelijk karakter, kan bij het Arbitragehof een beroep tot vernietiging indienen, uiteraard op voorwaarde dat hij het belang daarvan aantoont. Volgens de rechtspraak van het Hof en bij ontbreken van een wettelijke definitie van het begrip "belang", dient de persoon aan te tonen dat zijn toestand rechtstreeks en ongunstig door de bestreden norm beÔnvloed zou kunnen worden.

Aldus heeft het Hof met name geoordeeld dat de belastingplichtige er belang bij had bepalingen aan te klagen die de belasting waaraan hij onderworpen is, instellen en die de grondslag en de berekeningswijze van deze belasting vastleggen, of die sommige belastingvoordelen wegnemen.

Het beroep tot vernietiging moet worden ingediend binnen een termijn van zes maanden na de publicatie van de norm van wetgevende aard in het Belgisch Staatsblad, ongeacht of deze norm al dan niet van kracht geworden is.

De eiser die een dergelijk beroep heeft ingediend, kan tevens het Hof verzoeken de bestreden norm op te heffen. In het kader van dit apart beroep dient de eiser dan, naast het bestaan van ernstige middelen, het bestaan aan te tonen van een risico op een moeilijk te herstellen, ernstig nadeel, dat door de bestreden norm veroorzaakt zou kunnen worden.

b) Prejudicieel geschil

Elke rechtsmacht, zowel gerechtelijk als administratief, kan zich verplicht zien een prejudiciŽle vraag aan het Arbitragehof te stellen, hetzij op initiatief, hetzij op verzoek van een van de partijen in het geschil waarvan hij kennis moet nemen, wanneer de vraag gesteld wordt omtrent de eerbiediging door een wetgevende norm van de bepalingen die het Hof moet controleren. De rechter kan zelf deze zaak niet oplossen omdat het Arbitragehof ter zake over het monopolie beschikt.

Er bestaan evenwel 4 hypothesen waarin de rechtsmachten, andere dan de Raad van State en het Hof van Cassatie, niet verplicht zijn een vraag te stellen aan het Arbitragehof:

  • wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak gedaan heeft over een vraag of een beroep met hetzelfde voorwerp;
  • wanneer de rechter oordeelt dat het antwoord op de vraag niet absoluut noodzakelijk is om zijn beslissing te treffen;
  • wanneer hij oordeelt dat de norm duidelijk geen schending inhoudt van de bepalingen waarvan het Hof de naleving moet waarborgen;
  • wanneer de eis onontvankelijk is om procedurele redenen die gehaald worden uit normen die zelf niet het voorwerp vormen van de prejudiciŽle vraag.

In het kader van het prejudicieel geschil dient geen enkele termijn te worden nageleefd om een vraag te stellen aan het Hof. Aldus kan de prejudiciŽle vraag tussenkomen terwijl de bestreden norm sedert vele jaren wordt toegepast, en dit ten nadele van de juridische zekerheid.

3. Gevolg van de arresten die door het Arbitragehof gewezen worden

Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen het arrest dat gewezen wordt in het kader van het geschil tot vernietiging en het arrest dat gewezen wordt in het kader van het prejudicieel geschil.

a) In het kader van het geschil tot vernietiging

Een vernietigingsarrest brengt de vernietiging met zich van de aangenomen norm met terugwerkende kracht. Dit houdt in dat de norm geacht wordt nooit te hebben bestaan en dat de bepaling die voordien van toepassing was, "herboren" wordt zoals ze bestond voordat ze door de vernietigde norm opgeheven werd. Het is van belang te onderstrepen dat de vernietiging slechts gedeeltelijk kan zijn en dat het Arbitragehof de terugwerkende kracht ervan kan beperken.

De terugwerkende kracht die in de vernietigingsarresten van het Arbitragehof erkend wordt, houdt in dat de daden van de administratieve overheden die op basis van de geannuleerde bepaling gesteld werden, geacht worden steeds ongegrond te zijn geweest. Bijgevolg worden ze eenvoudigweg onwettig. Ze worden evenwel niet van rechtswege geannuleerd maar dienen het voorwerp te zijn van een administratief of gerechtelijk beroep.

De gerechtelijke beslissingen die op de vernietigde norm gebaseerd zijn en die niet meer vatbaar zijn voor beroep, worden evenmin van rechtswege vernietigd. Ze worden pas vernietigd na het instellen van een procedure tot intrekking, die ingediend moet worden binnen de zes maanden na de publicatie van het vernietigingsarrest in het Belgisch Staatsblad.

b) In het kader van het prejudicieel geschil

Daar het Arbitragehof zich beperkt tot het beantwoorden van een vraag van de rechter is de draagwijdte van de arresten die op basis van een prejudiciŽle vraag gewezen worden, meer begrensd.

Het arrest dat de ongeldigheid bepaalt van de norm, verbiedt de rechter naar wie de zaak verwezen wordt, evenals elke rechter die achteraf in dezelfde zaak uitspraak zou doen, deze norm toe te passen die evenwel op juridisch vlak blijft bestaan.

Het arrest dat gewezen wordt in het kader van het prejudicieel geschil kan evenwel tot gevolg hebben dat het de rechtspraak vrijstelt van de taak om het Hof over een gelijkaardige kwestie te ondervragen. Deze uitzondering geldt evenwel niet voor de hoogste rechtbanken zoals het Hof van Cassatie en de Raad van State.

C. Het gelijkheidbeginsel in het algemeen

Het gelijkheidbeginsel vindt steun in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Artikel 10 dat sedert 1831 in de Grondwet ingelast werd (het betrof toen het artikel 6), heeft een algemene draagwijdte. Het toepassingsgebied van artikel 11 (het betrof toen artikel 6bis) dat in 1970 werd ingevoerd en dat het resultaat is van de federalisering, lijkt op het eerste gezicht beperkter omdat het verwijst naar de rechten en vrijheden en het alleen ideologische en filosofische discriminaties lijkt te verbieden. In de praktijk maakt het Arbitragehof evenwel geen enkel onderscheid tussen deze beide bepalingen en worden ze stelselmatig of bijna gezamenlijk ingeroepen.

Overigens wordt het gelijkheidbeginsel meer specifiek gewaarborgd in fiscale zaken door artikel 172 van de Grondwet dat verbiedt enig voorrecht inzake belastingen in te voeren.

Van bij zijn eerste arrest dat het ter zake wijst, gaat het Arbitragehof zijn eigen definitie geven aan het gelijkheidbeginsel, en die definitie wordt in ruime mate geÔnspireerd door die van het Europees Hof van de rechten van de mens. Deze tekst werd in de loop der jaren slechts weinig aangepast. Thans is hij als volgt:

"De grondwettelijke regels van gelijkheid en non-discriminatie sluiten niet uit dat een verschillende behandeling tussen de categorieŽn van personen ingesteld wordt voor zover ze berust op een objectief criterium en ze op redelijke wijze gerechtvaardigd is. Dezelfde regels verzetten zich overigens tegen een identieke behandeling, zonder enige redelijke rechtvaardiging, van categorieŽn van personen die zich in situaties bevinden die inzake de maatregel in kwestie essentieel verschillend zijn. Het bestaan van een dergelijke rechtvaardiging dient te worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de effecten van de bekritiseerde maatregel alsook met de aard van de principes in kwestie; het gelijkheidbeginsel wordt geschonden wanneer vastgesteld wordt dat er geen redelijke en evenredige verhouding bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel."

Men stelt vast dat het gelijkheidbeginsel twee aspecten vertoont. Niet alleen verbiedt het dat personen die zich in eenzelfde situatie bevinden, op verschillende wijze behandeld worden, maar het verzet zich er tevens tegen dat personen die zich in verschillende situaties bevinden, op dezelfde wijze behandeld zouden worden.

Wanneer het Arbitragehof zich vragen stelt over de grondwettelijkheid van een norm van wetgevende aard ten opzichte van het gelijkheidbeginsel, gaat het in vier stappen tewerk.

Het zoekt vooreerst uit of het bestreden onderscheid betrekking heeft op twee categorieŽn van personen die zich in vergelijkbare situaties bevinden.

Vervolgens tracht het Hof het doel van dit onderscheid te ontdekken en onderzoekt het de wettigheid van dit doel. Vervolgens onderzoekt het of de maatregelen die door de betwiste norm gedragen worden, objectief gerechtvaardigd kunnen worden en of ze geschikt zijn ten opzichte van het beoogde doel. Verder verifieert het tenslotte of er een evenredige verhouding bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

D. Het gelijkheidbeginsel in fiscale zaken

Wij zullen het slechts zeer bondig hebben over vier arresten die op fiscaal vlak door het Hof gewezen werden. Voor een grondiger onderzoek kunnen deze arresten eenvoudig geraadpleegd worden op de site van het Arbitragehof (http: //www.arbitrage.be).

1) Bezwaar vanwege de feitelijk gescheiden echtgenoot
(arrest nr. 39/96 van 27 juni 1996)

In het kader van de vroegere geschilprocedure beperkte artikel 366 van het W.I.B. 92 de mogelijkheid om bezwaar in te dienen bij de directeur van belastingen over het bedrag van de aanslag enkel tot de belastingplichtige, met name de persoon op wiens naam de belasting ingekohierd is.

Krachtens artikel 128, 1ste al., 2į, van het W.I.B. en in afwijking van artikel 126 van het W.I.B. 1992 volgens hetwelk de aanslag gevestigd wordt op naam van beide echtgenoten, worden de gehuwde personen die feitelijk gescheiden zijn overigens niet meer als echtgenoten beschouwd maar als alleenstaanden, voor het jaar dat op deze scheiding volgt. Deze bepaling die het opstellen van verschillende belastingaanslagen inhoudt, wijkt evenwel niet af van het principe volgens hetwelk de echtgenoten hoofdelijk verplicht zijn de fiscale schuld te betalen.

Uit de combinatie van deze wetgevende bepalingen bleek dat de feitelijk gescheiden echtgenoot door de belastingsadministratie vervolgd kon worden voor het betalen van de belasting die door zijn huwelijkspartner verschuldigd was, maar dat hij dit niet kon betwisten bij de belastingsdirecteur aangezien hij niet de persoon was op wiens naam de belasting ingekohierd was.

Het Hof waar de prejudiciŽle kwestie ingediend is, begint met de vaststelling dat het bestaan van een verschillende behandeling op het vlak van de inkohiering van de belasting tussen de echtgenoten die samenwonen en die welke feitelijk gescheiden zijn, een ongelijke behandeling van deze laatste met zich brengt inzake het recht om bezwaar in te dienen bij de directeur van belastingen.

Volgens het Hof wordt het verschil van behandeling dat bestaat in de fase van de inkohiering gerechtvaardigd door het feit dat men de feitelijk gescheiden echtgenoten niet kan verplichten aan elkaar alle elementen mede te delen van hun persoonlijke inkomens. Het ziet daarentegen geen enkele rechtvaardiging voor de beperking van het recht om enkel bezwaar in te dienen tegen enkel de bijdrage die op naam van de eiser ingeschreven is.

Het Hof ziet daarin een inbreuk op het fundamenteel recht om voor een rechtsmacht de gegrondheid te betwisten van elke schuld en besluit dat artikel 366 van het W.I.B. 1992 een schending inhoudt van artikel 10 van de Grondwet. Uit dit arrest volgt de mogelijkheid voor de feitelijk gescheiden echtgenoot om bezwaar in te dienen bij de directeur van belastingen tegen de aanslag die is op basis van de inkomens van zijn echtgenote (haar echtgenoot).

Vervolgens zal de wetgever er de nodige conclusies uit trekken: artikel 366 zoals het gewijzigd werd door de wet van 15 maart 1999 breidt voortaan het recht om bezwaar in te dienen uit tot de "echtgenoot op de goederen waarvan de belasting ingevorderd wordt".

2) Hoedanigheid van de directeur van belastingen
(arrest nr. 67/98 van 10 juni 1998)

Artikel 366 van het W.I.B. 1992 maakt het de belastingplichtige mogelijk bezwaar in te dienen bij de directeur van belastingen tegen de belasting die te zijnen laste gevestigd werd. Sedert de jaren ’50 heeft de rechtspraak op constante manier deze bepaling geÔnterpreteerd als het verlenen van een rechterlijke opdracht aan de directeur van belastingen. Deze situatie had zekere niet te verwaarlozen gevolgen.

Noch de rechtsleer, noch de praktijkmensen, konden instemmen met het standpunt van de rechtspraak.

De directeur van belastingen is immers net als elke ambtenaar onderworpen aan zijn hiŽrarchische overste en biedt bijgevolg niet de waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid die voor de uitoefening van een gerechtelijke functie vereist zijn.

Het Arbitragehof dat een prejudiciŽle vraag kreeg, bekrachtigde op grond van deze vaststellingen de heersende interpretatie van artikel 366 W.I.B. 1992. De wetgever heeft er de nodige lessen uit getrokken en heeft door de wet van 15 maart 1999 betreffende de geschillen in fiscale zaken, het W.I.B. 1992 gewijzigd. Voortaan wordt de hoedanigheid van administratieve overheid uitdrukkelijk verleend aan de directeur van belastingen.

3) Administratieve boete inzake BTW
(arrest nr. 22/99 van 24 februari 1999)

Artikel 70 van het Wetboek van de BTW legt een administratieve boete op voor bepaalde inbreuken op verplichtingen die door het genoemde Wetboek worden voorgeschreven. Door deze bepaling heeft de wetgever aan de fiscus de taak opgelegd om fiscale inbreuken te vervolgen en te beteugelen, samen met de macht van de strafrechtelijke jurisdicties om strafrechtelijke boetes op te leggen.

In de praktijk bestaat er een fundamenteel verschil tussen deze beide boetes. Terwijl de rechter een controle van volledige rechtsmacht kan uitoefenen inzake de opgelegde strafrechtelijke boete (met inbegrip van onder andere, het onderzoek van de naleving van het evenredigheidsbeginsel), dient hij zich te beperken tot het nagaan van de realiteit van de feiten en de wettelijkheid van de beslissing die een administratieve boete inhoudt.

Volgens het Hof is dit verschil in behandeling ongerechtvaardigd. Enkel de interpretatie van het Wetboek op de BTW, die aan de rechter bij wie verzet tegen een dwangbevel ingediend werd, volmacht verleent om een controle van volledige rechtsmacht uit te oefenen op de opgelegde administratieve boete, kan als grondwettelijk beschouwd worden.

4) Motivering van de belastingtoename
(arrest nr. 48/2001 van 18 april 2001)

Het niet-aangeven, evenals het onvolledig of onjuist aangeven inzake inkomensbelasting kan volgens artikel 444 van het W.I.B. 1992 gesanctioneerd worden met een belastingverhoging.

Artikel 109 van de wet van 4 augustus inzake fiscale bepalingen verplicht de administratie, wanneer zij een administratieve boete oplegt, aan de belastingplichtige kennis te geven van de feiten die de inbreuk veroorzaken en de motieven te geven die aangewend werden om het bedrag van de boete te bepalen.

Volgens de administratie vindt deze bepaling geen toepassing inzake belastingverhoging. Daarom acht zij zich door geen enkele motiveringsplicht gebonden wanneer ze een belastingverhoging toepast. Ze rechtvaardigt haar standpunt wegens de verschillen die bestaan tussen de belastingverhoging en de boete.

Het Hof oordeelt evenwel dat er geen enkele rechtvaardiging is voor het feit dat een verschil in behandeling inzake motiveringsplicht vastgesteld wordt tussen de administratieve boete enerzijds en de belastingverhoging anderzijds. Bijgevolg moet artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 in die zin geÔnterpreteerd worden dat het eveneens de belastingverhoging beoogt.

E. Conclusie

Soms werd aan het Arbitragehof het verwijt gemaakt dat het bijzonder terughoudend was in fiscale zaken. Al kon dit bezwaar in het begin van de jaren ’90 gegrond geweest zijn, lijkt dit nu niet meer het geval. Inderdaad, hoewel de fiscale materie zeker niet het geliefde terrein is van de Hof, toch blijft het een feit dat het talrijke arresten gewezen heeft die deze rechtstak omgevormd en zelfs radicaal veranderd hebben.


Laatst gewijzigd op 11/08/2005 11:34:00
Navigatie
  • TERUG